Scheiding Kerk en Staat
Kerk en politiek (7, slot)
Kerk geknecht door de Staat
Dat Kerk en Staat twee afzonderlijke gebieden zijn, wordt door haast iedereen binnen en buiten de politiek onderschreven. Er worden echter zeer verschillende wegen mee ingeslagen. Zoals al eerder gezegd zijn er, die vinden dat christenen alleen op het gebied van de Kerk aktief moeten zijn, de Staat of, zoals ze meestal zeggen 'de politiek', is maar een vuil zaakje, waarvan christenen zich verre moeten houden.
Er zijn er ook, die minder ver gaan en zowel Kerk als Staat op hun waarde taxeren, maar op het éne terrein volstrekt andere normen hanteren dan op het andere. Zo zijn er christenen, die kerkelijk zeer meelevend zijn, maar in de politiek hun stem geven aan volstrekt verwerpelijke zaken (denk aan de abortuswet, de Wet Gelijke Behandeling etc). Dat gaat dan onder het mom van de scheiding van Kerk en Staat, die normen van de Kerk mag je zomaar niet toepassen in de Staat.
Daarmee wordt dan in feite aan de Staat een grotere waarde toegekend dan aan de Kerk. Bij het ooit aanvaarden van de Wet Gelijke Behandeling zou het zelfs zover kunnen komen, dat daarmee de Kerk binnen haar vier muren wordt opgesloten en geen enkele maatschappelijk betekenis meer mag hebben. Onder de noemer 'scheiding Kerk en Staat' kan via de politiek de Kerk uiteindelijk geknecht worden door de Staat. Dan zouden we weer volledig teruggekeerd in de situatie waarin Augustinus leefde. Dan zouden het wereldlijk regiment of rijk (de Staat dus) en het geestelijke regiment (de Kerk) opnieuw volstrekt tegenover elkaar komen te staan. Als Babylon tegenover Jeruzalem, als een anti-christelijke macht tegenover het rijk van Christus.
Dat is de bedreigende situatie van vandaag.
Staat geknecht door de Kerk
Tussen Augustinus en ons zijn er vele ontwikkelingen geweest. Zag Augustinus de stad Rome concreet als een Babylon, later bij de uitbreiding van de christelijke leer en de vorming van het corpus christianum (het christelijke gemenebest) kwamen de accenten in de Kerk-Staat-verhouding anders te liggen.
De twee rijken waren niet langer elkaars volstrekte tegenpolen maar waren als het ware twee onderdelen van één geheel. Zo werd door paus Bonifacius VIII in 1302 in de bul 'Unam Sanctam' de tweezwaarden-leer ingevoerd. Christus zou aan Petrus twee zwaarden hebben toevertrouwd en dat zou betekenen dat de paus het geestelijke zwaard rechtstreeks zou hanteren en het wereldlijke zwaard, met andere woorden de wereldlijke macht, eveneens in zijn bezit zou hebben, een macht die hij evenwel kon delegeren aan koningen en keizers. Vorsten regeerden dus bij de gratie van de paus! (zie K. Exalto, Politieke inzichten in de reformatorische traditie).
In dat geval werd de Staat dus geknecht door de Kerk.
Kerk en Staat onder God
Het zijn de reformatoren geweest, als eerste Luther, maar later ook Calvijn, Zwingli en Bucer, die Kerk en Staat in de twee-rijken-leer een juiste plaats gaven.
Ze hadden daar niet in de eerste plaats politieke redenen voor, maar juist kerkelijke. Het ging hen om de zuiverheid van het evangelie. Dat mocht niet langer geknecht worden door de machtswellust, vaak politieke machtswellust van pausen en bisschoppen. De hervormers wezen hen hun plaats: terug naar het ambt, naar hun goddelijke roeping dienaren te zijn van het evangelie.
Dat mes sneed aan twee kanten. Het was een hervorming van de Kerk, terug naar het Sola Scriptura. Het was ook een hervorming van de Staat, de vorsten hoefden niet meer te luisteren naar de paus. Zij hadden hun eigen verantwoordelijkheid en als zodanig moesten ze politiek bedrijven en regeren.
De reformatoren hebben echter nooit bedoeld dat de politiek daarmee autonoom zou zijn, zonder geestelijke normen. Dat men op politiek terrein maar zijn gang moóht gaan (zoals het voorbeeld in het begin van dit artikel) en de normen, die God voor Kerk en Staat gegeven heeft, opzij zouden mogen schuiven. Dat misbruik wordt er tot op de dag van vandaag helaas maar al te vaak gemaakt. Luther heeft daar in ieder geval geen enkele aanleiding toe gegeven.
Zijn twee rijken (hijzelf sprak altijd van twee regimenten) heeft hij beide altijd onder het gezag en de eis van Gods Wet gesteld.
Kerk prioriteit boven Staat
Het feit, dat Kerk en Staat ieder in hun eigen plaats en taak kregen van de reformatoren, wil niet zeggen dat Kerk en Staat voor hen ook gelijkwaardige grootheden zouden zijn. Het ging hun uiteraard veel meer om de Kerk dan om de Staat.
Als ze al uitvoerig over de Staat schreven, zoals Luther in zijn 'Von weltlicher Obrigkeit', dan kwam dat door de politieke omstandigheden waarin ze terecht kwamen. Maar als er geen direkte aanleiding was om een visie te geven op een staatkundige ontwikkeling (ze lieten dat dus duidelijk ook niet liggen, een boodschap voor de Kerk vandaag!), dan gingen hun geschriften in de eerste plaats over geestelijke zaken. De Kerk had bij hen de prioriteit.
Exalto (a.w.) is het dan ook niet eens met Van Ruler, die, als hij spreekt over de verhouding van Kerk en Staat bij Calvijn, gebruik maakt van het beeld van de ellips met de twee brandpunten. Calvijn zegt zelf in het laatste hoofdstuk van zijn Institutie dat de leer aangaande de overheid niet meer dan een 'toevoegsel' is.
Het is ook niet voor niks dat Guido de Bres van de 37 artikelen van de Nederandse Geloofsbelijdenis er slechts één aan de overheid wijdt, het vóórlaatste, artikel 36.
Het laatste, artikel 37, kon daar niet aan voorafgaan, want dat gaat over het laatste oordeel en de wederkomst van onze Heere Jezus Chnstus. Dat oordeel omvat leer én leven, Kerk én Staat. Wij mogen ons onderwerp 'Kerk en Staat' dan ook nooit losmaken van de wederkomst van de Zoon van God. In artikel 37 worden de aardse overheden zelfs met name genoemd, bepaald niet in positieve zin: 'hun zaak (d.i. van de gelovigen en uitverkorenen) die nu tegenwoordig voor vele Rechters en Overheden als ketters en goddelozen verdoemd wordt, zal bekend worden de zaak van de Zoon Gods te zijn'.
Zo treden Guido de Bres en de gelovigen in de Nederlanden met hun vorst voor de troon van God. Zij zien uit naar de dag, waarop Jezus hun recht zal doen. Want hun zaak is rechtvaardig; het is de zaak van de Zoon van Grod.
Zonde en genade
Gods werk op aarde is dus niet een werk in twee gelijke delen. De Kerk een deel en de Staat een deel. Neen, beide staan in dienst, zij het een eigensoortige dienst, van Gods éne Werk: Genade voor zondaren, persoonlijk en maatschappelijk.
Was God in de hemel gebleven, dan was het voor ons allemaal een verloren zaak geweest. Wij zouden nooit een Borg voor onze persoonlijke schuld hebben gehad. Wij zouden reddeloos verloren zijn geweest en gebleven.
Het is en was zonde van onze kant, het werd genade van Gods kant. Zonde en genade dus op het geestelijk terrein.
Dat geldt ook voor het wereldlijk terrein. Als God ons aan onszelf had overgelaten, dan was er geen enkele maatschappelijke orde geweest. Dan zou er een totale chaos zijn geweest en gebleven. Maar God heeft ons overheden gegeven ons ten goede. Dat is geen natuurlijk gegeven, maar ook een genade-gave van God. Dus ook hier, op staatkundig terrein, zonde en Genade.
Natuur en genade
Dat is wat anders dan wat vroeger in m.n. rooms-katholieke kring werd verkondigd, en ook nu nog via de KVP in het CDA doorwerkend, dat het een kwestie is van natuur en genade.
In die visie liggen niet zowel het individu als de Schepping onder de vloek van de zonde, zodat beide genade nodig hebben, maar valt het individu voor zijn geestelijke heil op het terrein der genade en valt de Schepping zonder verdere overwegingen over zonde en genade op het terrein der natuur. Er is dus een volledige tweedeling van het leven. Daar is het terrein van de natuur en op dat terrein heeft het Woord van God geen gezag. En daar is het terrein van de genade, waar inderdaad dat Woord van God erkend wordt.
Dit is geen theocretisch betoog, maar vandaag de dag in de politiek heel aktuele werkelijkheid! Want door de snel toenemende secularisatie, ook binnen het rooms-katholieke denken, dreigt het terrein van de natuur het terrein van de genade steeds meer te verzwelgen.
Daarom zitten we vandaag midden in een touwtrekkerij om de grondrechten en de mensenrechten. Wie wint het: het 'antidiscriminatie'-beginsel of de vrijheid van godsdienst en onderwijs? Als hét grondrecht, Gods recht, losgelaten wordt als het baken in de zee, dan zijn we vandaag overgeleverd aan de politieke waan van de dag, gevormd door de helft plus één. Als dan de 'natuur' gaat heersen over de 'genade', de neutrale Staat over de christelijke Kerk, en dat is vandaag echt aktueel, welnu dan zijn we echt terug in de tijd van Augustinus.
J .H. ten Hove, Katwijk aan Zee
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's