Raadselen inzake het Godsbestuur
In de dogmatische bezinning wordt geen ruimte gelaten voor vertwijfelde vragen. Daarvoor is de dogmatiek niet. De dogmatiek verwoordt de leer aangaande de dingen die onder ons volkomen zekerheid hebben. Zo belijdt onze confessie bijvoorbeeld van de kerk dat ze is 'een heilige vergadering van ware Christusgelovigen, al haar zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld zijnde door de Heilige Geest'. Of een mens hoogst persóónlijk dit antwoord be-aamt is hier niet aan de orde, dat is een andere kwestie. Zó ondubbelzinnig belijdt de belijdenis wat de kerk ten diepste is. Maar een mens kan zich vertwijfeld afvragen of hij zó wel tot de kerk des Heeren behoort. Is dat niet te hoog gegrepen? Dan hebben we echter Goddank ook nog zondag 21 van de Heidelberger, waarin het gaat over de vraag wat we van de kerk geloven, waarop dan geantwoord wordt, dat de kerk resultaat is van het kerkvergaderende werk van de Heilige Geest. Het komt er op aan, dat ik van die kerk een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven'.
Zo belijdt de Heidelbergse Catechismus ook ondubbelzinnig het Godsbestuur, de voorzienigheid. Door Gods alomtegenwoordige kracht is de wereld geschapen en zo onderhoudt de Schepper haar ook en regeert Hij haar, 'zó dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede niet bij geval maar van Zijn Vaderlijke hand ons toekomen.' Ook hier geen ruimte voor vertwijfelde vragen maar ondubbelzinnige belijdenis van Gods heerschappij over het leven. Maar dat betekent niet, dat een mens met deze belijdenis soms niet danig in de knoei kan komen. Niet zodra slaan namelijk de kwade dagen toe in het leven van een mens of de vragen omtrent Gods Vaderlijke hand kunnen torenhoog oprijzen. Maar als dan de dogmata en de belijdenis naar hun áárd, die ruimte niet in zich hebben, dan geeft de Schrift zélf op menige bladzijde de voorbeelden van de vragen, die door aangevochtenen gericht worden aan het adres van de Almachtige en de Eeuwige. Zó zelfs dat Job spreekt over de Almachtige, die zijn ziel bitterheid heeft aangedaan (Job, 127: 2).
Psalm 73
Zo is met name Psalm 73 een voorbeeld van een existentiële kermer.
Een man, die nijdig wordt als hij ziet dat de goddelozen vrede hebben. Hij ziet mensen, die niet in moeite zijn als andere mensen.
Mensen die intussen een kleed van geweld dragen, die anderen uitmergelen en verdrukken.
Mensen die een grote mond opzetten tegen de hemel.
Mensen die verachtelijk vragen wat de Allerhoogste er allemaal nogwel van ziet.
En toch, aldus de verzuchting van Asaf, deze mensen hebben rust in de wereld. En ze vermenigvuldigen het vermogen. En Asaf zelf? De hele dag door wordt hij geplaagd. Zijn bestraffing is er elke morgen.
Ach, ieder kent deze psalm zó goed, dat verder weergeven ervan niet nodig is. We kennen ook het totdat: 'totdat ik in Gods heiligdommen inging en op hun einde merkte'. Want al die mensen, die weelde, voorspoed, vrede hebben, bevinden zich op gladde plaatsen. In een ogenblik worden zij tot verwoesting. 'Gij roeit uit allen die van U af hoereren' (vs. 27).
Nu kunnen we deze psalm kennen, maar existentieel, bevindelijk kennen is nog wat anders. Ongetwijfeld herkent menig kind van God in deze wel zeer toegespitste psalm eigen levensvragen voor Gods Aangezicht. Zijn of haar weg ging niet over rozen. Er was en is verdrukking van buiten en van binnen. Terwijl bij anderen altijd de zon schijnt (of lijkt te schijnen) is er bij hen tegenslag op tegenslag.
Maar dan moeten we eerlijkheidshalve toch de vraag stellen: is dit het algemene beeld van de kerk en van de christenheid in onze situatie vandaag?
Soedan
Ik las Psalm 73 dezer dagen in het licht van de rampen, die zich momenteel in bepaalde delen van de wereld voltrekken, met name in Soedan. Dan dient zich een nieuw patroon van vragen aan, ondanks onze kernachtige en onopgeefbare belijdenis inzake Gods almacht en voorzienigheid. Vragen, die we met Asaf tot de hemel mogen opzenden.
In Soedan heeft men de grote droogte, met de vele slachtoffers, nog niet achter de rug of er dienen zich grote overstromingen aan, met eveneens duizenden slachtoffers, hetzij direct, doordat Gods golven en baren over dat arme volk heen sloegen, hetzij indirect, doordat nu epidemische ziekten gaan toeslaan. Regen en droogte van Gods Vaderlijke hand?, vraagt dan een bewust levend mens, die de beelden op zich af krijgt. Hoe zit dat dan? En dan leg ik er ook Psalm 73 nog eens naast. Daarin gaat het toch over de goddelozen, die vrede hebben en in weelde leven, terwijl 'mijn' (Asafs) 'bestraffing' er elke morgen is? Wat betekent hier 'mijn'? Wat betekent het dan om in het heiligdom in te gaan, in Gods heiligdommen?
Wij, in het Westen, in de ontwikkelde en hoog technische wereld, baden in weelde.
Wij dragen het kleed van onderdrukking zelfs, omdat we de derde Wereldlanden de eeuwen door de goederen en de arbeid voor onze welvaart hebben laten leveren, terwijl we die volkeren niet of nauwelijks in de vruchten ervan deden delen. Als het gaat om 'uitmergelen' dan geldt dat meer van rijke landen in het Westen dan van de arme landen in de tweederde wereld.
Maar vooral wij hebben gevraagd wat de Allerhoogste er nu in feite van afweet, wat Hij nog ziet van onze goddeloosheden.
Wij zijn in Godloosheid en in toenemende goddeloosheid onze weg gegaan. En we zien wat ervan gekomen is.
Wij, bekend als we zijn met de inzettingen en rechten des Heeren, hebben de wet des Heeren willens en wetens geschonden.
Wij – om slechts één voorbeeld te noemen – laten toe dat via de media de Naam van de Allerhoogste op tal van wijzen wordt gelasterd en dat, wanneer gepoogd wordt daaraan een halt toe te roepen door een gedragscode voor de omroepen op te stellen, er een hooghartig 'neen' komt van de zijde van de omroepbazen, verwoord door de man, die ooit in synodale kringen van de Hervormde Kerk wat te zeggen had.
Wij hebben ruimte geschapen voor goddeloze levenspraktijken, die de mensen in de tweederde wereld, die intussen óók het Evangelie van Christus als bevrijdend en normgevend hebben ontvangen en ervaren, absoluut niet begrijpen. Het is mij diverse malen overkomen, dat mensen in die landen zich verbaasd afvroegen hoe wij in het christelijke Westen leven konden zoáls wij leven. Hebben wij dan de wetten van God niet, of niet serieus genomen?
Nee, als het er dan om gaat dat Asaf, als hij in Gods heiligdommen is ingegaan, op het einde ging letten van hen die weelde, voorspoed of vrede hadden, terwijl ze hun goddeloze praktijken uitleefden, dan is er alle reden om te vragen; zijn wij het Heere?
Wie wordt geplaagd?
En dan dringt toch de vraag wie er in onze tijd elke dag geplaagd worden. Waarom is de bestraffing er elke morgen in de arme landen; door droogte of door regen, door honger of door armoede, door politiek instabiel bewind of door technisch onvolwaardige voorzieningen tegenover rampen, waartegen wij, onder de zegen van het voorzienig bestel des Heeren, gewapend mogen en kunnen zijn?
Juist dáár, in die geplaagde landen is er reden om uit te roepen: mijn bestraffing is er elke morgen. En wij hier, hoe existentieel we ook lijden kunnen aan de noden in de Wereld, aan de rampen, de oorlogen, de vele doden, die van dag tot dag vallen, wij mogen ons afvragen of wij niet vallen onder 'der goddelozen vrede'.
Wij belijden dat we rechteloze mensen zijn en dat we de minste van Gods weldaden verbeurd en verzondigd hebben. Maar juist als we dit belijden komt de vraag naar ons toe of wij, in welvaart, vrede en rust levende, dan tòch meer recht zouden hebben op Gods weldaden dan die volkeren, die ramp op ramp ondergaan. Zouden we niet juist moeten zeggen dat wij hier, in het ooit christelijke Europa, de oordelen verdienen, juist vanwege het feit dat we ontrouw zijn geworden aan wat ons aan geestelijk goed is geschonken vanaf het moment, dat God met onze begonnen is in het begin van onze jaartelling?
Het einde
Ik lees dan Psalm 73 nog een keer. Toen Asaf in het heiligdom inging lette hij op het einde van de vrede en de weelde van de goddelozen. Zouden juist onze vrede en onze weelde niet een Godsoordeel kunnen zijn? Er is bij ons geen verdrukking, geen bestraffing meer. Onze weelde ervaren we als 'geluk'. Bij alle zonden echter, die we als bijbelgetrouwe christenen in onze tijd weten te noemen, laten we het baden in de weelde gemakshalve maar buiten beschouwing. Maar hier kan het oordeel wel eens juist bij het huis Gods beginnen.
We komen niet klaar met het Godsbestuur. Totdat we in Gods heiligdommen ingaan. Daar leren we dat God de Zijnen leidt door Zijn raad. Maar dat betekent ook dat we daar en zó zondag 10 van de Heidelberger in het gelóóf leren verstaan, met toepassing op eigen leven en niet met toepassing op het leven van anderen, ook niet op dat van andere volkeren, die ervaren moeten dat de bestraffingen er elke morgen zijn.
De ramp in Soedan en de rampen in de wereld in het algeméén doen ons slechts vragen: waarom wij niet? Want het is toch buiten Gods orde dat Zijn kinderen buiten de bestraffing blijven? De Vader, kastijdt wie Hij liefheeft. En het is een bijbelse vraag of we wel zonen zijn als we buiten die kastijding blijven. Zijn we dan soms bastaarden?
Persoonlijk en gemeenschappelijk
Ieder mens leeft persoonlijk voor Gods aangezicht. Ieder mens ervaart ook persoonlijk wat hem in de eigen vertrouwde kring als lijden overkomt. Als zodanig heeft Psalm 73 ook vandaag een hoogst persoonlijke, innerlijke en zo bevindelijke dimensie in de vragen, die een mens kan hebben omtrent het Godsbestuur, vragen waarin het 'waarom' niet ontbreekt maar een gerichte spits krijgt.
Maar we leven als mensen ook in een (wereld)-samenleving. Daarom konden de ouden, in boetepreken, die ze hielden (bijvoorbeeld op bid- en dankdagen), waarschuwen voor Gods oordelen, die over land en volk zouden komen wanneer het volk Gods inzettingen en geboden verliet. En Gods volk leerde de zonden van het volk mijden en de oordelen Gods aanbidden.
Vandaag leven we als wereldburgers en zijn de rampen ver weg ònze rampen. Soedan ligt om zo te zeggen dicht bij Nederland. Vandaar dat de vragen omtrent rampen in de wereld zich verdichten tot vragen dichtbij en dat de belijdenis van zondag 10 en de vragen van psalm 73 zich verwijden tot wat in verre gewesten van deze wereld geschiedt.
Is er een antwoord? 'Totdat ik in Gods heiligdommen inging. En op hun (ons) einde lette'. De godvruchtige leert in dat heiligdom belijden, tot in het diepst van zijn bestaan, op één hoop geworpen te zijn met de wereld, 'beestachtig' te zijn (vs. 22).
We zien het anders wel maar doorgronden het niet. Al blijft de vraag hoe hier de dogmatiek bij de menselijke existentie komen kan.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's