Globaal bekeken
In de vakantietijd trekken de mensen massaal de grenzen van hun land over. In de Kampioen (A.N.W.B.) wordt teruggeblikt op een niet zo ver in het verleden liggende tijd:
Ons soort mensen…
'In 1920 telde Nederland bijna zeven miljoen Inwoners, waarvan er zo'n honderdtwintigduizend op stap gingen. Een dagje uit in de eigen woonomgeving werd gezien als een onvoorstelbare luxe. In de jaren vijftig sprak een bejaarde landgenoot de historische woorden: "Dat was niets voor ons soort mensen; wij hadden geen geld, geen tijd, maar ook geen behoefte". Wat niet wegnam dat in diezelfde periode de eerste reisbureaus en -verenigingen werden opgericht.
Een kleine, selecte groep.van welgestelden kon zich echter in 1920 al "ervaren reizigers" noemen. De elite trok door Europa waar men elkaar ontmoette in de luxueuze hotels aan de Franse Rivièra. In Cannes, Nice en Menton koesterde men zich in de wintermaanden aan het milde klimaat en het modaine uitgaansleven. Voor huwelijksreizen koos men als regel steden als Parijs, Wenen, Londen, Florence, Venetië en Rome.
Wie het zich kon permitteren, liet zich met een luxe passagiersboot naar Indië varen en comfortabel gezeten in een dekstoel de drankjes aanreiken. De Indische bediende altijd binnen handbereik. En zorgenvrij, want de avondkleding hing zonder kans op kreuken in de hutkoffer.
Bleekneusjes
De minder kapitaalkrachtigen genoten misschien wel evenveel van hun "uitjes". Zoals watertochtjes van Fop Smit, een begrip voor de Rotterdammers die een dagje naar Oostvoorne gingen. Tijdens de oorlog ging men bijna niet op vakantie. De beperkingen die door de bezetter waren opgelegd, maakten het erop uittrekken moeilijk. En niet echt aantrekkelijk. Na de oorlog werd de schade langzaam maar zeker ingehaald. Op bescheiden wijze gingen vooral jongeren met zwaar beladen fietsen op pad. Met spullen van de dump werden kampeervakanties gehouden. De bagagewagons van de Spoorwegen puilden uit van de fietsen. Voor arbeiderskinderen uit de grote stad werden vakantie-kinderfeesten georganiseerd. Zo'n dagje uit bracht de bleekneusjes onder leiding van de onderwijzer naar gebieden met bos of zee. Voor kinderen die thuis onvoldoende eten en te weinig zon en gezonde lucht kregen, waren er vakantiekolonies, op recept van de schoolarts. Een vakantie die mogelijk werd gemaakt door de overheid en particuliere liefdadigheid.
Dagtochtjes met de autobus kwamen in de vijftiger jaren ook in trek, evenals de picknicks. Bezitters van motorfietsen lieten zich halverwege een rit maar wat graag op de groene glooiingen neervlijen op omgekeerde regenjassen om hun lunch in het lommer te genieten. Van vakantievoorbereiding was ook toen al sprake, want zonder kaart kwam je niet ver en wie zich liet vervoeren verzekerde zich wel van reisgidsen.
De grens over
Ondanks steeds meer mogelijkheden bleef het dagje-uit lange tijd de meest voorkomende vorm van vakantie. Toen in 1954 de aanschaf van een paspoort eenvoudiger werd en de geldigheidsduur werd verlengd van 2 tot 5 jaar, begon men te denken aan een buitenlandse vakantie. In datzelfde jaar gingen 900.000 van de bijna vijf miljoen op vakantie gaande Nederlanders de grens over. Een gering percentage met eigen auto of motor, het overgrote deel reisde per trein of touringcar.
Er kwam steeds meer vrije tijd. De vrije zaterdag werd ingevoerd en het aantal vakantiedagen nam toe. Ook het vakantiepatroon wijzigde zich. Er kwam meer vraag naar exclusieve bestemmingen, betere hotels, meer comfort. En zo kwam in de zestiger jaren het massatoerisme op gang en raakte het viegtuig betrokken bij het toeristenvervoer (…).'
Jan Huygen uit Bunschoten-Spakenburg is boer, leraar economie en sstudent filosofie. In Aspekten (Kwartaalblad van 'Reformatorische Wijsbegeerte' wordt aan hem de vraag gesteld: 'Wat kun je als boer met filosofie doen? Hier volgt het antwoord:
'(Tegenover deze beleving) van de dieren wil ik stellen, dat een dier een schepsel van God is. Zeker als gelovige moet je hen ook zo blijven zien. Het zijn wezens die mooi kunnen zijn en die kunnen lijden en die relaties met elkaar kunnen hebben en ook met mensen. Ik denk dat daar voor de reformatorische wijsbegeerte een belangrijke opdracht ligt. Deze waarheid moet ook geëerbiedigd worden in de wereld waar techniek ontwikkeld wordt (…).
Ik kom uit een boerenmilieu. Mijn vader was boer en mijn grootvader ook. Het zat er dan ook in, dat ik het bedrijf van mijn vader over zou nemen. En ik ben inderdaad teruggekomen nadat ik op de Landbouw Hogeschool (nu: Universiteit) gestudeerd had. Ik ben nu voor een paar dagen per week boer Dat doe ik met veel plezier Het is een soort hartezaak voor mij Ik voel een diepe verbondenheid met koeien, met de natuur en met het dorp, waar ik opgegroeid ben. Inmiddels heb ik echter ook kolleges reformatorische wijsbegeerte gevolgd in Wageningen (…).
Bezig zijn met je hoofd èn met je handen brengt een zeker evenwicht. Ik denk aan de vroegere monniken, die enerzijds heel intensief bezig waren in hun studeervertrek, maar aan de andere kant overdag op het land in de modder liepen te spitten. Andersom is het ook heel heilzaam om als filosoof goed met de praktijk van het leven in aanraking te komen. Op die manier ben je zelf bezig met de ontwikkelingen in de landbouw, waar je als filosoof ook in geïnteresseerd bent. Je staat heel konkreet naast de mensen. En als boer heb je er voordeel van een beetje filosoof te zijn om het goede zicht op het leven te blijven houden. Je werkt als boer tegenwoordig met technische kennis, ekonomische kennis en met een zakelijke benadering van de werkelijkheid. Dat heeft ook zijn recht en zijn eigen plaats. Maar dié kennis en benadering moeten ingebed zijn in een veel bredere werkelijkheidsbeleving. Dat wordt binnen de refomatorische wijsbegeerte de naïeve ervaring of de voorwetenschappelijke ervaring genoemd. Dat besef moet levend gehouden worden.'
Een lezer stuurde bijgaand knipseltje uit een tijdschrift over Tafelgebeden:
'Wie de dichter is van de gebeden "O Vader die al 't leven voedt" en "O Heer wij danken u van harte"? Dat is Hendrik Ghysen (1660-1693), goud- en zilversmid te Amsterdam. Hij verzamelde uit verschillende psalmberijmingen en zijns inziens beste regels en gaf deze berijming uit onder de titel Den Honigraat der psalmdichten vergadert uit seventien Psalmboeken. In de berijming van 1773 werden daarvan psalm 4, 67, 75, 82, 100, 122, 123, 126, 130 en 150 overgenomen, alsook een paar Enige Gezangen, waaronder de beide gebeden, die door Ghysen zelf werden, geschreven.'
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1988
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1988
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's