Belijdenis van zonden
Terugkeer
De terugkeer tot God gebeurt vóór alles in de weg van het belijden van onze zonden. Deze is de eerste stap in de richting naar God. Wat is belijden? Het is zoveel als voor iets uitkomen. Het is precies het tegendeel van wat men bedekken en loochenen heet. Men belijdt met name met de lippen. Evenals het geloof met het hart, zo is de belijdenis met de mond verbonden. Zijn zonden te belijden wil op die manier zeggen, dat iemand van harte met de mond de bekentenis aflegt van de door hem bedreven zonden. In de Heilige Schrift wordt aan de belijdenis van zonden grote betekenis gehecht. Wij doen goed in het pastoraat daarvan nota te nemen. Er staat geschreven: Die zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn, maar die ze bekent en laat zal barmhartigheid verkrijgen. Bij Jeremia zegt God tot Israël: Alleen ken, dat is erken, uw ongerechtigheden. Eerst wanneer wij onze zonden belijden, ontvangen wij vergiffenis, overeenkomstig het Bijbelwoord: Indien wij onze zonden belijden. Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid. Niet in loochening van zonden, maar in berouwvol belijden er van ligt heil. Waar dat geschiedt, toont God Zich getrouw aan Zijn genadebeloften en rechtvaardig, Zich houdend aan Zijn verlossende gerechtigheid in Christus: Hij vergeeft ons de zonden en breekt hun macht over ons. Belijdenis van zonden werd in het oudste christendom geëist van elk, die de doop zocht. Willen wij dan dat God onze zonden bedekken zal, zo moeten wij er op toezien, dat wij dit zelf niet doen, want dan doet God het niet.
Persoonlijk
Intussen is het wel dienstig aan de mensen te zeggen, dat de belijdenis van zonden aan de Heere Zelf moet worden afgelegd. Geen belijdenis van tegen Hem bedreven zonde gedaan aan schepselen, of aan de vier winden van de hemel, wordt door God aanvaard. Iemands geweten kan zo luid spreken, dat hij niet langer zwijgen kan, maar zich gedrongen ziet zijn zonde aan ieder te verkondigen. Wanneer wij dit ontmoeten, moeten wij waakzaam zijn. Het gaat dan niet diep. Aan God belijden zulke mensen hun zonden niet. De levensbeelden van Farao en van Judas staan voor deze zaak waarschuwend in de Schrift. Op hun belijdenis volgt dan ook geen vergiffenis. Hun belijdenis is afgelegd met de rug naar God. Vergiffenis evenwel volgt alleen op de belijdenis, die men met naar God heengewend gezicht doet.
Geen sleur
Nu doet zich echter de vraag voor: wat moeten wij aan God belijden? Natuurlijk luidt het antwoord: onze zonden. Maar daar dienen wij wel in te onderscheiden. Dat zegt geheel iets anders, dan dat men zich zou mogen tevreden stellen met de vage erkentenis: wij zijn allemaal zondaren. Degenen, die op die manier belijden, laten het woord zondaren wel gemakkelijk van hun lippen glippen, diep intussen steekt het niet. Zij herroepen trouwens onmiddellijk in bijzonderheden wat zij in het algemeen toestemmen. Zodra men hen bij hun zonden bepaalt, pogen zij zich van deze te rechtvaardigen. Het ligt hier voor allen aantoonbaar, een sleurbelijdenis, waaruit het leven geweken is. Een belijdenis, die helemaal geen inspanning kost, maar in pure gewoonte opgaat. Een belijdenis, die zelfs van verre niet meer herinnert aan het worstelen van Jakob in de eenzame nacht, maar die ontzield is tot het prevelen van klanken. Een belijdenis, waarin men zich beroemt de waarheid te hebben, maar waaruit niet te proeven is, dat de waarheid ons gegrepen heeft.
Concreet
Het is noodzakelijk, dat wij God onze zonden met name belijden. Heel concreet en persoonlijk. Nu moet men zich er evenwel weer voor hoeden, dat men eerst dan een genoegzame belijdenis van zonde heeft afgelegd, wanneer er een volledige opsomming in gevonden wordt van alle bedreven kwaad, ja ook van alle zonden van nalatigheid en ongerechtigheid in het goede. Zulk een eis stelt de Schrift nergens. Belijdenis is geen biecht. Het zou trouwens de meest verlichte mens onmogelijk zijn al zijn zonden te kennen. Wij zondigen veel vaker toch dan wij wel bewust weten. Wie zou de afdwalingen verstaan? Zo verzucht de psalmdichter. Van veel wat wij deden of nalieten zullen wij eerst in de dag van het gericht weten of het goed dan wel kwaad was. Er komt bij, dat er soms geen tijd is om al zijn zonden te overdenken. Het voorbeeld van de moordenaar aan het kruis mag hier dienstig zijn. Hem werd geen tijd meer gelaten. In tijden van groot gevaar en bijzonder ernstige ziekte kan hetzelfde gebeuren. Het is voor de Heere voldoende hier te denken aan onze voornaamste zonden en de andere in het algemeen te belijden.
Zondige aard
Nu gaat het er evenwel om, dat wij bij de zondige daden niet moeten blijven stilstaan, maar het voorbeeld van David zullen volgen, die aan God beleed, dat hij zondig was vóór hij zondigde. Hij was in ongerechtigheid geboren en in zonde ontvangen. Dat Davids bittere droefheid over zijn diepe val heel diep is, blijkt ook hieruit, dat hij dit kwaad niet los op zichzelf beschouwt, maar het als één der uitingen van zijn zondige bedorven hart ziet. Van vóór zijn geboorte af, was hij al met zonde besmet. Nooit is hij zuiver in Gods oog geweest. Hij belijdt dit aangeboren bederf voor die God, die juist naar waarheid, zuivere oprechtheid in het binnenste vraagt. Het is zijn wens, dat de Heere hem in zijn binnenste wijsheid leert, om voortaan in de waarheid en oprechtheid te wandelen. Het gaat er dus om, dat wij onze aard bezien en erkennen, dat wij van dezelfde geest zijn als ons aller vader Adam. Wij zullen toch tot de belijdenis moeten komen, evenals deze, dat wij God ons vertrouwen hebben onthouden. Een oppervlakkige belijdenis van zonden blijft alleen bij de daad staan. Een zuivere schuldbelijdenis dringt door tot de staat van het hart en erkent dat deze geheel verkeerd was. Welnu, zulk een zuivere belijdenis neemt altijd de diepe achtergrond mee en herhaalt telkens weer voor de Heere het diep bederf ook wanneer wij vallen in bepaalde zonden. Ons leven lang is er oorzaak te treuren over wat er zo allemaal uit dat boze hart voortkomt. Het is de bijgebleven verdorvenheid.
Hoop
Nu moet evenwel wél worden opgemerkt: van belijdenis der zonde is geen sprake, zo er niet enige hoop op genade is. Wanhoop klemt de lippen opéén. Dan roepen wij eerder de bergen en de heuvels toe, dat die op ons zouden vallen, dan dat wij ons naakt voor God zouden neerwerpen. Ziet u eens naar de verloren zoon. Had hij geen hoop gehad op de goede gezindheid van zijn vader, dan zou hij niet tot zichzelf hebben gezegd: ik zal opstaan en tot mijn vader zeggen: vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u. Houd dan de lippen van de mensen, die van hun zonden overtuigd zijn niet gesloten. Spreek veel van het Evangelie tot hen en moedig hen aan om hun zonden te belijden en geef hen hoop op de genade van God. Pas op voor wanhoop aan uzelf. Ons is bevolen ons vertrouwen te stellen op God en niet op onszelf. Het is nog altijd waar: zo dikwijls wij de belofte van het Evangelie met waar geloof aannemen, zijn waarachtig al onze zonden van God, om der verdiensten van Christus' wil, vergeven. De aanbieding der genade is algemeen en onbekrompen, zij komt tot de bekommerdenen, de vreesachtigen, tot de wanhopigen en twijfelenden, zelfs tot de hardnekkigen en goddelozen, zij moeten het allen vernemen, dat er in het bloed van Jezus Christus een fontein tegen alle ongerechtigheid geopend is. Het moet hun allen voorgehouden worden en op het hart gebonden, dat, al waren hun zonden als scharlaken, zij door dat dierbaar bloed kunnen worden als witte wol. Van de andere kant moet echter verkondigd worden, dat deze zegen gebonden is aan het geloof, en dat niemand er deel aan heeft, die de beloften van het Evangelie in ongeloof verwerpt. De catechismus zegt het in de één en dertigste zondag zo treffend: zo dikwijls als zij de beloften van het Evangelie met waar geloof aannemen, zijn hun zonden om Christus' wil waarachtig vergeven.
A. v. Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1988
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1988
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's