De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

7 minuten leestijd

Dezer dagen kreeg ik onder ogen een in 1932 uitgegeven boek (herdrukt in 1977) van de bekende organist Jan Zwart, getiteld Van een deftig orgel. Het werd, met een voorwoord van de hervormde kerkvoogdij van Maassluis, uitgegeven omdat het op 4 december 1932 tweehonderd jaar geleden was, dat Govert van Wijn het orgel schonk voor de Grote Kerk te Maassluis. Feike Asma bespeelde ook jarenlang dit Garrelsorgel (ontwerper was Rudolf Garrels). De geschiedenis van dit orgel passeert in dit boek de revue, mèt de organisten die het orgel bespeelden. Uit dit boek nu enkele fragmenten:

• Een instructie van de organist David Woerlee
(toen hij nog organist in Zaltbommel was)

Art. 1.
Zal gehouden zijn voor, tusschen, en na de predikatie des zondags en in de week, gelijk ook alle Feest-, bededagen, en bedestonden de Psalmen of andere Gezangen, welke door de Predikant of voorzanger opgenoemt worden, met allen bescheijdentheyd en duydelykheyd te speelen.

Art. 2.
Op alle welke tijden hij zig vroegtijdig op het orgel zal vervoegen, en voor het eerste zingen ten minsten twee vaarsen speelen van die Psalm, welk als dan zal gezongen worden.

Art. 3.
Zal telkens bij het uijtgaan van de kerk, na dat de Zeegen gesprooken is, geduurende een kwartier uurs eenige musicale stukken, psalmen of andere gezangen moeten na speelen.

Art. 4.
Zal wekelijx des donderdags snamiddags van drie tot vier uuren of op zodanigen tijd als hem door de Magistraat zal worden geordonneert een uur op het Orgel speelen, met ope deuren.

Art. 5.
Zal gehouden zijn het orgel naar behooren te onderhouden, en te stemmen of accorderen, en eenige defecten ondekkende dezelve aanstonds aan den Heere regerende Burgems- bekent maaken.

Art. 6.
Zal den dienst in persoon waarnemen, en niemand mogen substitueeren, of op het orgel speelen laaten, dan met permissie van den Magistraat, ook niet toelaten dat eenige Jongens op het orgel koomen, en door den zelve schaade aan het orgel wordt toegebragt.

Art. 7.
Als klokkenist zal hy gehouden zijn wekelyx Dinsdags en Vrijdags des voormiddags van tien tot elf uuren de klokken opde klyne tooren te bespeelen, voorts op andere daagen die den Magistraat mogte goedvinden.

Art. 8.
Zal ook de tonnen van het horologie op de klyne tooren met bekwame en melodieuse voorspeelen voorzien, en daartoe de trom versteeken, en dezelve voijsen ten langsten alle drie maanden veranderen, met voorkennisse van den Heere regerende Burgemr in der tijd.

Art. 9.
Ook zal hy goede opzicht neemen over het voorsz. horologie en klokken, ten eynde dezelve wel worden behandelt en geregeert, mitsgaders metsmeeren onderhouden; en iets bevindende dat gerepareert behoort te worden daarvan ten spoedigste kennisse geven aan den Heere President Burgems.

Art. 10.
Zal op eijgen authoriteit, geene verandering, moogen maaken aan stoelen, clavieren, pedalen, als anders, ook geen eyserdraat van de clavieren afneemen, of onbruykbaar maaken maar alles in een behoorlijken staat laaten.

Art. 11.
Zal nietbuyten de Stad moogen gaan als met consent vanden Regerende burgemeester.

Art. 12.
Eyndelyk zal hy ook gehouden zijn eens ter week zonder eenige ontgeltenis waar te neemen het Musiecq Collegie, waartoe hem orders zullen worden gegeven door de Magistraat dezer Stad.

Art. 13.
Behoudende de Magistraat aan Zig de faculteit om deeze ten alle tyden te veranderen naar goedvinden.


• De organist Joachim Hess (gest. 1753) over 'draaien en krullen':

'Ik denk er aldus over dat men steeds in 't oog moet houden, om de zingende Gemeente te accompagneren, door een statig en harmonieus accompagnement; maar niet de melodij enkelvoudig, en dan bij elke noot eenige krullen of loopjes maken, om daardoor elken zanger aan te moedigen, in ellendig gedraaide toonen, waarin dikwerf de een boven den anderen tracht uit te munten; een smaak, die zoo veel onkunde verraadt, als ouderwetsch is…'

En wat de zachte tussenspelen aangaat:

'Ware men meer indachtig, het oogmerk van het tusschenspel, men zou dikwerf verstandiger te werk gaan. De tusschenspellen dienen, om de zingende gemeente, op eene duidelijke en regelmatige wijs, van den toon der laatstgezongene lettergreep, op te leiden, tot den toon welke moet volgen; maar hiertoe is een zagt geluid, vooral in groote gemeenten, niet toereikende; ik vinde het zelfs onstichtelijk en onnatuurlijk…'. 'Dikwijls begint de Organist zijn tusschenspel, terwijl er hier en daar met luider keele nog een nazingt, zoo, dat de spotlust, zich dikwerf, naauw'elijks kan inhouden. Buiten dit, kan ook het locale, het spelen van zachte interludiums bedenkelijk maken, welke uit hoofde der grootte, een zoo sterke nagalm van het zingen en ook zelfs van het geluid des orgels, veroorzaken kan, dat de zachte tusschenspellen in die verwarring veeleer evenaren, aan het gespeel van een aardig kermisorgeltje…'

• Het orgelspel als tijdverblijf (volgens W. J. van Zeggelen, 1855):

'Dat orgelspel al lang tot de publieke vermakelijkheden behoorde, waarbij het nogal ongegeneerd toeging, blijkt uit wat in 1641 Constantijn Huygens er op aan te merken had, als hij het een schande voor het kerkgebouw achtte als Tempel Gods, dat 'Orgelgheschall' op avonden en in halfverlichte kerken, waarbij de kerk meer op 'n publiek marktveld geleek, waar het alleen nog ontbrak aan kramen, dan op een huis des gebeds en waarbij men maar raden moet wat er zich 'onder een gestaag geluid des orgels' alzo afspeelt in donkere hoeken, zó dat het te duchten ware dat de Heer nog eens zich werpe in den roverskuil onder de verkopers en de kopers.
Ook in 1855 nog had het orgelspel in de publieke kerk nog niet de nodige kunstwaardering en was het maar een stukje tijdverdrijf, getuige dit citaat uit W. J van Zeggelen's 'Orgelconcert':

'Maar wie geen plaats vindt, loopt maar rond,
Dat zijn ze hier gewoon;
Beweging, zegt men, is gezond
En 't geeft een vrijen toon.
Men lacht en praat en schuifelt voort,
En lispelt een beminlijk woord
Met hem of haar die ons verzelt
En ons wat liefs vertelt.
Maar wordt er van het orgelspel,
Wel bijster veel gehoord…?'

Geen wonder dat in sommige kerkelijke kringen nog de tegenzin leeft in alles wat kerkconcert heet en dat onze vroegere stadsorgels geen zó algemeen gemeenschapsbezit meer zijn voor het muziek-horen zoals in vroeger dagen. Van ouder op jonger wordt daar nog steeds het oude zeer gevoeld der pijnlijke schrijningen die het vroegere kerk- en orgelgebruik veroorzaakte tussen godsdienstige overtuiging en wereldse onverschilligheid.
Gelukkig echter dat we sedert de dagen van Blank, een eeuw later, wat orgelmuziek-smaak betreft, op vooruitgang mogen bogen en niet meer (misschien een kleine uitzondering daargelaten) getrakteerd believen te worden op de grappen en grollen waarvan het volgende rijmsel spreekt:

'Vóór honderd jaren en nóg minder
Had niemand last of hinder
Als daar een orgel kwam
met op zijn speelprogram:
'De Slag bij Waterloo', – 'bij Doggersbank',
Of 'Scène-pittoresq'-geklank
Waarbij elks bloed in d' ader stolde
Op 't hooren hoé de donder rolde
Uit veldkanon en scheepsgeschut;
Of bliksem sloeg in huis en hut,
Waarboven stormwind tierend gierde,
Verwoesting, jammer, hoogtij vierde;
Waarbij gerild werd en gebeefd,
Waarin gewond werd en gesneefd,
Waarin pistool-, geweergeknal
Gevolgd werd door tromfgeschal;
Waarin de noodklok klepte,
't Geredde landvolk 'step'-te;
Waar haangekraai en nacht'gaal-slag
Verkondigen den vóór- en ná den middag-dag;
Waarin op velerlei van tonen
Zo Englen zongen als Demonen.'


In het jaarverslag van de GZB over 1987 staat het volgende overzicht van de 'inkomsten uit de kerk'.

Het totaal van de inkomsten uit de kerk bedroeg in 1987 ƒ 5.408.580. De begroting bedroeg ƒ 5.300.000, zodat de inkomsten 2% boven de begroting lagen. In 1986 bedroegen de inkomsten uit de kerk ƒ 5.253.760, zodat er sprake is van een stijging met 3% ten opzichte van het vorige jaar. De toename van de inkomsten heeft betrekking op vrijwel alle bronnen van inkomsten, waarbij vooral de opbrengt van de collecten uit de gemeenten een positieve ontwikkeling tonen.

De volgende statistiek geeft een beeld van de ontwikkeling van de inkomsten uit de kerk sinds 1970. Om de cijferreeks overzichtelijk te houden, zijn de inkomsten over de jaren vóór 1981 met intervallen van vijf jaar vermeld.
[Zie tabel]

b. Winst op verkoopartikelen
De brutowinst op verkopen van de kalenders bedroeg ƒ 360.902 (1986 ƒ 410.913). Het aantal verkochte kalenders was in 1987 iets minder dan in het voorgaande jaar. Door bijzondere omstandigheden lagen de produktiekosten in 1986 op een laag niveau.

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's