De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Heiliging: louter genade of tegenprestatie? (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Heiliging: louter genade of tegenprestatie? (2)

12 minuten leestijd

De wijnstok
Als er Eén is Die van onze volstrekte afhankelijkheid feilloos op de hoogte is, dan is het wel de Heere Zelf. Hij noemt Zichzelf de Wijnstok, Zijn discipelen de ranken. Die ranken zullen vruchten dragen. Wat moeten ze daarvoor doen? In de Wijnstok blijven. Verder niets? Verder niets! Dat is de hele opracht. Zo wordt het vruchtdragen volbracht. Het verrassende is, dat Christus er aan toe voegt: Gij zult veel vrucht dragen. Gij, zegt Hij! Ja, maar alleen omdat de Wijnstok Zijn sappen in de ranken stuwt. Kijk, op deze wijze – dat is op de wijze van het blijven in Hem, het kleven aan Hem, het leven uit Hem – is de vrucht gegarandeerd.
En zo is er voor allen die dagelijks aan de weet komen en belijden dat in hen, dat is in hun vlees, geen goed woont, en het daarom juist geheel op Hem laten aankomen, een overvloedige volheid voorhanden aan goede werken, die God heeft voorbereid, opdat wij daarin metterdaad zouden wandelen (Ef. 2 : 10).
Bent u in dit verband weleens getroffen door de wisseling van het onderwerp in vraag en antwoord 86 van de Heidelberger? De vraag is, waarom wij nog goede werken moeten doen. En het antwoord luidt: omdat Christus ons vernieuwt! Zo laat de Catechismus zonneklaar blijken, dat de goede werken inderdaad geen tegenprestatie zijn van onze kant, maar pure vruchtzetting van de levende Christus. Wie in Christus is, die is een nieuw schepsel. Geen dode Christus leeft door het geloof in ons. Geen werkeloze Heiland. Hij leeft en is werkzaam. En Hij máákt levend en werkzaam. Zodat wij handelen en wandelen in gerechtigheid, heiligheid, gehoorzaamheid. Al weten wij zelf veelszins niet hoe.
Kohlbrugge antwoordt op de vraag wat wij omtrent het houden van de geboden Gods hebben te bedenken: 'Dat wij daartoe geheel onbekwaam zijn; dat zulks echter niet aan de geboden, maar aan ons ligt. De Wet is heilig, zij moet niet alleen naar de letter, maar naar de geest gehouden worden; wij daarentegen zijn vleselijk, verkocht onder de zonde. Dat moet bij ons vaststaan, dat wij volstrekt in overeenstemming met de Wet moeten zijn, en juist daarom hebben wij ons aan Christus, hebben wij ons aan Zijn genade vast te houden, en zo zullen wij door Zijn Geest, naar Zijn belofte, wandelen aan Zijn hand en naar Zijn raad, in een door Hem vervulde Wet, zodat wij daarbij zondaars blijven en alleen Zijn heiligmaking roemen.'
Kohlbrugge wijst dan op de volgende Schriftwoorden: Rom. 8 : 14; Jer. 31 : 33; Ez. 36 : 25-27; Hos. 14 : 9; Ps. 32 : 8 en 1 Petr. 1 : 2! Christus beheerst het gehele terrein. Zoals Hij het is Die ons leert hoe armlastig we zijn en Hij het is Die de redding voor Zijn rekening nam, zo ook staat Hij ervoor in dat het verwonderde 'Dank u, Heere' gestalte krijgt in ons leven. Wat Christus doet, is nimmer: stukwerk afleveren. En wat Hij is, is niet maar een onderdeel. Maar Hij is en doet het totaal. Wie Hij bevrijdt van schuld en doodsoordeel, die vernieuwt Hij ook naar Zijn evenbeeld. Uit louter genade. Door geloof alleen. Zomin er zonder geloof en genade sprake is van rechtvaardiging, zomin ook van heiliging. Beide vallen ons ten deel in de geloofsgemeenschap met de ene ondeelbare Christus.

Waar je mee omgaat…
Is het u wel eens opgevallen, hoe twee mensen die erg veel van elkaar houden, op elkaar gaan lijken in gezindheid, doen en laten, levensstijl en opvattingen? Soms tot in oogopslag, gebaren en houding toe! Zoveel te meer geldt dit van die unieke innige geloofsverhouding tussen de Bruidegom Christus en Zijn bruidsgemeente. Hoe komt het; dat Gods kinderen hier en daar zo dor, zo vruchteloos en vreugdeloos door het leven gaan?
Dat komt omdat ze niet hun Bruidegom naar de ogen zien en Hem niet om de hals hangen. Het komt omdat ze hun ogen laten hangen naar andere instanties. En: waar je mee omgaat, daar word je mee besmet! Wie met Christus omgaat – in het gehoor van Zijn Woord, in het gebed tot Zijn hart, in het volgen van Zijn voetspoor –, die zal qua levensstijl en levenshouding ontegenzeggelijk onder Zijn bekoring en beïnvloeding geraken. Sterker: die vervult Hij met Zijn Geest en gezindheid en doet Hij vruchten dragen die sprekend lijken op de gestalte van de Meester Zelf: liefde, blijdschap, vrede, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid…
Daarom komt het werkelijk maar op één ding aan: tot Hem heen te gaan en met Hem om te gaan.

Zorgeloos?
Nu zal ieder wel zonder moeite kunnen vatten, hoe ongerijmd de suggestie heten moet, dat de leer van enkel genade en de roem in Christus alleen zorgeloze en goddeloze mensen maken zou. Ik ben zo vrij om het óm te draaien en tot de tegenaanval over te gaan: overal daar waar men niet bij pure genade beklijft en men niet door Christus' Geest wordt gevuld en bevrucht, daar is het leven ten diepste zorgeloos en goddeloos. Zorgeloos, omdat de mens zich verbeeldt op eigen kracht (of met behulp van wat 'genade') met de Wet van God in overeenstemming te kunnen geraken. Dat mag moedig lijken, het is overmoedig, roekeloos en hoogst onveilig. Zo begeeft men zich moedwillig in gevaar!
En goddeloos moet dat heten, omdat het de volkomenheid miskent van Hem Die de Wet heeft vervuld en in Wie al Gods welbehagen is.
Het sola gratia maakt niet goddeloos en zorgeloos. We hoeven dat trouwens niet meer gemaakt te worden. Want we zijn het al. Wat God in Zijn genade doet is de wortel daarvan blootleggen. Een pijnlijkgenadige diagnose! Maar Hij doet meer: bij Hem is vergeving en genezing. Een bevrijdend-genadige therapie!. De ruimte waarin Hij ons door Woord en Geest Zijn genade bewijst is dus niet alleen de rechtzaal, waarin Hij rechtvaardigend de zonden vergeeft, maar-evenzeer de ziekenzaal, waarin Hij helend en heiligend de ziekte geneest en Zijn 'patiënten' wijdt tot een gezonde wandel, naar al de geboden Gods, in de vreze des Heeren. En daarvan dragen zij de vruchten mee in het leven van alledag: in gezin, maatschappij en gemeente. Het is in deze praktijk der godzaligheid dat de heiliging van de Geest zich voltrekt: in woord en wandel, in houding en handel. En wij kennen hier maar ene zorg: in Hem te blijven, uit Hem te leven. Het is een zorg die de goddeloze zorgeloosheid schuwt en tegelijk de (even goddeloze) overbezorgdheid mijdt. Het is de zorg van de geheiligde onbezorgdheid, waarin het kind mag wandelen en werken aan de hand van Vader. Als ik 's Vaders hand maar om de mijne weet. Dan vraag ik niet angstvallig of ik wel 'heilig genoeg' ben in een wettische geest van 'smaak niet, raak niet, roer niet aan', maar ik vraag naar Vader, zie naar Hem op, en pluk de bloemen, die Hij voor mij liet groeien en blijf inet mijn vingers van de gifplanten af die Hij mij heilzaam verbiedt.

Somber?
Tegelijk wil hiermee gezegd zijn dat de aantijging als zou de leer van genadealleen een bekrompen en krampachtig leven ten gevolge hebben, op een betreurenswaardig, maar hardnekkig misverstand berust. Het verwijt is bekend: die genadeleer waarbij de mens nooit wat wordt en altijd maar geneigd blijft tot alle kwaad en tot geen goed in staat is, kweekt zwaarmoedigheid, frustratie, zelfverachting, zelfontwaarding, wanhoop…
Ik zou hierover twee opmerkingen willen maken. In de eerste plaats deze: men moet vanuit een karikatuur van de genade niet de genade zelf op de korrel nemen. Stellig is het waar dat Gods heiligen strompelaars en struikelaars blijven en geen ogenblik staande kunnen blijven zonder Gods draagkracht.
Maar het is nu juist Gods genade waardoor de christenmens niet alleen wordt afgebracht van eigen kennen en kunnen maar – wat meer is – wordt heengevoerd naar de Bron van levenskracht, levensmoed en levenslust. Ik vermag alle dingen door Christus die mij kracht geeft, zegt Paulus, die in eigen zwakheid aan de genade genoeg heeft en daar zowaar zoveel genoegen in vindt dat hij roemt(!) in zijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in Hem wone (2 Kor. 12).
Het tweede is een tegenvraag: waar anders ligt dan werkelijk bevrijde onbevangenheid en ontspannenheid, dan in die vrolijke wetenschap, er niet alleen als gerechtvaardigde te mogen zijn (voor Gods aangezicht) maar ook tot Zijn eer en tot heil en hulp van de naaste te mogen wandelen, door Hem bezield en bevrucht?
Is dát dan soms bevrijdend, wanneer een mens in de geest en onder de gesel van onze prestatie- en prestigemaatschappij Wordt opgezweept om toch vooral maar aan zijn trekken te komen, omhoog te klimmen, vooruit te streven en zich waar te maken?
Het mag dan waar zijn dat een eenzijdige, scheefgetrokken en verminkte, dus karikaturale genadeleer zijn duizenden verslagen heeft, ik geloof stellig dat de kramp van de zelfontplooiing en zelfvergoding zijn tienduizenden versloeg en verslaat. Ik ken geen bevrijdender en tegelijk bevruchtender nieuws dan dat van Gods genade-Evangelie: zich te (mogen) laten rechtvaardigen zo schuldig als men is, en zich te (mogen) laten heiligen zo onbeholpen als men is. Men moet niet doen alsof dit propaganda tot een fnuikende zelfminachting zou zijn! Het gaat hier om niets anders dan het bevrijdingsnieuws dat onbeholpenen niet langer ongeholpen hoeven te zijn. Het gaat hier om niets anders dan het geheimenis van de stervende liefde. Wiens 'ik' de dood ingaat, aan eerzucht en zelfzucht voorbij, die hoeft zich niet meer waar te maken, niet meer op de tenen te lopen en boven zijn macht te reiken, maar mag in onbaatzuchtige liefde en onbevangen zelfvergetelheid God en de ander dienen.
Hoewel moet worden toegegeven dat er een verbastering van de genadeleer is, waarbij de mens niet genadig maar ongenadig de halve waarheid wordt gezegd (dus zonder dat de volle en verrassende Waarheid van het Evangelie wordt vrijgegeven), moet men dit niet op rekening van de Bijbels-reformatorische rechtvaardigings- en heiligingsleer schrijven. Deze leidt niet tot een bedompt en verstikkend minderwaardigheidscomplex, maar biedt juist medicijn tegen de slopende kwaal der zelfoverschatting en geneest van prestatie- en prestigedwang. Men verwarre de Barmhartige niet met een nietsontziende slavendrijver. God houdt er geen 'werkkrachten' op na die nummers voor Hem zijn, maar Hij houdt kinderen in Zijn dienst die Zijn oogappel zijn. En Hij zet ze niet onder barse commando's aan het werk, maar geeft ze in de vorm van heilzame geboden een genadige opdracht, geboden die in de geloofsverbondenheid met Christus evenzovele beloften zijn. Als dit geen zin geeft aan het aardse bestaan! 'Zolang als ik op aarde leven, zal, mijn Koning groot ik ere geven zal, met woord, met daad, met juichen en gezang.' (Revius).

De Geest van Christus
Onmogelijk noemt de Heidelberger het, dat wie Christus door het geloof is ingeplant geen vruchten der dankbaarheid voort zou brengen. Uitgesloten! Hoezo? Omdat al wie in Hem leeft, ook door Hem wordt geleefd. Dat is de kracht van Zijn wederbarende, nieuw leven schenkende Geest, Die in ons wonen wil. Het vat geeft uit wat het in heeft! Dat Christus' Geest Zijn intrek in ons nam, zal merkbaar blijken aan de buitenkant: in wat we doen met de hand, zeggen met de mond, denken met het verstand, 'spreken' met de ogen, betreden met de voet. Denk niet gering over de mogelijkheden van de Heilige Geest! Al is het vlees weerbarstig, de Geest behoudt de overhand. Hoe groot de leegte ook is. Hij weet die leegte te vullen. Hij is het door Wie Christus ons van harte gewillig en bereid maakt om voor Hem voortaan te leven.
Het christenleven dat op genade teert heeft niet alleen zin, wij hebben er ook zin in! De Geest schept in het hart van die mens die, hoewel gerechtvaardigd, toch tot alle boosheid geneigd en volslagen armlastig op genade aangewezen blijft, die andere 'neiging': de gezindheid van Christus, het vermaak naar de inwendige mens in de wil van God. En hoe deze onheilige heilige ook van bijna alle kanten wordt belaagd en aangevochten, van ene kant wordt hij nochtans staande gehouden: door de overmacht van de Geest. Het is die Geest die met onze geest getuigt dat wij kinderen Gods zijn, het eigendom niet van de zonde, maar van Christus alleen. Die ons kocht met Zijn bloed. De zonde heeft bloed gekost, zegt de Geest. Hoe zou ik er nog in leven?, antwoord ik in het geloof. Gij zijt duur gekocht, betuigt de Geest. En het geloof reageert: zou Hij dan niet mijn levenselement zijn? Gij zijt heilig, verzekert de Geest. En ik antwoord in dankbaar en verwonderd geloof: daar houd ik het op, en daar zal ik naar leven.

Door bloed bevrijd
We eindigen zoals we begonnen. Met een (soortgelijk) verhaaltje. 't Wordt verteld door de Indiase Sundar Singh, een tot het christendom bekeerde Boeddhist die als evangelist door de wereld trok.
Twee jongens in een dorpje ergens in India zaten te dobbelen. Dat was daar ten strengste verboden. Beiden werden betrapt en ingerekend. De ene jongen werd vlot en makkelijk vrijgekocht: zijn ouders waren rijk. De andere jongen was van armoedige komaf. Zijn moeder was een behoeftige weduwe. Maandenlang verrichtte ze evenwel extra arbeid om het bedrag voor de loskoop bijeen te sparen. Met haar blote handen sjouwde ze ruwe stenen. Niet zonder bloed! Toen ze eindelijk het vereiste bedrag bij elkaar had, en haar jongen weer vrij rond liep, kwam deze zijn oude kornuit tegen. Die stelde hem, alsof er niets was gepasseerd, de vraag: 'Zullen we samen een spelletje dobbelen?' Toen zei die jongen: 'Dat kan ik nooit meer doen. Want mijn vrijheid heeft het bloed van mijn moeder gekost'.
De toepassing is al even eenvoudig als het verhaal zelf: in de heiliging voltrekt zich het geheim van de liefde. Wij bedenken door de Geest van Christus dat onze vrijheid bloed heeft gekost. Wij moeten geen tegenprestatie leveren, maar wij kunnen niet anders dan bij de genade blijven. Uit de aard der liefde. Naar de Geest der heiliging, die de Geest van Christus is.
Daar houden wij ons aan, omdat Hij er ons aan houdt. Genade alleen.

A. de Reuver, Delft

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Heiliging: louter genade of tegenprestatie? (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's