De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

13 minuten leestijd

De kerk buitenste binnen?

In Woord en Dienst van 25 juni gaat dr. J. Niessen, maatschappelijk activeringswerker in Noord-Holland, in op de gevolgen van de bezuinigingsmaatregelen en de daaruit voortvloeiende beleidsbeslissingen. Niessen staat kritisch tegenover de tendens vorming en toerusting van de plaatselijke gemeente als prioriteit en uitgangspunt te nemen en niet meer uit te gaan van de kerk in de samenleving.

'Tegenwoordig wordt de vorming en toerusting van gemeenteleden steeds meer als de prioriteit gezien en wordt de plaatselijke gemeente als zodanig en niet de kerk in de samenleving als uitgangspunt genomen.
Duidelijk is dit terug te vinden in een drietal nota's die in de debatten over bezuinigingen een belangrijke rol spelen. De eerste is die van de scribae van de Provinciale Kerkvergaderingen. Daarin wordt met veel woorden betoogd dat het in de kerk om de plaatselijke gemeenten gaat en wordt het bestaan van de provinciale bureaus als het ware gerechtvaardigd door deze te zien als de servicebureaus bij uitstek voor die gemeenten. Vorming en toerusting scoren daarbij hoog. Erkend wordt wel dat de gemeente ook een maatschappelijke taak heeft, maar daaraan worden nauwelijks meer woorden gewijd dan dat ook op dit terrein de gemeente moet worden toegerust.
Omdat niet duidelijk wordt gemaakt wat de plaatselijke gemeente is in sociologische zin mag worden aangenomen dat hier aan de institutionele gemeente wordt gedacht (zeg maar de ambtelijke vergadering en de groep trouwe kerkbezoekers). Alle activiteiten die door plaatselijke groepen en bovenplaatselijke organen worden ontplooid en die bij de plaatselijke gemeente niet bekend zijn of erkend worden, zijn daarmee in feite tot niet-kerkelijk verklaard. Het predikaat kerkelijk kan worden terugverdiend door zich uitsluitend te gaan richten op de toerusting van 'de gemeente'. Wee de kerk die haar bijdrage aan de oplossing van maatschappelijke vraagstukken slechts laat bestaan uit het hierover organiseren van cursussen voor gemeenteleden.
De sympathieke maar van een doorwrochte analyse verstoken nota 'Kerk-zijn in een tijd van Godsverduistering', lijdt aan een zelfde binnenkerkelijke gerichtheid. Als oplossing voor de vele gesignaleerde problemen wordt als enige concrete maatregel bijbelstudie aanbevolen en worden de cursussen 'Theologische vorming voor gemeenteleden' een van de verblijdende tekenen van dit moment genoemd. De niet geringe bijdrage vanuit de kerken aan de opbouw van een rechtvaardige en vreedzame samenleving blijft hier onvermeld, evenals het feit dat in de deelname aan maatschappelijke activiteiten aan praktische bijbeluitleg wordt gedaan.
Ten slotte de derde en meest recente nota 'Een visie op kerk-zijn'. Daarin valt letterlijk te lezen dat al het bovengemeentelijk kerkewerk gericht dient te zijn op het welzijn van de plaatselijke gemeente (met een wel erg makkelijk beroep op Efeziërs 4 : 12-16) en ook hier weer wordt de geestelijke vorming als eerste prioriteit genoemd. Het is een terugkerend thema in de nota en het bestaande werk dat daar niet direct op is gericht, wordt dan ook moeizaam in dit denkpatroon ingepast.'

De schrijver meent dat de huidige tendens ertoe leidt dat activiteiten, direct gericht op de samenleving naar de rand worden geschoven. Taken die niet ten behoeve maar vanwege de kerk worden verricht zijn dan gedoemd te verdwijnen. De schrijver denkt b.v. aan ziekenhuispastoraat en m.a.-werk.

'Dit werk omvormen tot toerustingswerk ten behoeve van gemeenteleden is nu net de kern eruit halen, met als gevolg dat de kerk het zicht op de samenleving kwijtraakt en aan maatschappelijke betekenis inboet.
Ik wil dat nader toelichten door het ziekenhuispastoraat te vergelijken met het maatschappelijk activeringswerk (dat kortheidshalve staat voor samenlevingsopbouw vanwege de kerken). Niet iedereen zal zich direct iets bij deze vergelijking kunnen voorstellen anders dan dat de verschillen groot zijn. Toch zijn er veel principiële overeenkomsten waarvan ik er vijf noem.
In de eerste plaats is er een overeenkomst in mensen waarmee en waarvoor wordt gewerkt. In beide gevallen gaat het om hen die op een of andere wijze in de problemen zijn geraakt of die zich in een situatie bevinden waarin zij verandering willen brengen. Om hen gaat het in het werk en daarom worden zij ondersteund. Dat er verschillende methoden worden gehanteerd, hangt samen met de situatie waarin zij verkeren. Bij het pastoraat gaat het om individuele mensen en micro-sociale verbanden, bij het maatschappehjk activeringswerk om groepen mensen en macro-sociale verbanden.
In de tweede plaats wordt het werk gevoed door bijbelse waarden. Dat komt tot uitdrukking in de keuze voor mensen in hun strijd tegen lijden en onrecht. Dat betekent dat in principe iedereen voor ondersteuning in aanmerking komt en dat niet alleen met kerkleden of gelijkgezinden wordt gewerkt (een soort hervormde ANWB: je inoet er lid van zijn om geholpen te worden).
In de derde plaats zijn pastores en activeerders verbonden aan landelijke, provinciale of classicale organen of aan plaatselijke gemeenten. Deze verbondenheid drukt het belang uit dat de kerk aan dit werk hecht. Het is hervormd dat zij dit werk doen en het past in de hervormde visie op kerk-zijn. Uit het feit dat ziekenhuizen en overheden financieel (nog steeds) bijdragen, blijkt dat het werk maatschappelijk relevant wordt geacht.'

Voorts noemt de schrijver nog het element van de vakbekwaamheid en het feit van de terugkoppeling naar de kerk.
Stellig roert de schrijver een belangrijk vraagstuk aan, samenhangend met de relatie kerk-samenleving. Het zou inderdaad niet goed zijn als allerlei diakonale functies en vormen van bijzonder pastoraat uitgehold zouden worden. De argumenten door Niessen genoemd zijn niet zonder waarde. Niettemin acht ik het onjuist om te stellen dat de tendens bestaat om de kerk buitenste binnen te keren, d.w.z. om zo eenzijdig op het eigene gericht te zijn dat de aandacht voor 'buiten' verdwijnt. Ik wijs op drie dingen:
a) De vormen van werk door Niessen bepleit zullen dan alleen vruchtbaar kunnen zijn voor de verhouding kerk-samenleving als zij gedragen worden door de gemeente zelf. Veel samenlevingsarbeid is toch los komen te staan van de gewone gemeente met alle gevolgen van dien.
b) Vormings- en toerustingswerk in de bijbelse zin zijn juist gericht op de toerusting van de gemeente voor haar missionaire en diakonale taak in de samenleving. Maakt Niessing geen oneigenlijke tegenstelling met zijn denken in termen van buiten en 'binnen'?
c) In het geding is de vraag naar het eigene van de kerk en naar het eerste wat de kerk te doen heeft. Ik ontkom bij Niessen toch niet aan de gedachte dat de kerk vooral dan pas kerk is als ze maatschappelijk relevant is. Hebben we op dat punt in het verleden geen leergeld gegeven? De kerk is niet primair actiegroep in de wereld maar lichaam van Christus in de wereld. Dat betekent dat de prioriteiten niet daar liggen waar Niessen ze legt. Primair zal het toch moeten gaan om verkondiging, pastoraat en toerusting tot dienstbetoon. Zo juist zal de gemeente pas werkelijk zout en licht kunnen zijn in de samenleving.

Gebroken eenheid
In dit verband vraag ik uw aandacht voor een passage uit een interview van de redactie van Kerknieuws met de synode-praeses, ds. B. Wallet (nummer van 24-6-1988). Het gaat over de nota 'Kerk-zijn in een tijd van Godsverduistering':

'De nota spreekt ook van vervreemding tussen "kerk" en "wereld", tussen evangelie en samenleving. Heeft de kerk nog een "boodschap voor de wereld" en hoe communiceert zij die. Ds. Wallet: "De kerk is deel van de wereld en mag zich nimmer distantiëren van de problemen van de samenleving, van de conflictlijnen, van het kruis. Als er een oordeel over deze cultuur gaat, dan staan wij daar zelf ook middenin.
Wat de communicatie van de boodschap betreft zoek ik het vooral in de gemeenteopbouw: het werken aan de kerk als een plaats van liefde en warmte, die uitstraling heeft. En is een beweging van God uit naar de herschepping toe en in die beweging staat de kerk met heel haar zijn. Maar er is bij ons zo ontzettend veel gebroken aan eenheid tussen gebed en actie, tussen eredienst en maatschappij, tussen het ontvankelijk horen binnen en het onbekommerd spreken van het geheim naar buiten, tussen woord en daad. De koppeling tussen wat het Evangelie ons aanreikt en de integratie daarvan in ons leven, zodat het ook bestanddeel wordt van ons eigen leven, is gebroken. Daarbij leven we in een cultuur die wordt gekenmerkt door het verlies aan transcendentie, referentie en relevantie. Dat leverd een platte, ééndimensionale levensbeschouwing op, die niet of nauwelijks vraagt naar het hogere of naar de zingeving. In zo'n situatie het Evangelie communiceren is geen eenvoudige opgave."
Valt er wat dit betreft volgens u iets te leren van de evangelische beweging, die nog wel in staat is nieuwe mensen te trekken?
Ds. Wallet: "Ik schrijf de groei van de evangelische beweging vooral toe aan de warmte en geborgenheid en de verkondiging dicht bij het hart, die mensen daar vinden. Mijn indruk is wel dat het grotendeels 'kerkelijke kustvaart is; men groeit niet zozeer door mensen van 'buiten', maar door mensen uit de kerken."
Ds. Wallet constateert tot zijn eigen "verbazing, verrassing, verwondering en dankbaarheid" dat hij het meemaakt dat mensen in zijn kerk komen, die er nooit eerder waren geweest en die ook tot geloof komen. Hij ziet, ondanks alle neergang, nog zoveel positiefs in de kerk. "Die verdwijnt niet zomaar. Je ziet zoveel nieuwe kernen van leven. Zoveel waaien van de Geest, in verschillende taalvelden. Ik ben daar niet pessimistisch over".'

Het gezin in onze tijd
In Credo van april gaat ds. H. A. Speelman in op de vragen van de geloofsbeleving in onze gezinnen. Hij spreekt over onze tijd als een gehaaste tijd.

'De vraag die ons bezighoudt, is hoe het gesteld is met de godsdienstige beleving en vorming in onze gezinnen tegenwoordig, ervan uitgaande dat de meeste mensen het geloof vinden langs de weg van het gezin. Wordt onze tijd niet overwoekerd door het vele dat op ons afkomt? Is de (gezamenlijke) omgang met God nog steeds de spil van onze samenleving, de aorta van ons gezinsleven? Komen we er nog toe om met elkaar naar Gods Woord te horen, onze gebeden te doen en de lofzang te zingen?
Bij velen leeft nog wel de behoefte naar zo'n vast moment van inkeer, maar 's morgens lukt het niet, omdat de één vroeger weg moet dan de ander, 's middags is lang niet iedereen thuis want de kinderen blijven over op school en 's avonds wil de jongste al vroeg naar zijn of haar favoriete televisieprogramma kijken, terwijl pa meent nog even z'n vergadering voor die avond te moeten voorbereiden.
De godsdienstige beleving wordt verschoven naar het weekend. Maar in het weekend blijkt ieder lid van het gezin het zo mogelijk nog drukker te hebben dan door de week. In ieder geval te druk om werkelijk aandacht voor God en elkaar te hebben.
Is het niet veeleer een kwestie van prioriteit, dan van tijd? Staan we als ouders op dit punt niet voor de keuze wie we dienen willen: Christus of Chronos, de godheid die 'tijd' heet. Willen we plaats ruimen voor de gezamenlijke omgang met God in onze drukke dagagenda, bijvoorbeeld door middel van het urengebed, zoals vorige geslachten? Hebben ouders niet de verantwoordelijkheid ten opzichte van hun kinderen hen hierin voor te gaan. Als we zelf geen tijd nemen om de handen te vouwen, van wie zullen onze kinderen dan de omgang met Christus leren? Het begint in het gezin, zo zei men vroeger. En daarmee wordt in de eerste plaats bedoeld hoe vader en moeder afzonderlijk en het hele huisgezin gezamenlijk omgaan met God. Deze vragen rond de omgang met God in het gezin moeten man en vrouw elkaar niet pas in het huwelijk stellen, maar reeds daarvoor. Hoe ontvangen een jongen en een meisje elkaar? Hoe gaan ze in hun verkeringstijd in geestelijke zaken met elkaar om? Dat is vaak bepalend voor de invulling in hun verdere leven samen. En als we getrouwd zijn hoe bereiden twee jonge mensen zich dan voor op het eventueel krijgen van kinderen? Ook dat is toonzettend voor de latere omgang als gezin met de Heere God.'

Het christendom is een zondagsreligie geworden, omdat we vaak geen gelegenheid meer scheppen om in de week rondom Woord en gebed een moment samen te zijn. Wie biedt hier hulp? Hoe kunnen we opnieuw vormen vinden waarin aandacht voor elkaar en zo voor de geestelijke ondersteuning weer een plaats hebben?

'Eerder beaccentueerden we het belang van het gesprek over de eigen geloofsbeleving. In dat verband noemden we spreken goud. Aan de andere kant is er in onze lawaaierige, materialistische samenleving ook een schreeuwende behoefte aan stilte. Wie snakt er niet af en toe naar een moment van rust, een plekje in huis waar het even stil is. We worden omgeven door hifi-installaties en 'walkmen'. Stilte-tijd is een uiterst schaars artikel geworden in onze westerse wereld. Zouden we niet toe zijn aan een Moderne Devotie, waarin de godsdienstiige beleving, ook in het gezin, niet een omlijsting van het dagelijks leven is, maar een vast levensritme?
Zouden we in onze tijd niet opnieuw gestalte kunnen geven aan het urengebed, dat vanaf het begin van het christendom gepraktizeerd werd naar het bekende Schriftwoord uit Psalm 119 (vers 164) "Zevenmaal daags loof ik U om Uw rechtvaardige verordeningen"?
Bijvoorbeeld door rond de drie dagelijkse maaltijden en/of aan het begin en eind van de dag als gezin een bepaalde (korte) huiselijke liturgie te gebruiken voor onze gemeenschappelijke omgang met God. Zo leer je van kindsbeen aan samen je geloof te beleven. Een dergelijk ritme herstelt het Eeuwige als het vaste en centrale punt in ons leven. Zo wordt het leven weer meer een gezamenlijk optrekken met Gods volk, een gemeenschappelijk leven, een "gemeen leven".
Het begint bij het gezin. Daar worden we vertrouwd gemaakt met god(s)dienst en vandaaruit waaiert het verder uit. Nogmaals gezegd: onze cultuur gunt ons rust noch duur. En onze westerse kerken zijn praatkerken geworden. Het rustige, meditatieve, stille moment als het hart van de menselijke samenleving wordt nog maar weinig beleefd op doordeweekse dagen, evenmin het gezamenlijke gebed, de lofzang en het luisteren met elkaar naar een overdenking van een Schriftwoord (hiervoor zijn vele dagboeken in omloop, soms ook met een uitgeschreven gebed, dat door één van de gezinsleden gelezen kan worden).
Wie helpt onze jeugd in het leren leven met het hart? Zijn het niet in de eerste plaats de ouders? En wie ondersteunen de ouders? Is dat niet een taak van ons allen, van heel de gemeente van Christus?
Iedereen heeft wel eens gehoord van de spreuk "ora et labora", bid en werk. Dit hebben we willen zeggen, dat we in een juiste verhouding door de dag heen, ons werken en ons omgaan met God hebben af te wisselen, zodat ze elkaar bevruchten.'

Het is geen ander thema dat in deze bijdrage wordt aangesneden. Immers als de geloofsbeleving in de gezinnen verschraalt dan heeft dit zijn weerslag op het gemeentelijk leven en de uitstraling op de samenleving. We zullen nuchterheid hebben te betrachten. Wij leven anno 1988 en dat betekent dat we niet meer terug kunnen naar de gezinspatronen van vorige eeuwen. Al was het ook toen bepaald niet alles goud wat er blonk. Maar wat onopgeefbaar is, ook bij veranderde gezinspatronen, is het woord van Jozua 24: 'Maar aangaande mij en mijns huis: wij zullen de Heere dienen'. Hoe we daar met elkaar vorm aan geven, moge binnen de gezinnen en de gemeenten een voortdurend punt van aandacht en gebed zijn. Opdat we met wijsheid mogen handelen. In Theologia Reformata van juni mediteert drs. Peels over Spreuken 24 : 3, 4. Een tekst die in dit opzicht veel te zeggen heeft: Door wijsheid wordt een huis gebouwd… Zowel ons levenshuis als het huisgezin en het huis van de gemeente!

A. N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1988

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1988

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's