De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

11 minuten leestijd

Alleen het Oude of alleen
het Nieuwe Testament?
Het woordje 'alleen' speelt in de kerkgeschiedenis een belangrijke rol. Denkt u alleen maar aan het bekende gezegde: alleen door het geloof, door genade alleen. Hier staat en valt de Reformatie mee.
In het opschrift boven dit artikeltje heeft het woord 'alleen' ook een bepaalde, maar dan negatieve betekenis. Vanaf de dagen van Marcion (2e eeuw) tot op de dag van heden zijn er mensen, die gezegd hebben: Christenen hebben alleen te maken met het Nieuwe Testament. Alles wat het Oude Testament betreft heeft afgedaan! Het Oude Testament zou ons een andere God verkondigen dan het Nieuwe. Huiveringwekkende afmetingen nam deze gedachte aan tijdens het regiem van de nazi's in Duitsland. Gelukkig heeft de Kerk de eeuwen door deze gedachte verworpen. Toch kom je – veel gematigder dan bij mensen als Marcion en Harnack – nog wel eens de idee tegen, dat het Nieuwe Testament hoger zou staan dan het Oude. Het Oude Testament zou een God van toorn en wraak verkondigen, het Nieuwe een God van liefde. Men moet toch wel veel van de Schrift laten liggen om in deze gedachtengang te kunnen geloven. Beide Testamenten verkondigen dezelfde God met hetzelfde gezag. Aldus dr. B. Maarsingh in het Hervormd Weekblad van 17 juni. Maar Maarsingh wijst er ook op dat we tegenwoordig bij velen een niet rninder gevaarlijk 'alleen' tegenkomen:

'Zoals er vóór en in de Tweede Wereldoorlog een deel van de zogenaamde christenheid het Oude Testament opzij schoof en alleen het Nieuwe Testament aanvaardde, zo heeft zich in en vooral na deze oorlog een ingrijpende verandering voorgedaan, in die zin dat juist het Oude Testament een grote waarde ging krijgen. Door het gruwelijk lot dat de Joden hadden ondergaan begon men zich binnen de Kerk af te vragen of men niet volkomen verkeerd gehandeld had door het Jodendom als een afgehandelde zaak te beschouwen. Romeinen 9-11 ging opnieuw een rol spelen. Israël bleek niet een overleefde werkelijkheid te zijn. Integendeel, de Levende God ging met zijn volk een nieuwe geschiedenis in. De totstandkoming van de staat Israël deed de vraag stellen welke toch de bedoeling was van deze terugkeer naar het oude land. Er werd weer geluisterd naar hetgeen het Jodendom had bewaard, beleden, bezongen. Er werden gesprekken gevoerd tussen Joden en Christenen en men greep allebei terug op het aloude Woord van God, vervat in Tenach. Soms betekende de aanraking met de joodse uitleg van het Oude Testament een verrijking, soms konden we er niet in meegaan. Maar altijd bleef er een diepe verbondenheid bestaan met hen aan wie de Woorden van God het eerste waren toevertrouwd. En in elk gesprek kwamen we op de kernvraag uit: 'Wat dunkt u van de Christus?' We konden heel ver met de Israëlische uitleggers meegaan, totdat we stuitten op de persoon van Jezus van Nazareth. Het is ons echter ook gebleken dat er binnen de christelijke Kerk zijn die hier geen moeite mee hebben. Zij zien Jezus als één van vele belangrijke Joden van wie men kan leren. Meer niet. Hij is een rabbi die spreekt over God, die getuigt van Hem, die tot het uiterste doorgaat met zijn overtuiging. Als een martelaar tenslotte. Maar Hij heeft een beweging losgemaakt. En daarin moeten wij Hem volgen. Hij als een messiaanse figuur, wij ook als messiaanse mensen. Zo verwerkelijken wij het Rijk.
Tot mijn grote verbijstering vernamen wij een paar jaren geleden dat de bekende Duitse oudtestamenticus Georg Fohrer overgegaan is tot het joodse geloof. En er schijnen er meer geweest te zijn die deze stap hebben gezet. Gezien de machtige inhoud van het Oude Testament behoeven wij ons er niet over te verwonderen dat zulks gebeurt. Men heeft aan het Oude Testament genoeg.
Een enigszins mildere vorm treffen we aan in de opvatting van sommigen die ervan uitgaan dat de Joden alleen Tenach nodig hebben en er komen door het opvolgen van de geboden. Niet-Joden echter, zoals wij, kunnen er alleen komen door Jezus. In feite is daarmee het Oude Testament allesbeslissend geworden. Als men ook behouden kan worden zonder de verlossing van God uit dan blijft er niets over van de geweldige prediking op de eerste Pinksterdag waarin het gaat over de éne Naam waardoor wij behouden moeten worden. Terecht heeft de christelijke Kerk altijd vastgehouden aan het volstrekt beslissende werk van Jezus Christus. In het Oude Testament hebben wij de omtrekken van de Verlosser voor ogen getekend. Op de vraag wie er in deze tekening past sluiten we ons bij Filippus aan die, uitgaande van het Schriftwoord uit Jesaja 53, de éne Naam verkondigde. Wij kunnen niet zonder het Oude Testament, we kunnen evenmin zonder het Nieuwe.'

Willem III en Mary Stuart
In het Centraal Weekblad van 3 juni trof ik een bijdrage aan van de hand van de historicus dr. G. Puchinger, naar aanleiding van de herdenking van het feit dat stadhouder Willem III in 1689 koning van Engeland werd in de z.g. 'Glorious Revolution' waarbij niet één druppelbloed gevloeid was. Puchinger wijst erop dat dit koningschap aan Willem en Mary werd aangeboden door diegenen in Engeland, die zich verzetten tegen de Franse macht in Europa. Willem III kon, aldus Puchinger, de regering van het machtige Engeland aan. Een wonder op zich!

'Wat hij eens reeds vanuit het landelijke Den Haag was geweest als hoofd van de politieke en militaire coalitie tegen Lodewijk XIV, werd hij nu, met nog meer gezag dan voorheen, vanuit het machtige Londen: de erkende tegenvoeter van de sterkste vorst van het Europese vasteland, aan wie hij iedere verdere stap voorwaarts in Europa betwistte.
Nimmer is het Oranjehuis tot zulk een internationale autoriteit gestegen als in die dagen. Zelfs Londen was hem onvoldoende om zijn levenswerk te verrichten: hij volbracht zijn levenstaak tevens op de slagvelden van Europa, zich metend met de militaire kennis en inzichten van Franse maarschalken van wereldnaam als Condé en Turenne, gediend door Marleborough.
Zo had Willem III, om met Churchill te spreken, 'Engeland genomen, op weg naar Frankrijk', gedurende een levensloop, die slechts naar Europese maatstaf te meten valt. Want in Den Haag en op Het Loo mogen zijn gevoelens zich het best hebben thuisgevoeld, ook daar was hij voortaan omringd door internationale militairen en staatslieden, die met hem poogden Europa vrij te doen blijven van de tirannie, die ook in die dagen rondging om te verslinden elk land dat zich tot verdediging niet gereed maakte.
Deze meest mondiale Oranje – het valt niet te ontkennen – is de enige geweest die er rond voor uitkwam dat hij de calvinistische geloofsopvattingen volop deelde. Zijn stugge maar betrouwbare persoonlijkheid, die zich geheel aan zijn levenstaak gaf en daaraan al zijn krachten wijdde, blijft het nageslacht wijzen op de velerlei wijzen waarop hij zijn land gediend en voor nationale ondergang behoed heeft.'

Niet alleen dienen zijn bijzondere kwaliteiten als regent vermeld te worden, maar vooral ook zijn calvinistische levensovertuiging. Calvinisme betekent voor een aantal mensen zo ongeveer hetzelfde als starre onverdraagzaamheid. Maar gelet op Willem III moet men zeggen: een vertekend beeld!

'Het opmerkelijke van de Stadhouder-Koning is dat hij gekenmerkt werd door een streng en stug getint calvinisme naast een grote verdraagzaamheid jegens anderer religie en kerk: daartoe werkte hij samen met de paus van Rome en werd hoofd van de Anglicaanse Kerk, hoewel hij haar liturgische gebruiken zeker niet deelde.
De geschiedenis van diverse kerken en die van het calvinisme in het algemeen zou een andere zijn geweest wanneer Willem III in 1672 en 1688 niet bewust zou zijn opgetreden voor religie en verdraagzaamheid beide! Ook daarom is hij een unieke Oranje, wiens werk zowel de vrije staten als de vrije kerken gediend heeft en dus ons aller vrijheden!
Door geen sceptische of ironische geschiedschrijving kan de bijdrage van Willem III aan onze en Europa's geschiedenis ontluisterd of ook maar verduisterd worden. Hij, die met zijn nuchtere persoonlijkheid toch allen bezield heeft die met hem samenwerkten, toont ons dat een diepe gerereformeerde overtuiging kan samengaan met een nationale taak, ook wanneer deze uitgroeit binnen internationaal verband. En dat alles werd bij hem mede bepaald door ruime verdraagzaamheid, omdat hij inzag dat verdraagzaamheid óók tot de christelijke overtuiging behoort.
Ook de historicus (en wij zijn allen even historicus, als wij over het verleden nadenken en er ons op bezinnen!) die de levensgang van de Stadhouder-Koning beziet, zal bevrijd worden van de scepsis die dezer dagen zo vaak én de religie én onze sympathie voor de geschiedenis van het Oranje aantast.
Ook al nam de grote historicus Jan Romein deze Oranjevorst niet op in zijn galerij van de Erflaters der beschaving, de Stadhouder-Koning vormt voor Nederland en met name voor zijn geestverwanten, de gereformeerden, een treffend voorbeeld dat een diep overtuigd gereformeerd-zijn kan samengaan met een ingeboren verdraagzaamheid, een liefde voor de Natie en een brede kijk op het internationale wereldgebeuren.
En dat inzicht, die ontmoeting via de geschiedenis, maakt het waard om Stadhouder-Koning Willem III met dankbaarheid te herdenken.'

Graag breng ik dit artikel onder uw aandacht. We leven in een tijd waarin enerzijds een oeverloze verdraagzaamheid wordt aangeprezen, tot schade van wat waarachtig menselijk en rechtvaardig is, die alleen maar kan leiden tot moreel en geestelijk verval. Anderzijds – uit angst of onzekerheid – zien we binnen de kringen van hen, die een calvinistische levensovertuiging voorstaan, doperse tendenzen opkomen die wel zeer ver verwijderd zijn van de idealen van Willem III. Inderdaad: hoe belangrijk – en soms denk je wel eens: hoe zeldzaam – is die combinatie van een diepe gereformeerde overtuiging met een brede kijk op wereld en samenleving.

Kerkelijk leven in Hongarije
In hetzelfde blad als waarin Puchingers bijdrage verscheen schreef K. W. de Jong over de verhouding kerk-staat in Hongarije. Door de eeuwen heen zijn er contacten geweest met Nederland. Verschillende Hongaarse predikanten studeerden in ons land.
Hoe zit het nu met de kerk in dit Oostblok-land? Op publikaties uit Hongarije zelf afgaand zou men kunnen concluderen dat de verhouding tot de staat goed is. Maar is dit beeld conform de werkelijkheid?

'Zou men bij een aantal willekeurige predikanten of priesters hiernaar informeren, dan zou het beeld heel wat negatiever uitvallen. Nogal eens krijgt men te horen, dat de bisschoppen niet voldoende opkomen voor hun eigen predikanten. Ze lopen aan de leiband van de staat. Die band mag dan misschien wel twee keer zo lang zijn als in bijvoorbeeld Tsjechoslowakije, hij bestaat intussen dan toch maar. Alle Hongaarse bisschoppen worden slechts met instemming van de staat benoemd of gekozen – ook de Gereformeerde kerk in Hongarije kent per traditie het ambt van bisschop. Terecht wordt dit als punt van kritiek naar voren gebracht.
Gemakshalve vergeet men dan vaak wel, dat de situatie voor de R.K. Kerk onder de Habsburgers (tot 1918) niet wezenlijk anders is geweest. Ook op vele andere benoemingen heeft de staat invloed, hoewel formeel kerk en staat gescheiden zijn. Opmerkelijk is het dan wel, dat de belangrijkste kerkleiders zitting hebben in het parlement. Hun mogelijkheden om eventueel kritisch op te treden zijn echter nihil.
Men kan zich niet aan de indruk onttrekken, dat de bisschoppen om hun eigen positie naar de staat toe te beschermen nogal eens geneigd zijn de rust in eigen huis hardhandig te bewaren. Hetzelfde kan gesteld worden met betrekking tot het middenkader. Dit alles bevordert de zelfwerkzaamheid van gelovigen en voorgangers bepaald niet. Altijd bestaat de angst voor strafmaatregelen bij nieuwe activiteiten. Beperkt men zich echter tot het traditionele kerkelijk leven, dan is er niets aan de hand.
Enkele recente uitspraken van bisschoppen en synodes – over de situatie van de Hongaren in Roemenië – duiden erop, dat er iets meer ruimte is voor 'vrij' profetisch-kerkelijk spreken. Hetzelfde geldt voor bepaalde diakonale werkzaamheden en de verkiezing en benoeming van bijvoorbeeld de bisschoppen. Toch kan men zich bij al deze zaken niet aan de indruk onttrekken, dat de kerk steeds binnen de nauwkeurig door de staat uitgezette grenzen dient te blijven.'

Onlangs kreeg ik een publikatie in handen van de bekende theoloog Vilmos Vajta. Deze Lutheraan geeft in dit boek een analyse van de z.g. 'diakonische theologie' in Hongarije, door velen binnen de Lutherse kerk, m.n. de leiders, aangehangen. Vajta laat daarin zien dat de wijze waarop het motief van de diakonia wordt uitgewerkt door theologische voormannen van dien aard is, dat de kerk zich toch wel sterk de handen laat binden door de overheid of liever gezegd: zelfkritische stemmen het zwijgen oplegt. Het probleem zit niet primair bij de staat, maar bij de kerkleiding. Echter, het gewone kerkelijke leven voltrekt zich binnen de gemeenten. En dan mogen we zeggen: ondanks alle belemmeringen en problemen is er ook in dit land een gemeente die Christus belijdt, de eredienst onderhoudt en Zijn lof verkondigt.

A. N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1988

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1988

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's