Verliezen wij de vroomheid? (1)
Door de redaktie van ons bondsorgaan is mij gevraagd een aantal artikelen te schrijven over vroom en vroomheid. Wat verstaat men onder vroomheid en hoe krijgt ze gestalte in het dagelijks leven van de gelovige? Deze vragen beantwoorden is nog niet zo eenvoudig. In de eerste plaats niet omdat er niet zoveel boeken zijn waarin juist over dit onderwerp wordt gehandeld, maar in de tweede plaats ook niet omdat er over zaken als vroom en vroomheid soms zo heel verschillend wordt gedacht. Wat de één vroom noemt, wordt door de ander voor kwezelarij óf femelarij gehouden. Bovendien is men voor de één al vroom, wanneer men op zondag naar de kerk gaat, maar voor de ander is men vroom als men b.v. in zijn werkomgeving opkomt voor de Naam Gods en men liefdevol doch duidelijk zegt dat Gods Naam niet gelasterd mag worden. Ook onder ons wordt er wel verschillend over vroom en vroomheid gedacht. Het komt wel voor dat men hierover liever niet hoort spreken, bang als men is dat de vrome mens in het middelpunt komt te staan. Nu moeten wij voor dit laatste altijd bang zijn, maar dat wil niet zeggen, dat er nooit over vroomheid in Bijbelse zin gesproken zou mogen worden. Wellicht is dit laatste te weinig gedaan en was er slechts aandacht voor wat vroomheid niet is. Het is echter van belang om niet alleen te zeggen wat het niet is, maar ook om te zeggen wat het dan wel is. Het is precies als met een preek die handelt over het geloof Ik acht het juist, wanneer men zegt wat het niet is, doch als men daarin blijft steken en niet zegt wat het geloof dan wèl is, schiet men als prediker schromelijk tekort. Ik zou bijna neerschrijven – en ik doe dit ook – dat er in de preek méér moet gezegd worden over wat het wel is dan wat het niet is. Maar zo is het ook met ons onderwerp: vroom en vroomheid. Aan het onderwerp verbind ik tevens de vraag of wij persoonlijk maar ook als hervormd gereformeerd volksdeel niet aan vroomheid hebben ingeboet of die aan het verliezen zijn. Dit laatste heeft een oorzaak. In het pastoraat onder de ouderen hoor ik wel eens de opmerking, dat er vroeger veel meer vrome mensen waren dan nu. Gewezen wordt dan op de gezelschappen waar de vromen bij elkaar kwamen en met elkaar spraken over de heilsgeheimen Gods, maar ook wordt er op gewezen, hoeveel er van de gelovigen uitging in de kerk, in hun omgeving en in de wereld. Zij dwongen respect af doordat zij hun leer versierden met een godzalige levenswandel. Om deze reden verbind ik dus de titel van deze artikelen aan ons onderwerp. Immers, wij kunnen wel een degelijke leer hebben en ik denk dat wij het hierover ook wel eens zijn, maar is dan ook ons leven degelijk d.i. in overeenstemming met het Woord. Een vraag van uitermate groot belang is bij dit alles of vroomheid slechts een gestalte van het hart is, en gemoedsgesteldheid, of dat de wortels daarvan veeleer elders gezocht moeten worden en dan met name in het Woord alleen. U zult begrijpen: stof voldoende om hopelijk elkaar iets aan te reiken dat van belang is. Wel maak ik de aantekening, dat deze artikelen van pastorale aard zullen zijn. De theologische onderbouwing hoop ik niet uit het oog te verliezen, maar de nadruk zal daarop niet vallen. Mij is gevraagd om het praktisch en pastoraal te houden.
Een geliefd onderwerp
Men kan geen eeuw van de christelijke jaartelling bedenken of men heeft zich wel bezig gehouden met het geloof, de verzoening, de rechtvaardiging Van de goddeloze door het geloof, de heiligmaking en de heerlijkmaking. Vrijwel iedere generatie heeft hierover steeds opnieuw nagedacht. De belangrijke stukken van wat wij belijden stonden centraal. Men zou vele boeken vol kunnen schrijven, hoe hierover op een juiste en onjuiste manier is nagedacht en gesproken. Men heeft verstaan waarom het ten diepste in het belijden ging, maar ook vele misverstanden zijn er dienaangaande geweest. Om het belijden recht te verstaan was er steeds opnieuw een grote worsteling. Dit zou men eveneens kunnen zeggen van de vroomheid. Op velerlei manieren heeft men de eeuwen door het begrip 'vroomheid' inhoudelijk gevuld. Soms zelfs erg subjectivistisch. De mens was maat en norm. Een vroomheid ontstond die met de Schrift niets meer te maken had, haar wortels daarin niet vond en om die reden bloedloos was. Doch let wel: zo is niet alle vroomheid geweest. Wij zijn nog wel eens geneigd om allerlei uitwassen meer naar voren te halen dan het goede en het positieve dat er is geweest. Daarom stel ik direkt dat er door de eeuwen heen ook oprechte vromen zijn geweest die de wortels van hun vroomheid niet hebben gezocht in zichzelf, maar in het Woord. En dat in de kerk 'vroomheid' altijd een geliefd onderwerp is geweest, daarvoor leze men de kerkgeschiedenis.
Opvallen
Als wij nu louter en alleen op de woorden 'vroom' en 'vroomheid' een ogenblik letten, valt het ons op, dat het in de Bijbel niet zo vaak voorkomt. En als het wordt gebruikt, dan nog voornamelijk in het Oude Testament. Het Nieuwe Testament gebruikt andere woorden. Te denken valt o.a. aan Godvruchtig en Godvruchtigheid, Godzalig en Godzaligheid. Woorden en zaken die aan vroom en vroomheid doen denken, hoewel zij toch ook nog een andere notie bevatten. Hierop kom ik later nog wel terug.
Goedgeteld komen wij in het Oude Testament het woord 'vroom' veertien keer tegen en het woord 'vroomheid' slechts één keer, met name in Psalm 25 : 21. Daarbij moeten wij bedenken, dat het woord 'vroom' nog wel eens een andere betekenis kan hebben. Wanneer de broeders van Jozef zeggen: Wij zijn vroom, willen zij daarmee aangeven dat zij eerlijke lieden zijn. Volgens Van Selm moeten wij hieraan niet al te veel religieuze waarde hechten. Wanneer wij daarentegen van Job lezen dat hij een vroom en godvrezend man is, dan heeft het woord 'vroom' de betekenis van onberispelijk. Bedoeld is: onberispelijk in zijn gedrag tegenover God en de mensen.
Uit het bovenstaande zal ons wel duidelijk zijn alleen al op grond van het feit dat wij de woorden vroom en vroomheid weinig tegenkomen dat het niet een centraal-bijbels thema is zoals bijvoorbeeld 'gerechtigheid'. Dit woord en deze zaak komen wij tientallen keren in de Schrift tegen. Echter al komen de woorden dan niet veel voor, de zaak zelf komen wij in de Schrift regelmatig tegen.
Ingeburgerd
Naast woorden als religie en geloof zijn woorden als vroom en vroomheid in ons taalgebruik ingeburgerd. Aan deze woorden is zelfs een eigen waarde toegekend. Als oorzaak is hiervan te noemen dat religie en geloof als uitgeholde woorden werden beschouwd en men in een woord als vroomheid meer gehalte opmerkte. Van origine heeft het woord vroomheid eigenlijk helemaal geen specifieke religieuze betekenis. In het Middelnederlands taalgebruik heeft het de betekenis van: dapper, flink of ook wel rechtschapen. Ds. S. van der Linde merkt hierover op, dat het doet denken aan de Germaans-Frankische levenstoon. Deze toon liet zich ook in de kerk gelden. Men pleitte voor een verinnerlijkte, vergeestelijkte levensstijl. Dit alles uit protest 'tegen de geest der eeuw'. Men kwam op voor een radicaal-christelijke levensstijl, daarmee protest aantekenend tegen een gezapig en burgerlijk christendom. Deze radicale christelijke levensstijl werd gekenmerkt door devotie en een zeker ascetisme. Zo ontstond er een voortdurende strijd tussen 'preciesen en rekkelijken'.
Niet beperken
De voortdurende strijd tussen 'preciesen en rekkelijken' moeten wij intussen niet beperken tot een bepaalde periode in de kerk of tot een bepaalde denominatie. In de loop er eeuwen zijn er in de christelijke kerk vele denominaties geweest. Ik denk aan de Donatisten, Spiritualen, Dopers, Puritanisme en Piëtisme. Onderling verschillen deze denominaties nogal van elkaar. Soms staan zij zelfs haaks op elkaar. Niettemin is hun vroomheidsideaal één en dezelde. Zij zijn een horzel wat dat betreft in de pels van een christelijke kerk geweest. Hun grote verdienste is geweest, dat zij de kerk op haar feilen heeft gewezen. Wanneer er in de kerk van wereldgelijkvormigheid sprake was òf wanneer er verkilling en vervlakking zich voordeden, lieten zij hun waarschuwende stem horen. Meestentijds is hem dat niet in dank afgenomen. Zij werden gehouden voor muggenzifters, femelaars, zwaren. Ook moesten zij nogal eens horen, dat zij huichelaars waren. Dat was werkelijk niet altijd terecht. Want ten diepste deden zij niet anders, dan kerk en gelovigen te vragen om inderdaad te geloven, wat zij zeiden te geloven. De rechte leer behoorde in overeenstemming te zijn met het rechte leven. Hierin mocht geen discrepantie bestaan. Het geloven op zondag moest hetzelfde op maandag, dinsdag, etc. zijn.
Terecht werd er opgekomen voor de blijvende betekenis van Gods wet voor het leven uit het Evangelie. Christus had immers de wet niet afgeschaft, doch die vervuld. De wet behoorde dus een grote plaats in te nemen in het leven der gelovigen. De geboden Gods moesten een plaats hebben niet alleen in het persoonlijk leven van de gelovigen, maar zij behoorden het ook voor het zeggen te hebben in de kerk en in de maatschappij. Overal diende de wet Gods gehoorzaamd te worden.
Ontsporingen
Het is te prijzen dat al die denominaties zijn opgekomen voor de handhaving van Gods wet. Tengevolge daarvan noopten zij de kerk om zich voortdurend te bezinnen op de rechte leer en het rechte leven. Toch zijn ze in hun vroomheidsideaal ook wel ontspoord. De eerlijkheid gebiedt mij neer te schrijven, dat zij niet altijd vrij van wettische ontaardingen bleven, zodat zij die een vurig pleidooi voerden voor de handhaving van Gods wet werden gehouden voor benepen en bekrompen mensen. Ook speelden de niet-theologische factoren daarin een rol. De weigestelden leefden doorgaans wat royaler en onbevangener dan zij die het niet zo breed hadden. De maatstaven van laatstgenoemden lagen daarom anders, kleinschaliger. Andere normen dan zij aanlegden waren er niet en wie niet aan hun normen beantwoordde werd voor werelds en goddeloos gehouden. Hopelijk verstaan wij dat dit niet altijd zo behoeft te zijn. Er bestaat ook nog zoiets als christelijke vrijheid, waarin ons een bepaalde ruimte is gegeven. Het gaat er maar om dat die ruimte valt binnen de kaders van Gods goede wet.
Maar er is nog iets waaraan wij aandacht moeten besteden. Wanneer wij maatstaven aanleggen, kunnen dit alleen maatstaven zijn die opkomen vanuit het Woord. Dat zijn objectieve maatstaven, ons van Hogerhand gegeven. Ik wil hiermee zeggen, dat maatstaven die opkomen uit ons hart altijd subjectief gekleurd zijn, waardoor wij onszelf en anderen in een dwangbuis kunnen brengen. Hiervoor mochten wij allen bewaard blijven!
Niets nieuws onder de zon
Intussen is er niets nieuws onder de zon. Wat in de kerkgeschiedenis valt op te merken aan ontsporingen, die zijn er vandaag nog. De mens, ook de gelovige of bekeerde mens legt zijn eigen maatstaven aan. Het gevolg daarvan is dat er gezegd wordt: 'die behoort niet bij ons, want die denkt niet zoals wij denken of die doet niet zoals wij doen'. Soms wordt dit gezegd op grond van allerlei uiterlijke dingen. Voor wettische ontaarding moeten wij maar oppassen. Deze heeft niets te maken met de Bijbelse vroomheid, maar wel alles te maken met de 'vrome' mens die de maat van alle dingen is. Het is een teken van vroomheid, wanneer wij elkaar binnen de kaders van de Schrift een zekere vrijheid laten en elkaar om details niet verketteren!
G. S. A. de Knegt, P.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's