De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een theologisch commentaar op het evangelie naar Johannes (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een theologisch commentaar op het evangelie naar Johannes (3)

8 minuten leestijd

Van de hand van de Kamper nieuwtestamenticus, prof. dr. H. N. Ridderbos, is het eerste deel van een bijbelverklaring op het Johannesevangelie verschenen. Nadat we in de eerste bijdrage iets gezegd hebben over de aard van dit evangelie en in een tweede artikel enkele momenten uit de wetenschappelijke discussie naar voren haalden, willen we nu de visie van Ridderbos nader bezien. Ik richt me daarbij voornamelijk op de inleiding.

De ooggetuige
Wie is de auteur van het vierde evangelie? Daartoe moeten we, aldus Ridderbos, letten op het zelfgetuigenis wat we in dit evangelie vinden. We komen dan tot de gevolgtrekking, dat de naam van de apostel Johannes nergens met zoveel woorden genoemd wordt. En ook inzake de figuur van de geliefde discipel krijgen we geen volstrekte zekerheid met betrekking tot zijn identiteit.
Anders staat het echter met het ooggetuige-zijn van de auteur. Daarop wordt niet alleen in het tweede slot. Joh. 21 : 24, maar ook in 19 : 35, ja eigenlijk al in 1 : 14 gedoeld. De evangelist noemt zichzelf onder hen die de heerlijkheid van het vleesgeworden Woord aanschouwd hebben. Met die 'wij' is stellig in de eerste plaats de kring van apostelen bedoeld in onderscheid van het 'gij' van de gemeente zoals daarover in 20 : 31 gesproken wordt. Dat betekent voor Ridderbos dat dit apostolisch discipelschap en dit apostolisch getuigenis grondslag is voor het geloof van de gemeente. Ook uit Johannes 14 t/m 16 valt af te leiden van hoe groot gewicht het getuigenis is van de door Jezus verkoren apostelen die door Hem gevolmachtigd waren oog- en oorgetuigen van zijn werk te zijn, daartoe geleid en toegerust door de Heilige Geest.
Ridderbos meent dat dit kader – nl. de apostoliciteit van de evangelist/ooggetuige – van beslissende betekenis voor het karakter van dit evangelie. Het zal duidelijk zijn, dat hij hiermee al dadelijk een ander standpunt inneemt dan diegenen die het vierde evangelie beschouwen als een produkt van de latere gemeente, wier vertegenwoordiger de schrijver zou zijn. Zij die deze mening zijn toegedaan, beroepen zich daarvoor op de vrije manier waarop de evangelist met de overlevering aangaande Jezus' woorden en werken, de traditie omgaat.

Evangelist en overlevering
Ook Ridderbos is het niet ontgaan dat de evangelist op een zeer bijzondere manier de overlevering te boek stelt. 'Hij doet dit in grote zelfstandigheid en onafhankelijkheid en in zekere zin ook met grote vrijheid' (blz. 13).
Als voorbeeld kan bewezen worden op de keus die de evangelist maakt uit de wonderen die Jezus gedaan heeft. Ook de plaats die de tempelreiniging inneemt in dit evangelie getuigt van de zelfstandigheid en de vrijheid van de evangelist.
Ridderbos gebruikt het beeld van de schering en de inslag: Het evangelie van Johannes is de 'inslag' op de 'schering' van de bestaande traditie. Maar de wijze waarop Johannes de traditie te boek stelt, laat zien hoezeer hij er ook bij betrokken is geweest. De vierde evangelist blijkt over een zeer gedetailleerde eigen kennis van de door hem verhaalde gebeurtenissen te beschikken die we in de andere evangeliën niet vinden. Men kan denken aan de tijdsen plaatsaanduidingen, maar ook aan de uitvoerige gesprekken van Jezus met Nicodemus, de Samaritaanse vrouw, het relaas rondom de blindgeborene, de rede over het brood des levens enz.

Ridderbos is beducht om dit eigene te verklaren vanuit het gebruik van – overigens onbekende – schriftelijke bronnen. Het is de hand van de evangelist als overleveraar, tradent, die het geheel eigen karakter van dit evangelie bepaalt, lezen we op blz. 16.
Kritische geleerden plegen dit laatste toe te stemmen, maar wijzen er dan op, dat de evangelist niet een apostolisch ooggetuige is, maar veeleer een lid van de latere gemeente, die met beeldend vermogen gegevens uit de traditie omgevormd en herschapen heeft tot gesprekken en verhalen zonder zich te bekommeren om de vraag, hoe alles zich heeft toegedragen. Ridderbos verzet zich daartegen, omdat naar zijn mening aan de evangelist dan een rol wordt toegekend die stijdig is met wat hij zelf zegt aangaande zijn ooggetuige – zijn. Immers uit Johannes 20 : 31 blijkt dat de evangelist niet het geloof van de gemeente verwoordt, maar 'het apostolisch getuigenis van Jezus' historische zelfopenbaring als de Christus, de Zoon van God als de grondslag waarop dat geloof rust'.
Ook van het vierde evangelie geldt – en Ridderbos noemt dat een fundamenteel inzicht, dat 'het geloof niet het verhaal, maar het verhaal het geloof heeft voortgebracht' (17).

Concentratie op de Persoon van Jezus de Christus
Toch blijft staan dat deze apostolische ooggetuige op een eigen wijze met de overlevering omging. Hoe is dat te verstaan? Dat eigene ligt volgens Ridderbos niet in een meer-van-Jezus-weten-zodat het vierde evangelie een aanvulling zou zijn op de andere drie. 'Wat het vierde evangelie kenmerkt en zijn bijzonder karakter verleent is juist de geweldige reductie die hij als tradent toepast op het vele andere (dat hij zou kunnen schrijven) ten behoeve van het éne waarop hij in feite al zijn aandacht en die van zijn lezers concentreert, nl. op de persoon en identiteit van Jezus als de Christus, de Zoon van God en op het geloof in zijn naam, 20 : 30, 31' (17).
Hier ziet Ridderbos het onderscheid met de andere evangeliën. Ook zij schreven om het geloof te stichten en te versterken. Ook zij verkondigend wat hen overgeleverd was. Maar terwijl zij zich vooral in dienst stelden van de voortgang en de rijkdom van de traditie, legt de vierde evangelist alle nadruk op de vertolking van deze overlevering die centraal gericht op de verkondiging van Jezus Christus, de Zoon van God.
In de wijze van geschiedbeschrijving vindt een sterke concentratie plaats op de Persoon van Jezus. Ridderbos wijst in dit verband op het feit dat Johannes slechts een enkele maal spreekt over het koninkrijk van God, alsmede op de plaats die Jezus' wonderen in dit evangelie innemen. Terwijl de Synoptische evangeliën in een zekere uitbundigheid, ja in een zekere haast (vgl. het 'terstond' bij Marcus) het ene wonder na het andere beschrijven, beperkt de vierde evangelist zich tot enkele wonderen. En steeds zien we dan hoe het verhaal van een wonder uitgroeit tot een rede waarin Jezus zichzelf openbaart. Ook in de ontmoetingen van Jezus met Nicodemus, de Samaritaanse, Martha en Maria gaat het altijd weer om de zelfopenbaring van Jezus als de Christus.
Vanuit dit uitgangspunt leest Ridderbos het vierde evangelie. Deze nadruk op de concentratie, leidt ook tot een zekere nuchterheid in het commentaar. Wat is nl. het geval. Verschillende verklaarders zien overal in dit evangelie sporen van symboliek en menen dat in elk hoofdstuk nagenoeg de sacramenten een rol spelen. Zo heeft het verhaal van de bruiloft te Kana aanleiding gegeven tot tal van symbolische verklaringen. Ridderbos gaat hier zeer behoedzaam te werk. Hij wijst het speels vernuft in tal van uitleggingen af. Het gaat z.i. om de openbaring van de heerlijkheid van Jezus in dit eerste teken. Maar hij verwerpt niet elke symboliek. Jezus zelf is de wijn, de tot nu bewaarde goede wijn. Het regime van de wet is afgelost door de openbaring van de genade en de waarheid (vgl. 1 : 17).
Bij Johannes 6 komt uiteraard de sacramentele uitleg ter sprake. Ridderbos gaat hier in de lijn van Calvijn, die zich weer beroept op Augustinus. Het 'eten van het vlees en bloed van Jezus' is z.i. geen specifieke aanduiding van het eten en drinken in het Avondmaal, maar ziet op het zich gelovig toeëigenen van Jezus' zelfovergave in de dood met 'de mond van het geloof'. Ik meen dat hier inderdaad de eerste zin van dit gedeelte ligt. Persoonlijk zou ik, wellicht sterker dan Ridderbos, toch staande willen houden, dat de woorden in tweede instantie toch betrokken mogen worden op de maaltijd des Heren.
Het verhaal van de genezing van de blindgeborene is door sommige onderzoekers betrokken op de Doop. Dit sacrament werd in de vroege kerk aangeduid als verlichting. Ridderbos acht de argumenten voor deze verklaring: de wassing als voorafbeelding van de Doop, niet sterk. In de zending van de blinde naar Siloam openbaart Jezus zich als degene die het levende water schenkt, waarvan de naam Siloam in Israël het symbool geworden was, aldus Ridderbos.
Concentratie op de persoon van Jezus. In dat licht moet ook de proloog, 1 : 1-14 gelezen worden. Want daar wordt duidelijk hoe de evangelist het leven van Jezus verstaan wil hebben nl. als de vleeswording van het Woord dat in den beginne bij God was en God was. Daarom kan de evangelist ook vele dingen ter zijde laten omdat het hem ging om datgene wat naar zijn mening nodig en voldoende was om zijn lezers tot geloof te brengen en in dat geloof te versterken.

A. N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Een theologisch commentaar op het evangelie naar Johannes (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's