De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verliezen wij de vroomheid? (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verliezen wij de vroomheid? (2)

11 minuten leestijd

Ik pleit voor een gezonde vroomheid. Wat ik daaronder versta hoop ik nog wel verder uit te werken. Nu reeds stel ik dat het niet een extra van het geloof is, maar dat dit helemaal tot het geloof behoort. Wel heb ik in het vorige artikel reeds gesteld, dat een bepaalde vroomheid, wanneer zij opkomt uit het hart van ons mensen, kan ontaarden in wetticisme tengevolge waarvan op alle slakken zout gelegd kan worden. De evangelische vrijheid binnen de kaders van de Schrift en in overeenstemming met de belijdenis van de kerk is dan ook ver te zoeken. Een wettische ontaarding van de vroomheid houdt, zoals ik een vorig keer heb aangetoond, grote gevaren in zich. Zowel in het verleden als in het heden kon en kan men deze gevaren signaleren. Heel gemakkelijk ontstaat namelijk door een wettische ontaarding het gevaar van club- of groepsvorming in de kerk. Wanneer op ondergeschikte punten niet wordt gedacht zoals men meent dat gedacht moet worden, trekt men zich terug in een bastion en verliest daardoor het zicht op de gehele kerk. Er treedt een bewustzijnsvernauwing op, waardoor men zich alleen nog maar thuisvoelt in een club van gelijkgezinden. Doch laten wij wel zijn: de kerk is méér dan een club óf een groep. Zij is het lichaam van Christus. In dat lichaam is verscheidenheid, ook verscheidenheid van geestelijke gaven. Men leze daarvoor I Korinthe 12. Die verscheidenheid mag er zijn, omdat zij een bijbels legitieme zaak is. Wanneer deze niet meer erkend wordt, is het niet verwonderlijk dat er binnen de kerk aan clubvorming wordt gedaan. Een gevolg daarvan is dat men zich torenhoog vanwege zijn vermeende vroomheid gaat verheffen en de hoogmoed van alle zijden eruit puilt. Wat bevruchtend zou kunnen werken, wordt in een vrieskast opgeborgen óf alleen aan de eigen groep dienstbaar gemaakt. Maar zo heeft de Heere niet bedoeld dat wij in het midden der kerk zouden staan. Ik denk trouwens ook wel eens dat de malaise in de kerk niet alleen een gevolg is van saecularisatie of welke andere oorzaak ook, maar dat niet minder wij zelf hiervan een oorzaak zijn, vanwege het feit dat wij vaak zulke ongeestelijke mensen zijn, omdat een wettische ontaarding ons parten speelt. Ontbreekt het ons vaak ook niet aan liefde voor het geheel van de kerk en dientengevolge aan een waarlijk mededogen, wanneer wij constateren dat allerlei leer wordt aangetroffen die wij zo niet in de Schrift en de belijdenis van de kerk terugvinden. Ik moet nog wel eens aan onze oudvoorzitter ds. W. L. Tukker terugdenken. Met hoeveel liefde heeft hij in het geheel van onze kerk gestaan. Met welk een warmte heeft hij over de kerk gesproken in de afscheidsdienst te Groot-Ammers, daarbij heel goed wetend wat er aan zonde en afdwaling en goddeloosheid in de kerk wordt gevonden. En toch… de kerk had hem zoveel gegeven. Dat de kerk ons zoveel heeft gegeven en nog altijd geeft, dat moesten wij allemaal veel meer bedenken. De Heere geeft ons in de kerk o zoveel! Veel meer dan wij ooit aan de kerk kunnen geven. Alle strijd om beuzelingen zou verdwijnen, wanneer dit – naar ik meen – meer bedacht en betracht zou worden. De worsteling om het rechte belijden en beleven zou dan ook veel meer tot zijn recht komen. Club- of groepsvorming binnen de kerk kent deze worsteling niet. En wat de vroomheid betreft: dit is toch een teken van vroomheid, wanneer wij in hoofdzaken elkaar vasthouden en in details elkaar niet om de oren slaan. Petrus en Paulus, Barnabas en Paulus hebben evenmin in alle dingen hetzelfde gedacht, maar zij hebben elkaar niet losgelaten, maar bij alle verscheidenheid en ondanks een korte tijd van scheiding, elkaar vastgehouden!

De gereformeerde gezindte
Wat ik hierboven schreef ten aanzien van ons staan en werken in het geheel van de kerk, geldt evenzeer voor onze gereformeerde gezindte. Helaas – maar ik ontkom er niet aan – moet ik neerschrijven, dat er juist onder ons zoveel polarisatie is. In plaats van een zoutend zout en een lichtend licht te zijn in een ten ondergaande wereld, zijn wij bezig meer de oren van elkaar te wassen dan de voeten. Het lijkt soms wel alsof Johannes 13 niet in de Schrift staat geschreven, evenmin als I Korinthe 13. Terecht zeggen wij fervente tegenstanders van alle Striftkritiek te zijn. Maar dan moeten wij wel de hele Schrift op ons in laten werken, dus ook de zojuist genoemde hoofdstukken uit de Schrift. En met op ons in laten werken, bedoel ik tevens: in de praktijk brengen. Nu zijn wij soms zo geesteloos en onvroom bezig. Wat bij elkaar behoort, valt uiteen of is reeds uiteengevallen. En was het nu altijd maar om wezenlijke zaken, zo zou dit terecht zijn. Maar ook hierin moet ik eerlijk zijn: dit is bepaald niet altijd het geval. Het gebeurt dat van de bijzaken hoofdzaken worden gemaakt. En dat alles onder de naam van gereformeerd. Tengevolge hiervan ontstaan er weer allerlei organisaties waarvan de één nog gereformeerder is dan de andere. Ik vraag mij niet alleen af óf dit alles wel juist is, maar of dit alles ook ingegeven wordt door het bijbelse geloof i.c. de bijbelse vroomheid. Ik wil mijn mening direkt voor beter geven, wanneer ik denk dat soms hele wereldse maatstaven hierin een rol spelen en dat het soms meer om een prestige-kwestie gaat en zelf de eerste viool willen spelen, dan dat het gaat om de ere Gods en het behoud van de zielen. Het is intussen wel een zeer jammerlijke zaak. Twee dingen worden er namelijk vergeten. In de eerste plaats wordt er vergeten, dat er in de gereformeerde gezindte altijd een zekere verscheidenheid is geweest. Wie bijvoorbeeld het artikel van dr. C. Graafland leest in 'Beproefde Trouw' zal dit duidelijk worden. En wanneer ik de gereformeerde gezindte een ogenblik beperk tot die in de Ned. Hervormde Kerk, zal weten dat die gezindte niet altijd op alle onderdelen het met elkaar eens is geweest. In geschrift en gesprek kon men soms fel met elkaar omgaan. En toch… men heeft elkaar vastgehouden en terwille van het rechte belijden en beleven van de waarheid Gods elkaar niet losgelaten. En dit is wel zeker: hoe verschillend men ook dacht, ot club- of groepsvorming – apart van het geheel – wilde men niet overgaan. Men had elkaar nodig. Er ging een bevruchtende werking daarvan naar elkaar uit. Min of meer werden die verschillende gedachten ook geïntegreerd in het geheel. Ik ga ons voorgeslacht niet op een verhoging zetten, niettemin denk ik dat wij van hen in onze tijd nog wel het één en ander kunnen leren, ook in de stijl van het omgaan met elkaar. Waarachtige vroomheid kent vele facetten. Eén van die facetten is toch ook, hoe wij met elkaar omgaan in de kerk, in de gemeente, in de onder ons bekende organisaties. Een vakbondsmentaliteit zoals die b.v. van het F.N.V. past ons niet. Dat is een puur wereldse mentaliteit en een gevolg hiervan wanneer vroomheid uitloopt in een wettische ontaarding. Dan is alleen nog maar de 'vrome mens' aan het woord, die de messen heeft geslepen om alles weg te snijden wat met zijn denken en doen niet in overeenstemming is. En als men mij vraagt of er dan geen zorgen zijn om het rechte belijden en beleven juist binnen onze gezindte, zeg ik volmondig: ja. De vraag is dan wel, hoe wij met deze zorgen omgaan. Schrijven wij direkt af wat in ons straatje niet past òf gaan wij naast de ander staan en vindt er een pastoraal gesprek plaats, daarbij de stijl van omgaan met elkaar in het oog houdend. In zo'n pastoraal gesprek mogen dan waarlijk wel de zaken recht en duidelijk worden gezegd, maar de wijze waarop dit gebeurt is wel van belang. Ik wil wat dit betreft echt niet alles aan stijl ophangen, toch denk ik dat een goede stijl jegens elkaar niet gemist kan worden. Het voorbeeld van de Heere Jezus tijdens Zijn omwandeling op aarde hierin moet maar door ons nagevolgd worden. Trouwens, er valt voor ons ook wel iets te leren van anderen in de kerk die doorgaans meer stijl laten zien in omgang met andersdenkenden dan wij. Dat moet ons beschamen!

Schleiermacher
Na een flinke uitstap gemaakt te hebben, direkt en indirekt in verband staande met ons onderwerp, keren wij nog een ogenblik terug naar de geschiedenis van de vroomheid. In de achttiende eeuw is de afstand tussen de vromen en hun tegenstanders zeer vergroot. Was dit ten tijde van de Nadere Reformatie al op te merken, juist in die eeuw verscherpen zich de tegenstellingen. De dames Aagje Deken en Betje Wolff hebben voor de vromen vrijwel geen goed woord over. Zij presteren het zelfs om vromen voor geniepige en benepen mensen uit te maken en die op één lijn daarmee te zetten. Wie vroom was, kneep de kat in het donker, was achterbaks en niet te vertrouwen. Deze dames gaven dus bepaald geen fraai beeld van de vromen. Later zal De Génestet weergeven, wat toen reeds zolang leefde, dat Jan Rap zeer vrijzinnig denkt te zijn, niet van de vromen houdt en smaalt op brede zomen (S. van der Linde). Die brede zomen zullen wel slaan op de kleding die toen gedragen werd. Vroomheid werd immers gekenmerkt door gelaat, gewaad en gepraat. Dat de dames Deken en Wolff meer oog hebben gehad voor allerlei uitwassen die met de echte bijbelse vroomheid niet van doen hadden, zal iedere welwillende lezer wel verstaan. Met het badwater wierpen zij evenwel ook het kind weg. Toch is de honger naar vroomheid alle eeuwen door een onuitroeibare zaak geweest. Mocht die in de achttiende eeuw fel bestreden worden, in de volgende eeuw ontwerpt Schleiermacher – weliswaar op een romantische manier – een 'theologie der vroomheid'. Heel sterk legt deze theoloog het accent op het eigen karakter van de religie, die hij verstaat als vroomheid. Zijn invloed is in de vorige eeuw en trouwens ook in deze eeuw erg groot geweest, ondanks alle scherpe kritiek. Want dat hij inzake zijn conceptie over de vroomheid fel bekritiseerd is, zal zeker zijn. De oorzaak daarvan was, dat zijn waardering van de vroomheid antropocentrisch gericht was. Heel eenvoudig gezegd: de vroomheid was een zaak van de mens, opkomend uit de mens. Hierop heeft een man als Kohlbrugge scherp gereageerd. Vanuit de mens komt niets anders op dan zonde. En ook na ontvangen genade blijft de mens zondaar. Geen enkel goed wordt er in de mens gevonden. En dat alles op grond van: 'Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde'. Maar aan de bestrijding van Schleiermachers visie op de vroomheid moeten wij niet alleen denken aan Kohlbrugge, ook een theoloog als K. Barth heeft zich hiertegen verzet. Diens theologie, welke scherp antipiëtistisch en anti-Schleiermacheriaans is, is bijna één pleidooi tegen een theologie van de vrome mens en het vrome vlees. Er bestaan tussen Kohlbrugge en Barth wat hun theologische opvattingen aangaat aanzienlijke verschillen die niet te overbruggen zijn, maar hierin zijn ze het met elkaar goed eens – al is de invalshoek verschillend – dat de vroomheid niet in de mens gezocht moet worden en dus bepaald geen bloem is die op de verdorven akker van het hart groeit en bloeit. Voor zowel Kohlbrugge als K. Barth geldt, dat in het kader van de rechtvaardiging van de goddeloze, die, ook als gerechtvaardigde, zelf een goddeloze blijft, voor een vroomheid met bepaalde contouren geen plaats kan zijn. Het is en blijft voor de gerechtvaardigde zondaar zoals Luther zegt: simul iustus, simul peccator. Vrij vertaald zegt een kind des Heeren: ik ben wel gerechtvaardigd, maar tegelijkertijd ben ik nog zondaar. Dit bedenkend, zal een gelovige van zijn vroomheid geen grote gedachten hebben, doch nederig en ootmoedig zijn. En wat wel heel zeker is, is dit dat de gelovige – wanneer het geloof op spankracht mag zijn – geen vroomheid in en bij zichzelf zal zoeken. Die is er niet, die is er nooit! Maar waar zij dan wel te vinden is en wat de uitwerking daarvan is, hoop ik in een volgend artikel te beschrijven. Wat ons nu in dit artikel geboden is, geeft ons wellicht voldoende stof tot overdenking.
(Wordt vervolgd)

G. S. A. de Knegt, P.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Verliezen wij de vroomheid? (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's