De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

8 minuten leestijd

Ditmaal een langere 'globaal' dan normaal. De commissie voor het beroepingswerk van de Nederlandse Hervormde Kerk gaf in haar verslag over de jaren 1986 en 1987 aandacht aan de 'toekomstige betioefte aan predikanten'. Omdat dit een zaak is waarover in deze tijd veel gesproken wordt geven we hier weer wat in het verslag staat:

In ons verslag over de jaren 1984 en 1985 hadden wij de behoefte aan hervormde predikanten over de jaren 1986 t/m 1989 geschat op 75 per jaar. Wij veronderstelden dat in de eerste jaren van deze periode meer predikanten nodig zouden zijn dan 75, in de laatste minder. Daarbij hielden wij rekening met de te verwachten emeritaten, met het z.g. VUT-effect, met het aantal vacatures en met afname van het aantal vervulbare predikantsplaatsen. Over 1986 en 1987 zijn inmiddels de werkelijke cijfers bekend.
Aantal bevestigde kandidaten:
[zie tabel]

Van de volgens overgangsbepaling 277q toegelaten kandidaten werd het merendeel bevestigd in de gemeente waar zij reeds als pastoraal medewerker werkzaam waren. Een aantal van hen werd òf bevestigd als predikant voorbijzondere werkzaamheden òf bevestigd als predikant op een standplaats. Het volgende staatje geeft dit aan.
Toepassing ovb. 277:
[zie tabel]

Dit brengt het totaal van degenen, die voor het eerst op een standplaats of voor buitengewone dan wel bijzondere werkzaamheden bevestigd werden voor 1986 op 86 en voor 1987 op 83.
Deze getallen zijn iets hoger dan wij hadden geschat. Twee oorzaken kunnen daarvoor worden genoemd. In de eerste plaats nam het aantal dienstdoende predikanten sterker af dan verwacht werd. Dit blijkt uit het volgende overzicht.
Vermindering aantal dienstdoende predikanten:
[zie tabel]

Het valt op, dat van de mogelijkheid tot vervroegde uittreding veelvuldig gebruik is gemaakt en dat emeritaat wegens invaliditeit helaas vrij vaak is voorgekomen. Nog opvallender is wellicht het aantal al of niet op eigen verzoek ontheven predikanten. Wij hadden het aantal emeriteringen van predikanten voor gewone werkzaamheden geschat op gemiddeld 61 per jaar.
In de tweede plaats werden minder predikantsplaatsen opgeheven dan werd vermoed. Volgens opgave van de Raad voor de Predikantstraktementen daalde het aantal predikantsplaatsen van 1743 op 1 januari 1986 tot 1740 op 1 januari 1987. Over dezelfde datum van 1988 werd echter een stijging aangegeven tot 1752! Moesten vooral in grotere gemeenten predikantsplaatsen worden opgeheven, er konden ook nieuwe predikantsplaatsen tot stand komen in bestaande of nieuwe gemeenten. In de verslagjaren werden nl. 11 nieuwe gemeenten gesticht, waaronder 5 buitengewone wijkgemeenten en 4 deelgemeenten. Een opmerkelijke ontwikkeling, die echter o.i. niet tot overhaaste conclusies aanleiding mag geven.
Een en ander had een stijging van het aantal vacatures tot gevolg: van 304 op 1 januari 1986 tot 328 op 1 januari 1987. Op 1 januari 1988 was het aantal weer iets teruggelopen, nl. tot 323.
Uit het bovenstaande mag blijken hoe moeilijk het is de toekomstige behoefte aan predikanten te schatten. Onder alle voorbehoud wagen wij ons toch weer een prognose, ditmaal over de jaren 1988 t/m 1991. Wij gaan uit van de zojuist genoemde 323 vacatures. Daarvan dienen de onvervulbare vacatures te worden afgetrokken, te weten 94 omdat een pastorale verbinding werd aangegaan met een andere gemeente en 16 omdat in Samen op Weg verband een predikant uit de gereformeerde kerken werd beroepen. Resten dus 323 - 94 - 16 = 213 reële vacatures, ongeveer 100 meer dan in verband met de normale mutaties te verwachten aantal. Voor een periode van vier jaren betekent dit datjaariijks 25 predikanten nodig zijn om dit 'te veel' in te halen.
Wat de overige komende vacatures betreft, houden wij allereerst rekening met de te verwachten emeriteringen wegens volbrachte diensttijd of vervroegde uittreding. Wij stelden een overzicht samen van predikanten, geboren in de jaren 1925 t/m 1928.
Predikanten geboren in de jaren 1925-1928:
[zie tabel]

Tellen wij bij het gemiddelde hiervan (47) het 'VUT-effect' (6) op, dan kunnen wij ongeveer 53 emeriteringen wegens vervroegde uittreding of volbrachte diensttijd verwachten.
Vacatures kunnen ook veroorzaakt worden door emeritaat wegens invaliditeit, door overlijden, door ontheffing uit het ambt. Hoewel wij beseffen dat in dit opzicht niets te voorspellen valt, menen wij op grond van de reeds elders genoemde gegevens uit voorgaande jaren een gemiddelde van 20 vacatures per jaar te mogen veronderstellen, ontstaan door de aangegeven oorzaken. Ondanks de meevallende cijfers vrezen wij dat aan een daling van het aantal predikantsplaatsen op den duur niet te ontkomen valt.
Op grond van het bovengenoemde menen wij de behoefte per jaar aan hervormde predikanten over de jaren 1988 t/m 1991 als volgt te mogen schatten:
[zie tabel]

Dat wij hiermee hoger uitkomen dan onze eerste schatting van 75 over de jaren 1988 en 1989 komt doordat wij ditmaal ook 'onverwachte vacatures' hebben opgenomen. In het totaal zijn ook de part-time predikanten begrepen.

Werkgelegenheid voor kandidaten
In ons vorige verslag hebben wij uitvoerig stilgestaan bij de werkgelegenheid voor de kandidaten. Het aantal seminaristen was sterk toegenomen, er waren verscheidene late roepingen en het was te verwachten dat niet weinig kandidaten volgens overgangsbepaling 277q zich beroepbaar zouden stellen. Op grond hiervan vroegen wij om maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid.

Deze oproep bleek het stichten van nieuwe predikantsplaatsen te stimuleren. Het moderamen van de generale synode kwam met medewerking van de generale financiële raad meteen vicarissenproject. Gelden van de generale kas werden beschikbaar gesteld, zodat het voor ongeveer 20 vooral grote gemeenten mogelijk zou worden een kandidaat tot de heilige dienst aan te stellen als vicaris voorde tijd van 1 á 2 jaar. Als commissie hebben wij in beginsel positief gereageerd en onze medewerking toegezegd. Zo'n plan vergt de nodige voorbereiding.
Pas in de tweede helft van 1987 kon met de realisering worden begonnen en bereikten ons de eerste advies-aanvragen uit gemeenten.
Inmiddels was echter het aantal beroepbare kandidaten aanzienlijk verminderd. Nu de mogelijkheden tot beroeping toenamen, wilden sommigen zich niet voor een jaar binden aan een vicaritaat, anderen wilden uitsluitend part-time werken en/of waren geografisch gebonden. Hoewel het verschillende gemeenten lukte een vicaris te benoemen, konden andere gemeenten daarin nog niet slagen.
Wij hadden reeds vermoed dat de invoering van de z.g. twee-fasen-structuur wel eens zou kunnen leiden tot een tijdelijke daling van het aanbod van kandidaten. Inderdaad was dit het geval, zoals de afgenomen deelname aan het seminarium aantoont.
Aantal seminaristen:
[zie tabel]

In het eerste halfjaar van 1988 was het aantal reëel beroepbare kandidaten teruggelopen tot 26, waarvan 10 een part-time predikantschap zoeken en verschillende geografisch gebonden zijn.
Omdat er geen aanwijzingen zijn dat de belangstelling voor de theologische studie afneemt, kan binnenkort een nieuwe toestroom van kandidaten worden verwacht. Daarom blijven wijde werkgelegenheid onder de aandacht brengen. De situatie met name in de grote steden geeft zorg, maar er zijn ook gemeenten waar nieuwe predikantsplaatsen wel degelijk mogelijk zijn.
Wat het vicarissen-project betreft, wij adviseren dit door te zetten. Bij benoeming van vicarissen geven wij een opzegtermijn van drie maanden in overweging, zodat de mogelijkheid van een beroep niet geblokkeerd wordt.


'Ketters, heksen en andere zondebokken', zo luidt de titel van een recent verschenen boek, geschreven door R. I. Moore (uitgave Ambo). Het handelt over 'vervolging als middel tot macht' in de jaren 950 tot 1250. In dit boek komt overigens tot uitdrukking dat het woord ketter in die jaren veel onbekommerder werd gebruikt dan vandaag. Intussen waren er tal van maatregelen tegen ketters, joden, homosexuelen, melaatsen. Hier volgt een fragment uit het boek over de uitstoting van melaatsen bij decreet van het Derde Lateraans Concilie. Het staat onder het kopje 'de levende doden':

'De bekrachtiging van het voorschrift tot afzondering door het Derde Lateraans Concilie kwam zeer wreed tot uitdrukking in het op de riten voor de doden gestoelde ritueel tot verwijdering uit de gemeenschap dat het beval en waarvan het een aantal voorbeelden gaf. In Amiens en elders moest de melaatse in een open graf staan terwijl de priester de riten voorlas; in andere plaatsen was het voldoende een paar scheppen aarde over zijn hoofd uit te storten bij wijze van uitsluiting. Daarna ging de priester over op de volkstaal om uitvoerig en tot in de bijzonderheden uit te leggen wat het zojuist volvoerde ritueel inhield:

"Ik verbied u ooit kerk of klooster, jaarbeurs, molen, marktplein of gezelschap van personen te betreden (…) ooit uw huis te verlaten zonder uw leprozenkleding (…) uw handen of enig iets aan u te wassen in de rivier of fontein. Ik verbied u een herberg te betreden (…) Als u de weg opgaat en iemand ontmoet die u aanspreekt, verbied ik u te antwoorden alvorens u ervoor gezorgd hebt dat de wind u in het gezicht waait (…) Ik verbied u een nauwe steeg in te gaan, zodat iemand die u mocht tegenkomen de ziekte van u kan overnemen (…) Ik verbied u ooit kinderen aan te raken of hun enig iets te geven. Ik verbied u te eten ofte drinken uit ander vaatwerk dan u zelf toebehoort. Ik verbied u te eten of te drinken in gezelschap, tenzij met melaatsen."

In de loop van de dertiende eeuw werden deze bevelen vertaald in tal van plaatselijke en gemeentelijke regels voor controle op en afzondering van melaatsen, zoals de straatverboden in 1200 in Londen, in 1202 in Parijs en Sens, in 1244 in Exeter, waarvan de meedogenloze, zij het onregelmatige doorvoering herhaaldelijk bevestigd wordt door verhalen over de verdrijving, individueel en en masse, van melaatsen uit steden en dorpen, die in de daarop volgende eeuwen regelmatig voorkomen.'

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's