Wees mij, zondaar, genadig!
Zonde-erkentenis
Vóórdat wij mensen erkennen, dat wij het ongelijk aan onze zijde hebben, stroomt er heel wat water naar de zee. Wij doen doorgaans heel wat pogingen om ons te verontschuldigen; zoeken overal gronden om ons er achter te verschuilen. Tot de erkentenis van straf verdiend te hebben, komt het bij ons niet, tenzij wij Gods recht erkennen om alles van ons te eisen wat Gods wet ons vraagt. Dan buigt zich onze ziel voor de hoge majesteit van God in stilte en wij geven de Heere soms na veel vluchtpogingen gelijk. Iemand, die zich oprecht voor de Heere neerbuigt, spreekt het eerlijk uit, dat hij ten volle straf verdiend heeft. Wij kunnen dat bij David zien. In de éénenvijftigste psalm horen wij Davids boete: Ik ken mijn overtredingen en mijn zonde is steeds vóór mij. Tegen U, U alleen heb ik gezondigd en gedaan, dat kwaad was in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken en rein zijt in Uw richten.
David
David zou het niet gewaagd hebben om op genade te pleiten, indien hij niet innerlijk verbrijzeld was. Maar hij is zich van zijn zonden klaar bewust, hij kent ze, ze zweven hem steeds voor ogen. Hij ziet ze stellig ook als zonde tegen de mensen, maar dit grote kwaad komt op de achtergrond, nu hij voor God staat. Tegen die hoge God te zondigen, is het allerergste en dit doet hem zeggen: Tegen U, U alleen heb ik gezondigd! Ik erken Uw recht om mij te veroordelen. Gij doet mij er geen onrecht mede aan, maar Gij zijt rein in Uw richten, al zoudt Gij mij van Uw aangezicht verwerpen. Krachtens zijn natuur ziet de mens in het wetgevend optreden van God eer een misbruik van macht, dan een gebruik van recht. Met de zich tot God bekerende mens is het gelukkig anders geworden. Hij erkent niet alleen dat God recht heeft hem geheel voor Zich op te eisen, maar ook dat God aan Zichzelf schuldig is dit recht te laten gelden. Een heer is volkomen vrij om zijn slaaf van de dienstplicht te ontslaan, maar nooit kan een vader zijn kind ontheffing verlenen van de plicht der verering of een man zijn vrouw van de plicht tot voortdurende trouw. Daarom kan God dan ook niets minder van ons eisen dan wat Hem als God toekomt! De echte boetvaardige gaat daarop in. Hij wil niet dat God ook maar één streep van Zijn recht op ons laat vallen. Zou God om Zijnentwil Zichzelf ongelijk aandoen? Inderdaad, de oprechte boeteling stemt van harte toe, dat God, ondanks ons onvermogen tot het goede. Zijn recht op ons moet handhaven. Het doet niet terzake of wij mensen dat recht volbrengen of niet. God kan niet ophouden van ons te willen, wat wij moeten doen. De schepselen mogen veranderen, de Heere evenwel blijft Dezelfde.
Bijbelheiligen
De mens die zich bekeert is zich bewust, dat hij zichzelf aan God schuldig is. Bovendien weet hij ook, dat hij onmachtig is, om zijn schuld af te betalen – ook wanneer hij de Heere zelfs volmaakt zou dienen. Nu blijdt er voor ons alleen maar over de belijdenis aan God, dat wij ondanks ons berouw strafwaardig zijn. Dat betekent dat wij erkennen, dat God het recht heeft, Zich op onze kosten te verheerlijken. Alle straf, die God ons opgelegd heeft of ons zou willen opleggen, bekennen wij te hebben verdiend. Wij vertolken met deze gedachten alleen de waarheid van de Schrift. Alle Bijbelheiligen zijn ons in deze bekentenis voorgegaan. Hierboven haalden wij David aan in zijn boetepsalm. Wij voegen er tevens de moordenaar aan het kruis bij. Hij spreekt toch tot zijn medekruiseling: Vreest gij ook God niet. daar gij in hetzelfde oordeel zijt? En wij toch rechtvaardig, want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben, maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. Wij denken tevens aan Nehemia in het negende hoofdstuk van zijn boek: Gij zijt rechtvaardig in alles dat ons overkomen is; want Gij hebt trouw gehandeld, maar wij hebben goddeloos gehandeld. Daarbij kunnen wij ook aanvoeren getuigenissen van Jeremia en Daniël. Het is werkelijk niet moeilijk te bewijzen dat deze vromen Gods recht om te straffen gewillig erkenden. Wel moeten wij erbij opmerken, dat hun gebed er bij opgaat, dat de Heere hen niet zal straffen in Zijn toorn. Ook vinden wij er soms de wens bij uitgedrukt, dat de Heere hen niet zal laten vallen in de handen van boze mensen. Maar overigens staan zij er naar om zich blindelings in Gods handen over te geven: de Heere doet wat goed is in Zijn ogen.
Farao
Op die manier geeft de vrome toe, dat het Gods recht is om hem te straffen met vrijwilligheid van hart en helemaal niet gedwongen. Het laatste doet daarentegen de Farao. Deze riep tijdens het oordeel van donder en hagel uit: de Heere is rechtvaardig. Intussen blijkt het: Farao's schuldbelijdenis gaat niet diep. De catastrofe zaait schrik in zijn hart, vandaar zijn woord, dat hij ditmaal gezondigd heeft. Dat houdt in, dat het ongelijk is aan de zijde van hem en zijn volk. Die schrik laat hem nu ook een toezegging doen, die ver uitgaat boven zijn aanvankelijk verlof om Israël te laten trekken om te offeren in de woestijn. Hij wil Israël nu wel kwijt. De doodsnood brengt hem tot verdere beloften dan rustig beraad zou doen, dat ook aan eigen wil vasthoudt. Er zit daarom nog in een verborgen afkeer van en haat tegen de deugd van de goddelijke rechtvaardigheid. Farao mist de vrijwillige belijdenis, geboren uit hoogachting voor en verenigd met de deugd der rechtvaardigheid. Goed, Farao erkende wel dat God rechtvaardig was. Maar het mokken overheerste. Zijn geweten dwong hem er toe. In de grond der zaak haatte hij de Heere vanwege deze deugd.
Geen overgeestelijkheid
De oprecht boetvaardige acht evenwel Gods rechtvaardigheid zo hoog, dat hij geen moed zou hebben om op kosten van deze deugd kwijtschelding van zijn schuld te begeren. Natuurlijk is het hard om te moeten sterven tot een teken van Gods toorn, maar de berouwhebbende legt de hand op de mond. Hij gevoelt iets van wat het zegt te hebben gezondigd. Nu dienen wij hier evenwel niet te denken aan passiviteit. Dit billijken van Gods recht in het straffen van de zonde moeten wij niet zo opvatten als behoorden wij in ons doemvonnis te berusten. Zo wordt het wel eens voorgesteld. Maar dan is er sprake van een onvoldoende verstaan van de heiligheid van Gods toorn. Evenzeer kan er sprake zijn van een zekere rhetoriek. In het kerkelijk spraakgebruik worden de dogmatische waarheden wel eens zozeer tot stoplappen gebruikt, dat wij helemaal niet meer ervaren wat wij eigenlijk zeggen. De geweldigste bijbelse zaken kunnen voor ons wel eens zo gewoon worden, dat wij er mee omgaan als met water en lucht! De diepte er in ebt dan weg. Het is daarom allerminst hetzelfde: iets billijk te vinden en iets berustend te aanvaarden. God wil niet, dat wij ons mens-zijn zullen verliezen. Het is Hem genoeg zo wij Hem de eer geven dat Hij Zijn goddelijk recht tegenover ons handhaaft en dat Hij zo doet naar de regel van het zuivere recht. Maar Hij eist van ons niet, dat het ons goed zou zijn, als Hij ons verdoemde, zo Hij er slechts door aan Zijn recht kwam. Wanneer men overgeestelijk was, zou dat misschien passen, op het terrein van de bekering zou het een tegenstrijdigheid zijn. Hier keert de mens tot God weer, omdat God hem tot Zich terugroept. Hoe zouden wij dan gelijktijdig lijdelijk afwachten of God hem zaligen of verdoemen wilde? Neen, zo één zegt met de verloren zoon: ik zal opstaan en tot de Vader gaan! Laten wij toch uiterst voorzichtig en kies zijn met die zwaargeladen theologische vanzelfsprekendheden. Zij hebben al zoveel fris geestelijk leven doen verdorren en natuurlijke ontplooiing van geestelijk leven bevroren.
Teken van genade
Ja maar, zegt iemand: wat is dan het teken, dat iemand het recht Gods, om hem te vergelden voor zijn zonde, werkelijk erkent? Dat teken is niet verre te zoeken. Het bestaat in de gewilligheid om uit genade gezaligd te worden. Gewilligheid moet er zijn. Van een gedwongen buigen onder de wil van God om ons uit genade te behouden, spreken wij niet. Evenmin bedoelen wij een roep om genade, waarbij men de kracht van het woord genade niet verstaat en in het wilde weg roept. Wie echt genade begeert, toont er mee, dat zijn hart gebroken is. Wat erkent hij er mee? Dat God volkomen in Zijn recht staat om de zonden aan hem te straffen. Hier moet men tot de laatste stap doordenken. Er blijft in ons boze hart altoos de gedachte leven, dat God toch schuldig zou zijn aan Zichzelf om genade te bewijzen. God is toch liefde? Moet barmhartigheid niet triomferen over het recht? Eerst wanneer deze waan, die met God de Rechter niet rekent, in ons verstoord is, zijn wij ten volle vernederd. Het komt ons vóór, dat wij op deze zaak de klemtoon moeten leggen. Vernedering is voor ons noodzakelijk. Wij ontmoetten eens iemand die in de angst van zijn ziel telkens van omstanders te horen kreeg: houd toch moed, want God is liefde! Deze man antwoordde daarop of steevast: God zou ook liefde zijn, schoon Hij mij zou verdoemen.
De goedkope waan dat 'God toch liefde is', is het laatste toevluchtsoord van onze hoogmoed. Die waan is lang niet zo onschuldig als wij denken.
Weet u, waarom niet? De vrucht van de goedkope genade rijpt allerwege in de gemeenten. Duizenden redeneren op deze manier: 'Als er een God is, dan moest Hij liefde zijn. Nu zien wij echter enkel ellende om ons heen. Daarom geloven wij aan geen God, anders zou Hij de ellende uit de wereld wel wegnemen'.
Een goedkope genade doet het recht Gods in de prediking vervagen. De gewetens worden dan niet meer door het oordeel getroffen. De zielen beven dan niet meer voor het recht des Heeren. De zielen breken niet. Dat mag zo niet blijven. Anders baant men de weg voor het ongeloof. Een ongebroken mens leeft gemakkelijk zichzelf dóór en voort. Maar een gebroken mens vraag naar de genade Gods. De reformatie heeft het recht Gods naar voren gebracht. Het humanisme komt òp voor de soevereiniteit van de mens. Naar ons oordeel is de kern van de geestelijke strijd van onze dagen op dit verschilpunt terug te brengen.
A. v. Brummelen, Huizen N.H.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1988
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1988
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's