Gebed om vergiffenis
Verhoring in geloof
Het gebed om vergeving van onze zonden wordt alleen dan verhoord, wanneer het gedaan wordt in het geloof. Het echte gebed om genade is nog iets anders dan het uitstoten van een noodkreet om hulp. Het is een zuiver gebed in het geloof – door het evangelie in ons opgewekt – dat het vertrouwen in zich bevat, dat God in Christus gaarne vergeeft. Dat moet voorop blijven staan. God snijdt hier veel geroep om genade van de kant van ons mensen af. De Heere is ons met de nodiging tot zijn grote ontferming in Christus vóór. Er zijn namelijk velen zo ontroerd door het gezicht van hun zonden, dat zij zich eenvoudig geen tijd gunnen om in alle stilte acht te geven op de roepstem van God in het Evangelie. Zij roepen wel tot God, maar horen niet naar God. Dezulken moeten eens bedenken, dat God alleen aan het geloof antwoord geeft.
Ootmoed
Bij het bidden om vergiffenis moest men vooral bedenken, dat God veel met het oog op zijn beloften, maar helemaal niet wegens ons gebed of onze verootmoediging verplicht is ons te horen en te aanhoren. Het gebed dient daarom het karakter van smeking aan te nemen. Velen klagen dat zij om genade bidden en niet gevoelen dat zij verhoord worden. Dat maakt hen prikkelbaar tegenover God en het wekt soms de twijfel aan de waarachtigheid van Zijn Woord. Zij moeten evenwel bedenken, dat de oorzaak bij henzelf ligt. Zij vragen immers om genade zonder te beseffen wat genade is. Zij zijn gelijk aan mensen die vroeger behoorlijk bemiddeld waren, maar nu genoodzaakt worden om de hand op te houden. Ofschoon zij hun fortuin verloren hebben, zo hebben zij hun hoge dunk niet verloren. Men moet tot God niet naderen als een trotse bedelaar, die boos wordt als men hem eens een gave weigert, maar als een schuldige, die beseft, dat er een wonder geschiedt, telkens als hem genade wordt bewezen. Wat het hart in het vragen om vergiffenis steunt, in het getuigenis van het geweten, dat men zich van alle zonde afgekeerd heeft, zowel omdat zij tegen het recht van God als omdat zij tegen ons belang strijdt. Ook gaat het er om, dat men het bewustzijn heeft zich onbepaald te stellen onder het gezag van God. Dat wil intussen niet zeggen, dat de mens die tot God terugkeert van alle roerselen tot het kwaad geheel vrij is. Dit alleen kan hij openlijk verklaren, dat de zonde niet met zijn wil in hem is, maar tegen zijn wil. Hij meent dit oprecht en toont het door zich te onthouden van alles wat tot de zonde kan leiden. Wie immers van een slang gebeten is, beproeft niet hoe dicht hij tot haar naderen kan, zonder opnieuw gebeten te worden. Het kan gebeuren, dat er bij de oprechte tijdelijk een overschatting aan zijn zedelijke kracht wordt gevonden. Dat doet beproefden in de genade wel eens een glimlach op de lippen komen. Maar hoe vermetel ook dit voornemen is, dit getuigt toch wel van de gedachte om in alle ernst uit genade te leven en daardoor de zonden in ons te doden.
Weinig zekerheid
Natuurlijk eist hij, die zich bekeert, de vergeving der zonden niet op grond van zijn bekering. De bewustheid van zich bekeerd te hebben, sterkt hem alleen hierdoor, dat zij hem de zekerheid geeft van te behoren binnen de kring van degenen aan wie God genade wil bewijzen. God keert Zijn aangezicht af van degenen, die wel om genade bidden, maar met hun zondig leven niet ophouden. Hun gebed is voor de Heere een verschrikking. Daarbij kunnen wij evenwel niet voorbijgaan aan het verschijnsel, dat de zekerheid van vergiffenis ontvangen te hebben, zelfs onder oprechte bidders, verre van algemeen is. Overal heerst hier twijfel en grote onzekerheid. Men hoopt wel dat het gebed is verhoord, maar men weet het niet. Het behoeft nauwelijks enige aanduiding hoe bedroevend dit verschijnsel is. Bovendien, het werkt ook hoogst schadelijk. De hier bedoelde onzekerheid verlamt geheel het innerlijk leven. Zij ontneemt één van de krachtigste prikkels tot heiligmaking, namelijk de dankbaarheid voor ontvangen genade. Het werkt evenzeer ontzenuwend op ons gebedsleven. De rechte dankbaarheid voor ontvangen genade komt niet van onze lippen. De Heere krijgt niet de vrucht van zijn werken. Waarvandaan komt toch deze onzekerheid en nevel over het geestelijk leven? Zien wij goed, dan is juist deze onzekerheid veelszins bepalend voor het geestelijk leven der gemeenten. Ja, een helder geloofsleven wordt wel eens voor verdacht gehouden, omdat men maar al te zeer aan toestanden van verlamming is gaan wennen. Het gaat dan op de manier van een langdurig zieke, die ternauwernood went aan de toestand van gezond zijn.
Bidden door Christus
Welnu, wij hebben ontdekt, dat het geloof het geheim was van de verhoring van het gebed. Maar nu hapert het juist bij velen aan de rechte oefening van het geloof. Men is niet geheel verstoken van het vertrouwen van het hart in de barmhartigheid van God. maar dit vertrouwen rust niet in voldoende mate op het offer van Christus en de beloften Gods aan hen, die in de naam van Christus geloven. Bij dit droef verschijnsel mogen wij gerust even stilstaan. Geheel de Schrift is doordrongen van de gedachte dat God en wij, mensen, in deze tegenwoordige eeuw nooit direkt verbonden kunnen zijn. Alleen door tussenkomst en bemiddeling.
De Schrift spreekt zich niet in de instelling van priesterschap en offerdienst. Deze inzetting roept ons toe, dat er één nodig is. heiliger dan wij, om onze gaven tot God te brengen en een bloed, reiner dan het onze, om onze zonden bij God te verzoenen. Op deze waarheid berust geheel het christendom. Het gaat van gelijke onderstelling uit en tekent ons Jezus Christus in het Evangelie als Degene, Die zowel priester als offer is en ons de volkomen toegang tot God opendoet. Alleen in Zijn Naam mogen wij Gods genade over ons inroepen. Onze vrijmoedigheid om tot God te naderen mogen wij enkel en alleen aan Hem ontlenen. Wij mogen om de wille van Zijn Naam verwachten, dat wij het niet vruchteloos zullen doen. Evenwel, wat is over de kwestie? Wat leert ons de ondervinding, die van anderen en van onszelf? De ervaring leert, dat Christus veeltijds wel het toevoegsel is van onze gebeden, maar niet het uitgangspunt, niet de draagkracht er van, niet het geheim van het verschijnsel, dat één, die God telkens door zijn zonde te na komt, tot Hem durft te spreken, durft bidden.
Gebed in Christus' Naam
Er wordt natuurlijk wel nog tot Jezus gebeden. In menig gebed wordt op de tast af zonder reden die de bidder zich bewust is, nu eens tot God in het algemeen, dan weer tot Jezus, dan tot de Heilige Geest in het bijzonder, het woord gericht en de bede opgezonden. Maar het bidden in Christus' Naam, tot de Vader, in de kracht des Geestes – dat is iets, dat men niet altijd, maar slechts zelden hoort. Er zijii maar weinig bidders, die zich, voordat zij tot de Vader bidden, als het ware in Christus verplaatsen, om niet dan geheel en al in Hem overgenomen en door Hem gedekt, de Vader aan te spreken. En dat is nu precies het punt waarop het aankomt. Als wij om vergeving bidden, behoren wij al onze vrijmoedigheid aan Christus te ontlenen en enkel tot de Vader te gaan als de zodanigen, die van Christus, Zijn lieve Zoon, tot Hem gezonden zijn. Dan mogen wij de bede bidden, waarmee wij tot Hem komen. Zulk een bidden tekent de werking van de Geest in ons. Want de Heilige Geest is er om Christus te verheerlijken. Ook als Middelaar Gods en der mensen, in Wiens Naam de bidder genade wordt bewezen. Daarom is het een ongeestelijk standpunt, wanneer men buiten Christus om tot God durft te gaan. Het is een goede zaak om zijn vrijmoedigheid aan de beloften Gods te ontlenen. Natuurlijk. Maar wij moeten steeds indachtig blijven, dat zij enkel en alleen in Christus ja en amen zijn. Men moet dus Christus bezitten, om erfgenaam van de beloften te zijn. Helaas, de ondervinding leert alom, dat de oorzaak van ons voorbijgaan aan Christus is gelegen in geringschatting van Gods heiligheid en majesteit. Een bleek zondebesef doet nauwelijks gebruik maken van de Middelaar, Dat komt weer voort uit een huppelen over Gods Wet heen. Men acht Gods Wet in het geheel niet. Wij onderschatten dan ook eigen zondigheid. Er komt bij, dat de kennis van wat het Evangelie is, veeltijds te wensen overlaat en er heersen ook over de aard van het geloof onjuiste voorstellingen. Zou het niet nodig zijn daarover meer na te denken?
A. v. Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's