Globaal bekeken
In het jongste boek van dr. W. Aalders (zie artikel In dit nummer) stond het slot van een brief die Edmund Burke, lid van de Engelse Whig-party, In 1791 schreef aan een lid van de Franse Assemblee. Curieus genoeg om het hier over te nemen:
'In Engeland kunnen wij niet zo hard werken als de Fransen. Veelvuldige ontspanning achten wij noodzakelijk. Gij evenwel zijt intensiever bezig. Ik kende die karaktertrek van uw volk niet tot ik in 1773 Frankrijk bezocht. Heden is deze drift om te werken bij u eerder toegenomen dan verminderd. In uw Assemblée vergunt gij uzelf geen rust en onderbreking, zelfs niet op zondagen. Wij daarentegen hebben twee dagen per week vrij, afgezien van de feestdagen; en daarenboven nog vijf of zes maanden in de zomer en de herfst.
Deze voortdurende en ononderbroken ingespannen arbeid van de leden van uw Assemblée is naar mijn mening één van de oorzaken van het wanbeleid dat wordt gevoerd. Mensen die altijd werken, kunnen geen juist oordeel meer hebben. Gij geeft uzelf nooit de tijd om eens afstand te nemen. Nooit zijt gij eens in de gelegenheid om het werk, dat gij beëindigd hebt, nog eens rustig te laten bezinken alvorens het kracht van wet krijgt. Nooit ook zijt gij bij machte om het verleden te laten meespreken bij het ontwerpen van de toekomst Nooit gaat gij eens rustig en nuchter het land in, buiten de geladen sfeer van de Assemblée, om daar eens te onderzoeken, wat de uitwerking is van al de genomen besluiten en maatregelen. Nooit zijt gij ook in staat om nauwkeurig na te gaan in hoeverre het volk werkelijk gediend is door en baat heeft bij al wat gij in uw Assemblée hebt besloten. Gij zijt nimmer in de gelegenheid om met eigen ogen waar te nemen het lijden en de smart, die gij hebt veroorzaakt. Gij weet er slechts van verre iets van af door de berichten van tussenpersonen die nu eenmaal altijd de neiging hebben om de regerende macht te vleien en die, door de manier waarop zij verslag uitbrengen van bestaande grieven, eerder uw ergernis opwekken tegen de onderdrukten.
Al deze dingen nu zijn niet anders dan de gevolgen van uw ononderbroken werkzaamheid, waardoor hun waarnemingsvermogen uitgeput raakte, hun kaarslicht uitdooft, en zij achterblijven in duisternis.'
Geïnspireerd door Globaal Bekeken van 23 juni jl., waarin iets vermeld werd over biddagen in het dorp Noorden, weer ingevoerd bij ministeriële beschikking, zond een lezer een uitvoerige reactie, teruggaande op de Benthuizer kerkgeschiedenis. Hier volgen enkele fragmenten van de brief:
'Zeer waarschijnlijk werden echter vóór de ministeriëIe brief van 1809 alweer (of zouden we moeten spreken van nog steeds) dergelijke dagen gevierd.
In dit verband wil ik u wijzen op een gebed op rijm, gemaakt ter gelegenheid van een dank-, vast- en bededag, die op 2 maart 1803 te Benthuizen en mogelijk ook elders in het land gehouden zou zijn.
Het ligt niet voor de hand, dat bovengenoemde dag illegaal gehouden is in het weliswaar wat terzijde liggende, maar toen doorgaans weer droge, Benthuizen met alleen zo nu en dan nog wat wateroverlast.
De tijd van de huilende wildernis was immers voorgoed voorbij na de grote drooglegging. Zo'n vijftien jaar daarvoor, in 1744, had de aanblik van de woeste wateren een predikant zelfs mogelijk nog inspiratie voor zijn tekstkeuze opgeleverd. Bevestigde niet de Rotterdamse hoogleraar dr. Willem Velingius in dat jaar zijn zoon, de latere Boschse hoogleraar ds. Abdias Velingius als predikant te Benthuizen met de woorden uit Deuteronomium 32 'Hij vond hem in een land der woestijn en in een woeste huilende wildernis', evenwel gevolgd door het bekende gedeelte, dat handelt over de arend, die zijn nest opwekt.
Terug naar het biddagrijm van 1803. Ik neem aan, dat de vervaardiger ervan (…) niet alleen in godsvreze met zijn dichterlijk brein naar deze dag gehunkerd heeft, maar dat deze ook in werkelijkheid op genoemde daturn gehouden is.
In tegenstelling tot onze biddagen, nu traditioneel op woensdag, vond bovengenoemde op een dinsdag plaats. Overigens kende men in Benthuizen ook een vaste donderdagavonddienst, althans zo bleek mij bij naspeuringen in het gereformeerde doopboek van het jaar 1701. Dat de biddag van 1803 gevierd is, grond ik op de volgende strofe uit het eerder genoemd 'gebed' (spelling iets aangepast):
Zend dan o God Uw Geest, de Geest der smeekgebeden
in ruime mate neer op deze grote dag
Dat wij belijden al onz' ongerechtigheden
en Gij in gunst verhoort gelijk Gij voormaals plach.
De dichter schroomde overigens niet, de Heere ook de tijdelijke behoeften voor te leggen:
Laat Heer de dure tijd ook van ons ommekeren
dat nijpend armoed' niet langer ons beknelt
De ellendigen zijn veel, Gij weet het Heer der Heeren
en hunne grote nood zij u niet onbekend.
Evenals in het Noordense boekje is de (grote) waterste vinden. Die van 1802 memoreert hij uitgebreid in zijn biddagrijm (originele tekst):
Wat was 't voorleden jaar niet vol van angst en schromen
daar Ge ons door 't water bragt in de uyterste ellend
Gij deed het tot ons huys en op onze akkersw komen
Wie was er groter druk en meer gevaar bekend
Den boeren ambagtsman die stonde gansch versteld
daar veele met hun vee en have moesten vlugten
Dog Gij op Groote God die onze tranen teld
Verhoorde ook 't gekerm en het ellendig zugten.'
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's