Uit de pers
Medisch-ethisch congres
In De Reformatie (23 juli en 6 aug.) geeft de Kamper ethicus, prof. dr J. Douma een aantal indrukken weer van een congres in Engeland, gehouden in april jl. over medisch-ethische onderwerpen, met name m.b.t. de voortplanting. Douma vertelt, dat de moderne inzichten op dit congres toonaangevend waren, al ontbraken enkele tegenstemmen niet. Zo klonk er toch een protest tegen abortus en vóór de beschermwaardigheid van het ongeboren leven, ook in zijn embryonale fase.
'Van maandag tot en met donderdag heb ik alle dagen, en soms op één dag bij herhaling, over abortus strijd horen leveren. Men zou zo zeggen dat dit een voorbij hoofdstuk is, omdat abortus provocatus immers in de westerse wereld vrij algemeen gelegaliseerd is. Maar wij bevinden ons in een volgend stadium waarin voor verder medisch onderzoek experimenten met embryo's nodig zijn. Laat daarbij in strikte zin van abortus geen sprake zijn (men drijft immers geen vrucht af uit het moederlichaam; de embryo's bevinden zich "in vitro" en niet "in vivo", zoals dat heet) – het gaat wel over eenzelfde onderwerp: heeft het embryo vanaf het allereerste begin recht op bescherming? Mogen embryo's voor wetenschappelijk onderzoek gebruikt en verbruikt worden?
Tweeduizend jaar van respect voor de ongeboren vrucht en van afwijzing van abortus provocatus in het christelijk westen werkt nog na in de medische wereld van nu, hoe geseculariseerd zij ook mag zijn. De Pro Life beweging, die van Engeland, tot Australië zeer actief is en die kan rekenen op de steun van in elk geval de Rooms-Katholieke Kerk, zorgt ervoor dat ethici en medici zich telkens weer rekenschap moeten geven van wat zij aan het doen zijn.
Datzelfde moet ik ook zeggen als ik terugdenk aan het congres in Leeds. Naast de voorzichtige Dunstans, die wel meelopen, maar niet te hard, waren er gelukkig ook mensen die duidelijk en bij herhaling respect vroegen voor het ongeboren leven vanaf het prilste begin. Zij die zo spraken waren gering in getal. Met het dominees-echtpaar Rev. en Mrs. Bell uit Colchester kwam er in hun twee papers duidelijk voor uit. De zich altijd in de discussie mengende dame deed het ook, alleen helaas tot vervelens toe. Maar daar kon ik natuurlijk niet alleen kritiek op hebben, terwijl ik dan zelf het zwijgen ertoe deed. Daarom heb ik mij ook in de discussie gemengd. Met bijzonder respect wil ik mevrouw Pamela F. Sims noemen, een gynaecoloog uit Hexham in North-Humberland die uitstekend kon spreken, geen blad voor haar mond nam, en tot de uitspraak kwam dat onze medische wetenschap veterinair in plaats van menselijk begon te worden. Het strekt de congresleiding tot eer dat zij deze dame vroeg in discussie te treden met dr. Richard West, die op het laatste moment nog opgetrommeld was om te vertellen over enkele operaties in Birmingham, waar men hersenweefsel van foetussen gebruikt had bij Parkinson-patiënten. U weet waarschijnlijk dat men aan de Vrije Universiteit ook met dit soort experimenten aan de gang is. Dr. West is voorzitter van een ethische commissie die in het ziekenhuis van Birmingham over deze zaak een beslissing had genomen.
Ik moet u zeggen dat ik geen hoge dunk van ethische commissies kan hebben wanneer het gaat als in de commissie van dr. West. Hij moest nota bene het antwoord op vragen schuldig blijven zoals: Hoeveel embryo's zijn er nodig voor behandeling van een Parkinsonpatiënt? Hoeveel weken oud is de geaborteerde vrucht die voor deze behandeling gebruikt kan worden? Het lijkt mij toe dat de voorzitter van een ethische comissie in z'n hemd staat, wanneer hij op een medisch congres moet verklaren dat de behandelende hoogleraar op dergelijke vragen het antwoord kon geven, maar dat hij het nu schuldig moest blijven! Mevrouw Sims buitte de onwetendheid van de heer West goed uit, wees op de gevaren van een handeltje in foetaal hersenweefsel er van zwangerschap op verzoek, om met de te aborteren vrucht Parkinson-patiënten te helpen. Ze vroeg om stopzetting van dit experiment, hangende de beantwoording van allerlei vragen die hier te stellen vielen. Ze aarzelde ook niet als haar grootste moeite het feit te noemen dat met hersenweefsel van geaborteerde vruchten was gewerkt. Opkomend voor de christelijke waarden en voor handhaving van de eed van Hippocrates ontlokte zij aan enkele kopstukken van het congres felle kritiek. Ik zat naast enkele van die mensen, die publiek netjes bleven, maar onderling heel sneerend deden over de argumenten die mevr. Sims gebruikte.
Op zulke momenten voel je dat je een vreemdeling bent in een ethisch-medisch gezelschap dat aan het christelijk geloof vrijwel helemaal ontzonken is. En je voelt je door dat geloof juist extra verbonden aan mensen als Pamela Sims die – ik meen al op de eerste dag van het congres – tegen abortus provocatus opkwam met de openhartige bekentenis: I am a Christian. Die woorden betekenen in Engeland duidelijker dan bij ons dat je ook een belijdend christen wilt zijn, en niet maar alleen dat je uit een christelijk milieu komt. Of – nog vager – uit een door het christendom beïnvloede wereld stamt.'
Verbondenheid met wie vanuit een christelijk belijden spreken. Tegelijk wijst Douma er op dat de mogelijkheden om vanuit christelijke visie een bijdrage te leveren begrensd zijn. Niet alleen is de Pro-Life beweging nogal geschakeerd (er klonken bijvoorbeeld ook typisch roomse redeneringen vanuit een bepaald natuurrecht) maar ook de argumenten op grond van wat de Engelsen noemen het 'slippery slop' (hellend vlak) motief ('waar blijven we?') vond Douma meestal weinig overtuigend. Ook was hem opgevallen hoe zeer enquetes als moderne vorm van getuigenis opgeld deden. Het verslag van Douma laat zien hoezeer een waarlijk christelijk-ethische visie op tal van modern-medische problemen een aangevochten visie is. De argumentatieve mogelijkheden zijn begrensd. We zullen ze niet mogen verwaarlozen, zeker niet als wapen tegen het gemak waarmee op resultaten vanuit enquetes gewezen wordt. Maar feiten zijn nog geen normen. In vele gevallen zal een christelijk-ethische argumentatie ook iets van een getuigenis mogen hebben.
Ik mag er zijn
Dat is de titel van een causerie gehouden door drs. W. Steenbergen op de ontmoetingsdag van de Ned. Gereformeerden. Steenbergen wijst er op dat de kreet 'Ik mag er zijn' de roep om zelfontplooiing is in vele gevallen, de afweer ook van elke binding. De onwil om bindingen aan te gaan heeft ook te maken met onmacht. Het gevolg is eenzaamheid en blokkades om echt tot relaties te komen. Welk bijbels perspectief kunnen we bieden. In Opbouw van 15 juli lezen we:
"Ik mag er zijn" – het is niet alleen een stuk modern levensgevoel, of een influistering van de duivel. Het is ook een thema van het evangelie.
Want weet u dat de duivel vaak met dezelfde dingen bezig is als God? Wat hij aan de orde stelt is nooit origineel. Het is altijd de caricatuur, de verleugening van het góede dat God met de mens voor heeft!
En zo is het ook hier. Gods vijand heeft de mens willen wijs maken dat de Schepper het zijn kind, de mens, niet zou gunnen om er te zijn, om zichzelf te zijn. En dat je, om dat te bereiken, los van God moest komen. Maar het is een leugen. Aan het begin van onze mensengeschiedenis staat die God die gewild heeft dat wij er zouden zijn, en dan niet als zijn willoze slaaf maar als vrije bondgenoot. Verbonden aan Hem, luisterend naar Zijn Woord – jazeker. Maar dat is geen knellende band. Dat is juist de enige ruimte om zich als mens te kunnen ontplooien. En toen wij mensen die woorden "Ik mag er zijn" gingen misbruiken door ze op het spandoek van onze revolutie te schrijven, heeft God daar niet op gereageerd met een vernietigend oordeel maar met het reddende evangelie.
Zodat de verloren zoon die tot zichzelf komt en terugkeert en zegt: ik heb gezondigd, tot zijn verrassing ervaart: ik mag er weer zijn! Wat ik als rècht verspeeld had, krijg ik nu als een grote genade. Ik wordt aanvaard als kind aan huis bij Vader. En nu weet hij hoe hij zich vergist heeft door te denken dat het Vaderhuis een gevangenis was. Juist de vrijheid die hij zelf gekozen had liep uit op slavernij, op eenzaamheid. Alleen binnen de muren van Vaders liefde kom je eindelijk ècht tot je recht.
Als ik het zonder beeldspraak wil zeggen zoek ik de brief aan de Galaten op. Die brandende brief van Paulus, over de rechtvaardiging door het geloof alleen. God heeft ons er voorgoed van vrij gemaakt dat we onszelf zouden moeten waarmaken. Een mens mag er zijn – niet om wat hij zelf is en doet – maar alleen om wat Christus voor hem heeft gedaan.
In die brief zien we dan ook de verloren zoon die van de Vader het feestkleed heeft aangekregen, en dat kleed heet Christus. "Want gij allen die in Christus Jezus gedoopt zijt hebt u met Christus bekleed" (Gal. 3 : 27). En dan gaat Paulus zó verder: "Hierbij is geen sprake van jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk of vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus (v. 28).
Let op die drie groepen: Griek, d.w.z. niet-jood, slaaf en vrouw. Ze komen ook voor in het ochtendgebed waarin de joodse man God dankt dat Deze hem niet gemaakt heeft als niet-jood, niet als slaaf en niet als vrouw. Want door de bepalingen van de wet konden deze drie groepen er in de dienst van God niet echt bij horen. Waar de wèt het laatste woord heeft, daar is de éne mens méér dan de andere en de ander minder dan de één op grond van wat de één wel is en heeft en de ander niet.
Maar waar de genade heerschappij krijgt valt dat weg – want daar is Christus alles. En niets van wat jij zelf hebt of bent kan jou dan nog een plus of een min geven ten opzichte van anderen. Want in de gemeente die het lichaam van Christus is geldt nu: dat iedereen er zijn mag, zonder onderscheid – en tegelijk in een grote verscheidenheid, ieder naar eigen gave. Want de Geest drukt het eigene van ieder mens niet weg, maar brengt het juist tot bloei. Als de voet zou zeggen: omdat ik niet de hand ben, behoor ik niet tot het lichaam, vergist hij zich. En als het oog zou zeggen tot de hand: ik heb u niet nodig, is dat ook een vergissing. Lees het maar na in I Cor. 12. Voet en hand en oog: ze mogen er allemaal zijn, omdat ze allen nodig zijn in de dienst aan God en aan elkaar. Dan is het 'ik mag er zijn' geen wapen om de ander neer te slaan maar een uitgestoken hand om de ander op te richten, in de dienst van de liefde.'
'Ik mag er zijn'. Christenen horen hier iets in van een beloftevolle opdracht. Om Jezus' wil mogen we er zijn, vóór God, en dan ook tot zegen van de ander.
Luther en Bunyan
Op 31 augustus van dit jaar is het 300 jaar geleden dat John Buyan overleed, de schrijver van het wereldberoemde boek The Pilgrem's Progress, onder ons bekend als De Christenreis naar de eeuwigheid. In De Wekker gaat prof. dr. W. v. 't. Spijker in enkele artikelen in op de bronnen van dit boek. Hij wijst onder meer op de betekenis van het feit dat Bunyan in bezit was van een exemplaar van Luthers commentaar op de Galatenbrief Dit werk heeft Bunyan diep beïnvloed. Bunyan en Luther waren beiden zeer aangevochten mensen. Beiden wisten van de bevrijding door het kruis.
'We hebben reeds herinnerd aan de passage uit Bunyans Genade overvloeiende, waarin hij de verrassing beschrijft over het feit dat een vrome hondervijftig jaren voordat hij zelf de dingen beleefde, reeds beschreef wat aanvechtingen waren en hoe men ervan genezen kon worden. Ik citeer nog eens wat Bunyan daarover schreef: 'Nu, ik was zeer verblijd dat zulk een oud boek mij in handen gekomen was; en ik had er slechts een weinig in gelezen, of ik vond mijn toestand in zijn ervaringen zo breedvoerig en grondig behandeld, als had hij zijn boek uit mijn hart geschreven. Dit verwonderde mij. Want ik dacht: Deze man kon niets weten van de staat der christenen van onze tijd. Hij moest dus neerschrijven en uitspreken de ondervinding van vroeger dagen'.
Merkwaardig en veelzeggend is die uitdrukking: "als had hij zijn boek uit mijn hart geschreven." Hier was sprake van een wonderlijke overeenstemming, die immers altijd weer blijkt, waar gelovigen elkaar wezenlijk ontmoeten. Dat kan in onze eigen tijd zijn. Maar het kan ook gebeuren, dat men bij het lezen van geschriften uit vroegere tijden dezelfde ontdekking doet. Zo verging het Bunyan bij het lezen van Luthers commentaar.
Twee zielen, één gedachte? Neen, twee levens, doch één Geest. Zo was het inderdaad. Wat maakte voor Luther de brief aan de Galaten zo geliefd, dat hij haar zijn Käthe noemde. Käthe was de naam van zijn vrouw! Wat bond Luther aan de Galatenbrief alsof hij ermee getrouwd was? Het was de volstrekte vrijheid van het evangelie, die op geen enkele manier door de Wet kan worden verkregen. En dit sprak Bunyan aan, zoals blijkt uit de volgende passage, waarin Luther de oorzaak van de aanvechtingen beschreef: "Daarenboven beredeneerde hij zeer ernstig in dat boek de oorzaak van deze aanvechtingen, namelijk godslastering, wanhoop en dergelijke; aantonend dat de wet van Mozes, zowel als de duivel, dood en hel, daarin een groot aandeel had. Dit was in het begin heel vreemd voor mij. Maar toen ik de zaak naging en beschouwde, bevond ik dat het waar was. Maar mijn doel is niet daarover nu in bijzonderheden te treden. Slechts wil ik hier voor alle mensen erkennen: ik verkies dit boek van Maarten Luther over de Galatiërs (uitgenomen de heilige bijbel) boven alle boeken die ik ooit gezien heb, als het meest geschikt voor een gewond geweten."
Luther heeft in zijn verklaring van de brief aan de Galaten een grote nadruk gelegd op het belangrijke verschil tussen wet en evangelie. En dit heeft Bunyan om zo te zeggen, tot de ruimte gebracht. De frisse sporen daarvan zijn in De Christenreis zonder meer aanwezig.
Lutherse trekken in De Christenreis
Wet en evangelie: zij staan vlak tegenover elkaar, wanneer het gaat om de weg der verlossing. Bunyan tekent Christen, wanneer hij met het pak van de zonde op zijn schouder op aanwijzing van Evangelist de weg inslaat naar de smalle poort.
Onderweg ontmoet Christen een man, met de naam Wereldwijze. Deze raadt hem aan om naar het huis van de heer Wettisch te gaan. Dit kan hij bereiken langs een hoge berg.
Maar toen Christen vlak bij die berg was gekomen, zag hij dat deze zeer steil en hoog was. Hij helde sterk over het pad. Bliksemstralen schoten uit die berg. Maar Evangelist wijst hem weer terecht op de goede weg. Blijkbaar wil Bunyan duidelijk maken dat de Sinaï, d.i. de wet, hem niet tot de vrede kan brengen. De man die hem deze weg op stuurde heet Wettisch, hij is de zoon van de slavin die met haar kinderen in dienstbaarheid verkeert. Daarom is Wettisch niet in staat om van de last te verlossen.
Verderop bezoekt Christen het huis van Uitlegger. Deze toont hem allerlei wetenswaardige zaken, o.a. een kamer, een binnenkamer nog wel, die vol stof was, dat door een meisje opgeveegd moest worden. Maar het stoof naar alle kanten. Toen werd er water gehaald, waarmee de vloer werd besprenkeld. En toen dit gebeurd was werd de kamer zo gemakkelijk geveegd en schoon gemaakt, dat het een lust was om het te zien. Het stof is de erfzonde. De wet reinigt daar het hart niet van, maar doet haar juist gevoelen en versterkt ze.
De wet verbiedt de zonde wel, maar geeft geen kracht om de zonde te overwinnen.
Theologie van het kruis
Dit laatste geschiedt slechts op één plaats: bij het kruis van Christus. Christen spoedt zich voort, "totdat hij op een wat hoger gelegen plek kwam, waar een kruis stond. Aan de voet van die heuvel was een open graf. Toen zag ik dat zodra Christen bij het kruis was aangekomen, het pak van zijn schouder afgleed en net zo lang naar beneden rolde tot het bij de opening van het graf was.
Daar viel het in en ik zag het niet meer… Toen werd Christen heel blij en verheugd en met dankbaar hart zei hij: Hij heeft mij vrede gegeven door zijn lijden, en het leven door zijn dood. Hierna stond hij een ogenblik stil om te kijken en zich erover te verwonderen. Hij stond er versteld van, dat het kijken naar het kruis hem van zijn last verlost had. Hij bleef er maar naar kijken, totdat tranen hem over de wangen liepen."
Bij het kruis alleen wordt Christen van zijn zondepak verlost. Het valt hem zo maar van de schouder. We kunnen hier gedachten herkennen, die ten nauwste samenhangen met wat Luther heeft geleerd omtrent de theologie van het kruis. Niet de wet verlost, maar alleen het lijden en sterven van Christus: Hij heeft mij vrede gegeven door zijn lijden en het leven door zijn dood.
Ook op tal van andere plaatsen is de tegenstelling tussen wet en evangelie voelbaar in het werk van Bunyan. De sleutel van de belofte van het evangelie opent voor hem de deuren van het kasteel van reus Wanhoop. Zoals diezelfde beloften hem door het moeras van de twijfel heenhielpen: het waren de stenen, waarover de reizigers konden lopen. Het Woord van God komt bij Bunyan aan het woord, en zijn reis wordt tenslotte volbracht, doordat hij de rol kan laten zien, die hij aan het begin heeft ontvangen. In die zin is de theologie achter Bunyans Christenreis een theologie van het Woord, een theologie van het kruis.'
Van 't Spijker wijst er in dit nummer van De Wekker (29 juli) op, dat deze theologie van het kruis ook een theologie van de ervaring kan worden genoemd. De ervaring die een mens opdoet, als hij ontdekt dat het Woord van God de waarheid is. Beter gezegd nog, dat God de betrouwbare is in al Zijn spreken. Zo zijn Bunyan en Luther ieder voor zich, op verschillende momenten van de geschiedenis en in verschillende omstandigheden, getuigen van het evangelie van de radicale genade alleen. Een vergelijking op alle punten zou stellig ook verschillen aangeven. Hoe ligt het met de visie op de kerk en de eredienst? Wat is de invloed van het Engelse Baptisme? En wat betekent die invloed voor de verwerking van Luthers theologie? Hier ligt nog een breed veld van onderzoek en studie. In elk geval, de bronnen van Bunyan zijn tevens ook de bronnen van de Reformatie. Geen wonder, dat dit klassieke werk tot op de dag van vandaag zijn invloed laat gelden.
A. N., Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's