Anthony Brummelkamp
Proefschrift M. te Velde (1)
Op 16 juni jl. promoveerde aan de Theologische Universiteit te Kampen de aan deze Universiteit al sinds 1987 tot hoogleraar in de ecclesiologische (kerkelijke) vakken benoemde ds. M. te Velde. Deze (vrijgemaakt) gereformeerde predikant verdedigde bij die gelegenheid een proefschrift over 'Anthony Brummelkamp', een van de zogenaamde 'vaders' der Afscheiding, levend van 1811 tot 1888.
Het proefschrift is uitgedijd tot een lijvig boekwerk, 572 bladzijden. Door De Vuurbaak te Barneveld is het keurig uitgegeven in, een stevige blauwe band, en het is te koop voor de zeer redelijke prijs van 65 gulden. Een mooi portret van Brummelkamp staat aan het begin van het boek afgedrukt; het dateert uit 1848 of 1849.
Het is niet toevallig dat dit proefschrift gereed kwam in 1988, precies 100 jaar na Brummelkamps overlijden. Men zou het dus ook als een 'gedenkboek' kunnen opvatten.
Lijvig werk
Over Brummelkamp is al veel geschreven. Grote bekendheid heeft gekregen de 'Levensbeschrijving van wijlen prof. A. Brummelkamp', geschreven door zijn jongste zoon die ook Anthony heette. Oók een lijvig boekwerk, 600 bladzijden. Uitgegeven te Kampen in 1910.
Blijkbaar is er over Brummelkamp steeds heel wat te vermelden. Maar wel moet daarbij worden opgemerkt dat zowel het boek van Brummelkamp jr. als dat van dr. M. te Velde heel veel stof bevat die slechts in indirecte zin in een Brummelkamp-biografie thuishoort. Steeds horen wij héél het verhaal van de Afscheiding. En steeds komt een groot brok van de hele negentiende-eeuwse kerkgeschiedenis ter sprake. Het is ook bijkans onvermijdelijk. Dr. Te Velde heeft zoals begrijpelijk is veel gebruik gemaakt van de al bestaande literatuur over Brummelkamp. Maar zijn proefschrift biedt tegelijk veel meer. Ook bronnen die door anderen niet benut zijn heeft hij aangeboord. Daartoe behoren allerlei stukken uit diverse archieven, maar ook artikelen die door Brummelkamp geschreven zijn. Het zou mij verbazen indien na dit zo omvangrijk werk binnen afzienbare tijd nóg een boek over Brummelkamp het licht zou zien. Het lijkt mij toe dat zijn leven en werk nu wel ongeveer uitputtend beschreven zijn.
Wij hebben grote waardering voor de nauwkeurigheid waarmee Te Velde te werk is gegaan. Wat een 'engelen'-geduld zit daar achter. Al die archieven doorpluizen, al die brieven lezen, al die notulen van diverse vergaderingen geheel doorspitten, al die data zich inprenten – het is waarlijk geen kleinigheid. Zoiets kan men – dunkt mij – maar één keer in het leven presteren.
Het is te hopen dat ook over andere mannen die in de kerken der Afscheiding een rol van betekenis hebben vervuld nog eens boekwerken van dit kaliber zullen verschijnen. Ik denk daarbij speciaal aan figuren als Simon van Velzen en Helenius de Cock (zoon van Hendrik de Cock). Is niet vooral laatstgenoemde een proefschrift waard?
Eigen plaats
In het geheel van de Afscheidingsbeweging in de vorige eeuw heeft Brummelkamp tot op zekere hoogte een eigen plaats ingenomen. Wij kunnen hierbij denken aan de contacten die hij gehad heeft met allerlei figuren buiten eigen kring, dus ook ambtsdragers en leden van de Hervormde Kerk. Hij woonde regelmatig de vergaderingen bij van de 'Christelijke Vrienden' (Reveil-figuren), staande onder leiding van Groen van Prinsterer. Maar wij denken vooral aan de aard van zijn prediking en theologisch onderwijs. Wij komen daar nog nader op terug, maar merken nu reeds op, dat Brummelkamp binnen de afgescheiden kerken, zeker in de beginperiode, een eigen flank vertegenwoordigde. Door de 'Noordsche' of 'Drentsche' richting die tot op de dag van vandaag in allerlei kleine kerken bij velen hoog staat aangeschreven, met haar sterke nadruk op de leer der predestinatie, die dan de hele prediking beheerste, en haar vertegenwoordigers had in figuren als T. F. de Haan en H. Joffers, werd Brummelkamp te 'licht' bevonden. Ook in de uit de Afscheiding voortgekomen Kruisgemeenten was dat het geval. Tot op de dag van vandaag werkt dat nog door. Niet alleen tussen de kerken onderling, maar ook binnen de diverse kerken.
Ik stel mij niet ten doel in dit en het volgende artikel een samenvatting te bieden van de hele inhoud van Te Velde's boek. Dat zou niet te doen zijn. Liever wil ik de vinger leggen bij allerlei zaken die mij persoonlijk bij het lezen van deze biografie troffen.
Afscheiding
In denk dan allereerst aan Brummelkamps afscheiding van de Hervormde Kerk. Ze vond plaats te Hattem waar Brummelkamp nog maar sinds kort dienstdoend predikant was. Het is naar mijn gevoelen een van de meest tragische gebeurtenissen geweest in het leven van Brummelkamp. Als hervormd man zeg ik: Het had zo niet mógen gaan en had had zo ook niet behoeven te gaan. Ik veronderstel dat indien Brummelkamp die — wat begrijpelijk is — zijn afscheiding van de Hervormde Kerk zijn leven lang voor rechtmatig heeft gehouden — in 1835 toen hij nog maar 23 jaar oud was de wijsheid zou hebben gehad die hem in zijn later leven kenmerkte, nooit tot deze onbesuisde daad zou zijn gekomen. Hij ging met een voortvarendheid te werk en met een pretentie die bij zijn leeftijd niet paste. De afscheidingsbeweging van De Cock en van Scholte was hem blijkbaar naar het hoofd gestegen. Het dopen van kinderen van ouders die (nog) geen openbare geloofsbelijdenis hadden afgelegd, waartegen hij niet alleen protest aantekende, maar wat hij liet uitgroeien tot een breekpunt, had hij op een pastorale wijze kunnen behandelen. De Cock in Ulrum doopte wèl zulke kinderen, en – bij mijn weten – zonder getuigen te laten antwoorden op de doopvragen in plaats van de ouders, iets wat Brummelkamp in Hattem wilde doordrijven. Trouwens: dat is toch ook niet de oplossing. Niet getuigen zijn verantwoordelijk voor de opvoeding der kinderen, maar de ouders! Later, toen hij eenmaal een afgescheiden dominee was, heeft Brummelkamp, net als De Cock, ook wel degelijk kinderen gedoopt van niet-belijdende leden, en zulke leden zelfs tot het Heilig Avondmaal toegelaten. Wij stuiten hier op een zekere tweeslachtigheid die wij in Brummelkamps leven herhaaldelijk tegenkomen. Ook Te Velde kan er niet onder uit, af en toe deze tweeslachtigheid in Brummelkamp toe te geven.
Er komt nog iets bij. Al vóór Brummelkamp predikant werd in de Hervormde Kerk en het beroep naar Hattem aannam, wist hij of kón hij althans weten, hoe in de Hervormde Kerk en ook in Hattem met niet-belijdende ouders, die toch hun kind wilden laten dopen, werd omgegaan. Hij wist ook of kón althans weten dat het in die kerk voorschrift was dat in elke dienst een gezang werd gezongen, wat voor hem te Hattem eveneens een breekpunt werd. Ik vraag: En waarom dan tóch de dienst aanvaard in zulk een kerk en in zulk een gemeente? Het zou correct zijn geweest als Brummelkamp vóór de beslissing te nemen of hij het beroep naar Hattem al dan niet zou aanvaarden tegen de kerkeraad zijn bezwaren aangaande de heersende doopspraktijk en het zingen van gezangen had kenbaar gemaakt en aan de broeders had gevraagd hoe zij als kerkeraad daar tegenover stonden. Maar neen, Brummelkamp neemt het beroep aan, en is nog geen blauwe maandag in Hattem of zonder zich de kerkeraad te laten gezeggen drijft hij zijn opvatting omtrent de zaak door. Dit móest wel om problemen vragen. Ik veronderstel dat heden niet één kerk die uit de Afscheiding is voortgekomen als het eigen kerk gold zulk een handelwijs zou accepteren.
Ware kerk
Vervolgens, toen Brummelkamp in 1834 te Hattem intrede deed was hij volgens Te Velde er nog van overtuigd dat de kenmerken der ware kerk in de Hervormde Kerk te vinden waren, ook al was er veel kwaad in die Kerk (52). Later heeft Brummelkamp, evenals de andere Afgescheidenen, over de Hervormde Kerk heel anders gedacht en gesproken. Voor hen alleen was nu de Hervormde Kerk een válse Kerk. En nog altijd werkt dat door. Te Velde spreekt – voor een Hervormd mens zeer irriterend – meer dan eens over het 'Hervormde genootschap'. Maar nu sta ik toch voor een moeilijke zaak. Natuurlijk is de Hervormde Kerk in die paar maanden tijd die er liggen tussen Brummelkamps intrede in Hattem, toen hij de Hervormde Kerk nog een wáre Kerk noemde, èn de datum van zijn afscheiding in wezen niets veranderd. Dus: Brùmmelkamp moet zijn veranderd! Eerst hield hij de Hervormde Kerk voor de ware kerk en een paar maanden later voor een valse kerk. Als ik redeneer volgens het later door hem ingenomen standpunt dan is de conclusie dat Brummelkamp in zijn jonge jaren, zelfs nog toen hij intrede deed te Hattem, ernstig dwaalde. Hij hield een válse kerk voor een wáre kerk! En tóch heeft Brummelkamp in zijn later leven nooit schuld beleden over die 'dwaling'. Dat ben ik tenminste in het boek van Te Velde nergens tegengekomen. Ik ben dat trouwens bij de andere 'vaders' van de Afscheiding ook nooit tegengekomen. Je zou verwachten dat zij na hun afscheiding in de schuld zouden gekomen zijn omtrent hun Hervormd dominee zijn van eertijds. Maar niets daarvan! Toch begrijp ik het wel, want dan zou heel hun ambt, dat zij aan de Hervormde Kerk te danken hadden! toch wel op losse schroeven zijn komen te staan. Angstvallig hebben ze gezwegen over hun 'dwaling' van eertijds!
Artikel 28
Tot slot: Brummelkamp heeft evenals de andere vaders van de Afscheiding bij het zoeken van een grond voor zijn afscheiding zich schuldig gemaakt aan een verkeerde interpretatie van art. 28 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Hier staat dat de gelovigen zich moeten afscheiden 'van degenen die niet van de Kerk zijn'.
De Cock, Brummelkamp en alle afgescheidenen hebben steeds deze woorden betrokken op de Hervormde Kerk. Zie je wel, zeggen zij, onze Belijdenis eist dat wij ons afscheiden van de valse kerk en de Hervormde Kerk is zulk een valse kerk… Maar die zo spreken zouden beter moeten weten. Met 'degenen die niet van de Kerk zijn' zijn bedoeld: heidenen, ongelovigen, joden, turken! Guido de Bres, de opsteller van de Nederlandse Geloofsbelijdenis heeft in zijn boek dat hij schreef tegen de wederdopers dat uitdrukkelijk gezegd. In mijn boek In het rechte spoor heb ik daarvoor het bewijsmateriaal geleverd. Eigenlijk heeft dus de Afscheiding wat dit betreft berust op een misverstand. Men dacht te handelen overeenkomstig de Confessie, maar dat was toch niet zo. Had men de Confessie beter gekend, dan zou men misschien zich nog wel eens bedacht hebben. Maar helaas, het onheil is geschied. Wij zitten met de verbrokkeling. De breuk werd, ook dát leert het boek van Te Velde, een repeterende breuk. Breuk op breuk, afscheiding op afscheiding. Is het wonder dat zelfs ook Brummelkamp serieus overwogen heeft om maar naar Amerika te emigreren?
Ook de Hervormde Kerk stond schuldig. Beter gezegd: állen stonden schuldig; die gingen en die bleven. O als men eens de handen ineen geslagen had. Als men eens tezamen water had aangedragen om de brand te blussen. Het beeld van het kerkelijk leven in Nederland zou er tot op de dag van vandaag zeker anders hebben uitgezien. De Afscheiding bracht geen echte oplossing.
K. Exalto
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1988
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1988
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's