Ideale gemeenten?
Dominees zijn er alleen maar vanwege de zonde in de wereld en dan uiteraard en Goddank vanwege de genade. Dit lijkt het intrappen van een open deur te zijn maar het is intussen maar al te vaak zo dat in de praktijk de gebrokenheid van het bestaan minder serieus genomen wordt en er toch ergens de hang is naar de ideale gemeente, met miskenning van de realiteit van die gebrokenheid.
Heel wat predikanten hebben de hoogheid van hun idealen zien afknappen in hun eerste gemeente. De gemeente bleek reëler te zijn, méér ook bevangen door de geest des tijds, dan zij voor waar hadden willen houden. Dat geldt zeker voor een 'volkskerk' als de Hervormde Kerk.
Maar wanneer alle dominees samen in ons land één gemeente zouden vormen – het zou wel een heel gróte gemeente zijn – zou die gemeente er dunkt me niet anders uitzien dan de doorsnee gemeente nú. Want ook dominees hebben het zondige, trage of het vrome vlees tegen. Dat geldt trouwens voor alle ambtsdragers.
De ambtsdrager van nú staat ook niet buiten het tijdsbeeld van vandaag. Ooit heeft Berkhof zelfs gezegd, dat kerkeraadsleden van nu de onkerkelijken zijn van morgen. Dat is best wel eens uitgekomen. Niet elke ambtsdragers is ambtsdrager tot hij wordt afgelost van zijn aardse post. Soms blijkt zelfs ook dat ambtsdragers, wanneer ze hun tijd erop hebben zitten als ambtsdrager, wel eens verslappen in hun kerkelijke betrokkenheid. Terwijl anderen overigens het ambt in hun hart blijven meedragen, omdat ze het ambt een zaak van het leven achten. Sommige predikanten lieten hen overigens zitten tot het eind van hun leven, ondanks de kerkorde. Wijlen ds. R. Bartlema had moeite met de kerkordelijk bepaalde grens voor een ambtstermijn. Gelukkig zijn er heel wat ambtsdragers, die tot het eind van hun leven beleefd hebben dat ze het ambt gedragen hadden en godsvrucht uitstraalden, met gezag naar anderen toe in de praktijk van het gemeentelijke leven.
Intussen is er de eeuwen door wel gestreefd naar de ideale gemeente, naar de ideale kerk ook. De Labadie had een kerk van louter wedergeborenen op het oog. In allerlei evangelische groepen of bewegingen vandaag heerst eveneens de gedachte dat een mens, als hij of zij vordert op de levensweg, wel ergens komen kan in een toestand van zondeloosheid. Een perfectionistisch geloofsleven en, als consequentie daarvan een perfectionistisch gemeenteleven wordt voorgestaan. Maar telkens blijkt dat het in de concrete kerk, in de concrete gemeente niet zó perfectionistisch toegaat. Mensen zijn inderdaad mensen, van vlees en bloed, ook na ontvangen genade. En dat maakt dat genade niet maar eenmaal nodig is maar tot het eind van het leven. De zonde blijft een diepe realiteit, in het leven van Gods kinderen en derhalve ook in de beste gemeenten.
Het is overigens met het zondebesef in de gemeente ook wel eens merkwaardig gesteld. Ik bedoel dan in die gemeenten, waar de zonde (nog) ernstig wordt genomen en niet daar, waar zonde een accoordje met het leven is, waarover je dus niet meer (s)preekt.
De belijdenis dat mensen zondaren zijn is bepaaldelijk een wezenlijke notie van de gereformeerde theologie. Maar dan doet zich toch een merkwaardig feit voor. Niet zodra namelijk wordt de zonde concreet aangeduid of Leiden is in last. Bepaalde streken of bepaalde dorpen hebben soms heel concrete zonden, die alles te maken hebben met de oude adat, die dan de oude Adam is. Maar zodra een predikant die zonde bij de naam noemt gaan de oren dicht en de ogen vlammen. 'Wat denkt de man wel? Hij komt hier niet eens vandaan. We laten ons niet alles zeggen'. Als het over de zonde in het algemeen gaat is ieder er tegen. Gaat het om de zonde concreet dan lopen predikanten op tegen plaatselijk bepaalde weerbarstigheid. Zelfs gemeenten als gehéél moeten soms mooier worden afgeschilderd dan ze in werkelijkheid zijn.
Goddelozen
Er is ook de andere kant van de medaille. Namelijk dat de gemeente wordt geaccepteerd zoals die is. Soms wordt dat ook theologisch gerechtvaardigd. De rechtvaardiging van de goddeloze – met nadruk dus op goddeloze – wordt dan zó sterk benadrukt en verobjectiveerd (of veralgemeniseerd) dat de heiliging in het gedrang komt en de gemeente wordt geaccepteerd zoals die is, zonder dat er nog sprake is van vermaan tot heilig leven. Waar dit bij sommige theologen zo is, en er dus op z'n minst sprake is van een eenzijdigheid, gaan volgelingen altijd verder aan de grote meester. Het is ongetwijfeld waar dat er genade is voor de grootste der zondaren – en dan ook voor de grootste van concrete zondaren, van hoeren en van tollenaars. Maar anderzijds is het evenzeer waar dat de gemeente in de Schrift wordt genoemd de reine bruid van Christus en als heilig getekend wordt. Zodra die heiligheid wettisch wordt geduid – de gemeente móét dit en móét dat – ligt werkheiligheid op de loer. Niet zodra echter wordt de heiligheid van de gemeente verwaarloosd of de gemeente ontzinkt aan haar waardigheid Lichaam van Christus te zijn. Hoe vaak klinken in de Schrift niet het vermaan en de oproep tot heilige wandel.
De concrete gemeente
Hoe moeilijk blijkt het in de praktijk intussen vaak niet te zijn om de concrete gemeente, zoals die is in de realiteit van elke dag, metterdaad te accepteren. Wat de Nederlandse Hervormde kerk betreft kennen we in de gemeenten behalve belijdende leden en doopleden ook geboorteleden. Wanneer we één en ander theologisch doordenken komen we uit bij het Verbond, met tweeërlei kinderen des verbonds. En binnen h Verbond gaat het ook om de bekering. We zullen daarom niet zo gemakkelijk de geboorteleden uit de kaartenbakken van de gemeente (willen) verwijderen. Al te vaak is al gebleken hoe toch Gods verbondstrouw bemerkt werd dáár, waar wij mensen allang terzijde geschoven zouden hebben. Zelfs hele gemeenten, waarvan men in een verder of nabijer verleden vermoedde, dat er niet veel meer van over gebleven was of blijven zou, bloeiden soms weer op onder de beademing van Woord en Geest. Wanneer we belijden dat God Zijn trouw houdt tot in duizend geslachten zullen wij niet zó maar een kern uit de gemeente(n) mogen en willen pellen.
Maar dit zo te zeggen heeft consequenties. Het betekent: belijden dat de ideale gemeente in de praktijk niet bestaat, hoeveel goeds er ook gevonden kan worden. Zelfs de beste gemeente kent randgangers. En ook die randgangers horen er – alleen al krachtens de doopbelofte, die ver reikt – bij, zij het dat er dan ook de noodzaak is om ze er telkens bij te trékken. Wat liggen hier niet een problemen maar ook een mogelijkheden bij het dooppastoraat. Wat liggen hier ook niet een opdrachten wanneer het er omgaat om de geboorteleden te bezoeken, aan te schrijven, aan hun deur te kloppen b.v. vanuit de evangelisatiecommissie.
Als we de geboorteleden (theologisch) accepteren hebben we er ook in de gemeente de volle verantwoordelijkheid voor te dragen. Dan alleen is er ook de misgelijkheid van profetisch vermaan en verantwoorde tuchtoefening.
Maar ook dichter bij huis, ook bij de kerkgaande gemeente is er sprake van bewuste of minder bewuste kerkgang en dus ook van bewuste of minder bewuste deelname aan het gemeentelijke leven. 's-Zondags is de gemeente er (nog wel) maar bij elke doordeweekse activiteit of dienst is er slechts een kern van de gemeente. Is de verleiding dan ook niet groot om die kern als de eigenlijke gemeente te zien ?
Het eerste hoofdstuk van Van Rulers boek 'Waarom zou ik naar de kerk gaan?' heeft evenwel als titel 'Om de kans van de bekering te lopen'. Juist ook onder de prediking gaat het om de inwachting van het bekerende en wederbarende werk van de Heilige Geest. En zijn het niet juist de afgedwaalde schapen, dié schapen, die maar wat meelopen, niet wetende waar ze geleid worden, die het meeste zorg behoeven?
Ik kom terug op het begin van dit artikel. Ergens zit de hang naar de ideale gemeente er diep in. Maar een ideale gemeente heeft geen herders meer nodig. De herder is er juist om de kudde bijeen te brengen en bijeen te houden. Daarom zal elke ware herder, die het hart op de juiste plaats heeft, in het spoor van de grote Herder der schapen, op de gehele kudde gericht zijn, en niet op 'Gods volk' alleen of op een trouwe kern alleen, of op ontwikkelde gemeenteleden alleen, of op een élite, van welke aard dan ook alleen, of op mensen van een bepaalde modaliteit alleen.
Gelukkig die gemeente, die een herder heeft, die weet waar door de week de kudde afgedwaald kan zijn of door welke zorgvuldigheden van het leven het zaad verstikt kan zijn. Maar die dan ook de gemeente in de vermaning liefheeft en in de liefde vermaant en haar intussen lokt in de grazige weide van het Woord.
Soms zijn er zaken, soms ook puur wereldse zaken, die de samenleving zó beroeren, dat de gemeente er nooit helemaal buiten kan staan of er buiten òm kan. Dan moet een gemeente maar nooit hoger worden aangeslagen dan ze is maar is het maar het beste ze 's zondags mee te nemen naar plaatsen waar vergezichten getoond worden, die aanlokkelijker zijn dan die van de wereld. Van de afgescheiden ds. Brummelkamp is bekend, dat hij wel eens 's zondags de kansel opging met de bedoeling de gemeente ervan langs te geven. Stond hij dan echter op de kansel dan dacht hij: laat ik ze maar lokken en vertroosten.
Serieus
De gemeente serieus nemen betekent haar serieus nemen zoals ze 's zondags bijeen is (en nog ruimer dan dat). Dat betekent, dunkt me, dat dominees op zondag hun intrede doen en afscheid preken, en niet de van ver komende familie, die men 's zondags niet wil laten reizen, serieuzer neemt dan de concrete gemeente, waarvan een deel nu eenmaal doordeweeks niet komt. Men idealiseert een gemeente als men veronderstelt dat ze ook in een doordeweekse dienst wel komt. We zien intussen hier met name onder de aantredende generatie predikanten een ontwikkeling, die de ouden zo niet kenden. Als de familie dan zó belangrijk is kan er toch wel een onderkomen voor worden gezocht!
De gemeente serieus nemen betekent echter vooral doordrongen zijn van de gebrokenheid van het menselijke bestaan, zelfs van het ingekankerde van de zonde, ook van heel concrete zonden in heel concrete gemeenten. Maar dan ook overtuigd zijn van de allesoverwinnende kracht van de genade. Voor louter wedergeborenen of voor zondeloze mensen of gemeenten behoeft niet meer gepreekt te worden. Voor zondaren – en ze zijn het tot hun laatste snik – wel.
En dan zal het kaf opgroeien samen met het koren tot de dag van de oogst. De Grote Landman zal zelf een keer het kaf van het koren scheiden. Hij zelf zal Zijn gemeente als een reine bruid tot Zich nemen. Zolang er echter een gemeente op aarde is zal ze geheiligd worden en slechts in Christus en dus in de belofte geheiligd en gereinigd zijn.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1988
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1988
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's