Uit de pers
Het jodendom en de Bergrede
De hoofdstukken uit het eerste evangelie, Mattheüs 5-7, die ons bepalen bij de grondwet van het Koninkrijk der Hemelen, de Bergrede, blijven ons steeds weer aanspreken. Het zijn woorden die verrukken en verbazen, onrustig maken en bemoedigen, woorden die ons schokken en wakker willen schudden uit alle gezapigheid en ons wijzen op de diepingrijpende betekenis van de navolging van Christus. Ook van joodse zijde bestaat er de laatste tientallen jaren veel belangstelling voor dit gedeelte van het Nieuwe Testament. In een artikel in het Kerkblaadje, het orgaan van de vrienden van Kohlbrugge, van 12 augustus wijst dr. W. Aalders er op dat wij met dankbaarheid mogen constateren hoe joodse geleerden in Jezus een waarachtig profeet zien die onschuldig ter dood is gebracht en hoe zij met respect en eerbied spreken over deze uitleg van Israëls wet door Hem Die de wet vervult.
Wat Aalders hier uitspreekt is door anderen genoemd de 'heimholung Jesu' d.w.z, men probeert Jezus thuis te halen als één van Israëls grote Zonen in het huis van het jodendom. Inderdaad mag het ons als christelijke gemeente niet onverschillig laten, deze aandacht voor Jezus. Hij is immers in Israël geboren en wij belijden dat het heil uit de joden is.
Tegelijk roept deze aandacht ook vragen op. Wat gebeurt er bij deze 'Heimholung'? Doet men recht aan het getuigenis van evangelisten en apostelen als men in Jezus de trouwe Zoon ziet van het wetsgetrouwe Israël? Of moeten we dan toch niet zeggen dat tussen de joden en ons nog altijd instaat de belijdenis, dat deze Jezus als de Messias de Thora vervult ons tot heil.
En tegelijk daarmee is de vraag verbonden, de vraag die Aalders in zijn artikel stelt of de Bergrede niets eigens heeft ten opzichte van het jodendom.
Aalders wijst ter beantwoording op de woorden over de vervulling en de meerdere gerechtigheid (Matth. 5 : 17-20). En vooral op de inzet van de Bergede, de zaligsprekingen, de verkondiging van heil en genade die aan het onderricht van de geboden voorafgaat. Dat is ten opzichte van het joodse wetsonderricht een nieuwe toonzetting.
In dit verband merkt Aalders op:
'Wanneer men zich verdiept in de geschriften van joodse wetsgeleerden, dan is wat een nieuwtestamentisch christen het meest opvalt, de optimistische en idealistische kijk op de mens, de wereld, de geschiedenis. Elke vrome, wetsgetrouwe jood gelooft, dat de kloof tussen de onvolmaakte, aardse werkelijkheid en de heiligheid van de Wet Gods te overbruggen is. Het Gebed Gods is voor het jodendom een belofte, een profetie voor de toekomst. De Heere God zou Zijn Wet niet aan Mozes gegeven hebben, als het in beginsel onmogelijk zou zijn aan haar eis te voldoen. Dat zou immers de schepping absurd maken. Het zou de mens aan God doen vertwijfelen. De proclamatie van de Tien Geboden, de openbaring van de Thora, – zij houden voor de mens een heilige, onherroepelijke, onschokbare toezegging in. Aan het "Gij zult!" van de Wet ligt de vooronderstelling ten grondslag: "Gij kunt!!"
Vandaar dat optimistische, idealistische van het joodse geloof. Vandaar dat het de Thora beleeft als Blijde Boodschap. Het moge dan waar zijn, dat de weg van de verwerkelijking van de Wet Gods een lange en zware is; het moge waar zijn dat die weg door vele duisternissen en langs diepe afgronden voert, niettemin sluit de Thora de wanhoop en vertwijfeling aan de mogelijkheid der verwerkelijking als een aanvechting van de Boze uit. Het juk, dat Israël door God met de openbaring van de Wet is opgelegd, is om, tegen alle innerlijke en uiterlijke weerstanden in, die Wet te blijven zien in het perspectief van de aardse vervuiling. De Wet draagt in zich de belofte van messiaans heil voor de mens, de wereld, de geschiedenis.
Kort na de jaren 1940-1945 hield de joodse schrijver Abel Herzberg een toespraak, waarin hij terugblikte op de onzegbaar diepe lijdensweg van het joodse volk. Zelf was hij met velen van zijn familie er nauw bij betrokken. Hij poogde in die toespraak een antwoord te geven op de bange vraag naar het "waarom?" van dat lijden. Het was zijn diepste overtuiging, dat het samenhing met het feit dat de wereld nog niet rijp is voor de rijke menselijke waarden die besloten liggen in de Thora. Het is de goddelijke opdracht aan het joodse volk om die diepste levenswaarden de volkerenwereld in te dragen, al gaat dat gepaard met martelaarschap. "Eens toch zal de gerechtigheid zegevieren op deze aarde; eens zal de ganse mensheid begrijpen wat de zin is van de Thora".
Niet anders spreekt de uit Berlijn afkomstige rabbijn Leo Baeck, die in de oorlogsjaren het lot van zijn volk gedeeld heeft tot in de vernietigingskampen. In een geschrift, getiteld: Het wezen van het Jodendom, zet hij uiteen, dat de Thora niet alleen bestemd is voor de joden, maar dat zij het zaad van de toekomst van mens en wereld in zich bergt. Immers de Thora behelst voor ieder mens een verlossingsopdracht ten aanzien van de wereld. Door de Thora kan ieder mens een vernieuwer van de wereld worden. De laatste drie hoofdstukken van dit boek, waarin de universele betekenis van de Thora volle nadruk krijgt, dragen dan achtereenvolgens deze veelzeggende titels: Vertrouwen in onszelf Vertrouwen in de medemens. Vertrouwen in de mensheid.
Ook bij Martin Buber treffen wij die idealistische en optimistische kijk op mens en wereld aan. Weliswaar graaft hij dieper dan velen van zijn volksgenoten. De reden daarvan is, dat hij geput heeft uit de bronnen van het Oost-Europese Chassidisme, een stroming binrten het jodendom, die zich verzette tegen het intellectualisme van het officiële synagogale jodendom en die de Thora mystieker benaderde als levende Stem van de Eeuwige.
In één van zijn geschriften over het Chassidisme vertelt Buber van een wetsleraar, die gebiologeerd (geboeid) stond te kijken naar een koorddanser in een circus. Eén van zijn leerlingen was daar verbaasd over en vroeg hem wat hem zo boeide in die man. Hij antwoordde:
Wat mij treft in deze acrobaat is dat hij lopende over dat touw volstrekt niet kan denken aan het loon dat hij straks zal ontvangen, noch aan de toejuichingen die straks zullen losbarsten. Om dit kunststuk te volbrengen kan hij maar op één ding geconcentreerd zijn: het bewaren van zijn wankel evenwicht. Zie, op eenzelfde wijze moet nu ook de wetsgetrouwe mens geconcentreerd zijn op het pad der Geboden Gods. Dus niet denken aan bijmotieven als het oogsten van loon of roem, doch met hart en ziel en verstand geheel gericht zijn op het bewaren van het evenwicht bij het volbrengen van de Wet.
Tot zulk een chassidische wetsvroomheid roept Martin Buber in zijn geschriften de mens op. Wetsgetrouwheid kan alleen maar bestaan als een leven dat gedragen wordt door de liefde tot de Wet. Elke gedachte aan loon of eer dient erbij uitgebannen te zijn. De echte wetsgetrouwe mens vereenzelvigt zich als het ware met de Wet. Hij neemt haar als een schat in zich op. Hij volbrengt de Wet in een vervoering, een geestelijk enthousiasme, een liefdesvuur, dat de Wet in zijn hart wekt.'
Niemand, zegt Aalders terecht, kan voor deze fijnzinnige benadering ongevoelig zijn. Maar tegelijk moet je zeggen: het is dan toch weer de mens die in staat geacht wordt de gerechtigheid te volbrengen en zo bij te dragen aan de verlossing van de wereld.
In de Bergrede klinkt een andere toon: de prediking van het heil als genade-gave gaat voorop. In het hart van de Bergrede staat het gebed. In het gebed geven we als het ware het gebod terug aan de Heerp God. Op grond van de belofte: 'Ik zal maken, dat ge in Mijn wegen wandelen zult'. We kunnen de Bergrede niet isoleren uit het geheel van het Nieuwe Testament. Het gebod rust op de prediking van het heil. Dat is ten principale dezelfde orde die we ook bij Paulus vinden, de jood die met zijn idealisme en wettisch streven is vastgelopen en in de ontmoeting met Christus leerde leven van geschonken gerechtigheid.
De Wereldraad en de zending
Van de vele artikelen die dezer dagen verschenen, naar aanleiding van het feit dat 40 jaar geleden de Wereldraad van Kerken werd opgericht, wil ik hier iets doorgeven uit een bijdrage van prof. dr. J. Verkuyl in het Centraal Weekblad van 5 oktober. Hij gaat vooral in op het feit dat in 1961 een fusie tot stand kwam tussen de Wereldraad en de Internationale Zendingsraad. Op zich niet zo vreemd: het verlangen naar eenheid en de zending horen bijeen. Men zie Johannes 17 en men bedenke dat de grote zendingspioniers ook mensen waren die geworsteld hebben om de eenheid van de gelovigen gestalte te geven. Verkuyl waardeert de fusie op zich positief maar verwoordt tegelijk enkele zorgen. Vooreerst heeft de fusie ten gevolge gehad dat evangelicalen en 'oecumenicals' in de zending gescheiden gingen optrekken. Een tweede punt van zorg is dat er, naast de commissie die de vragen van zending en evangelisatie behartigt, een afzonderlijke commissie voor de dialoog is ontstaan:
'Een tweede zorg is mijns inziens, dat naast de Commissie voor Wereldzending en Evangelisatie in de Wereldraad van Kerken een afzonderlijke commissie is ontstaan voor de dialoog met aanhangers van andere godsdiensten en ideologieën. Ik heb vanaf het begin daarvan nooit begrepen waarom het dialogische aspect niet binnen het geheel van de arbeid van de Commissie voor Wereldzending en Evangelisatie kon worden behartigd. Zending en dialoog zijn toch twee kanten van dezelfde taak. Er is immers geen zending mogelijk zonder de missionaire dialoog.
Het wegruimen van misverstanden en vooroordelen tussen de religieuze gemeenschappen is een taak van de godsdienstwetenschap. Daarvoor is geen afdeling van de Wereldraad van Kerken nodig. Het bevorderen van sociaal-politieke samenwerking tussen godsdienstige gemeenschappen is een taak van politieke partijen en van de Verenigde Naties. Daarvoor is geen aparte ardeling van de Wereldraad nodig. Het bevorderen van de missionaire dialoog is een zaak van zending en evangelisatie. Zending en dialoog zijn twee zijden van dezelfde zaak. Wanneer men die twee kanten van dezelfde zaak uit elkaar haalt en uitbouwt tot twee van elkaar geïsoleerde en alternatieve en zelfs elkaar bestrijdende zaken, zit men op een verkeerd spoor. Dan dreigt het gevaar dat men gaat streven naar een "oecumene der godsdiensten", waarin het unieke en beslissende van de persoon en het werk van Jezus Christus en Zijn Evangelie wordt vervangen door een soort "parlement der godsdiensten", waarin iedere godsdienstige gemeenschap zijn "bijdrage" levert ter wederzijdse verrijking". Dat dat gevaar niet denkbeeldig is, is bij de herdenking van de Tambaram-conferentie van 1938 in Tambaram dit jaar wel gebleken uit de felle botsing tussen Cantwell Smith en een van de stichters van de Wereldraad der Kerken: Leslie Newbigin. In die botsing ging het over de kern, de basis van de Wereldraad van Kerken en van de wereldzending. Oecumenisch in de zin van de Wereldraad van Kerken is niet een oecumene der godsdiensten, maar – zoals de Wereldraad het zelf formuleert – "alles wat relatie heeft met de hele taak van de hele kerk om het Evangelie te brengen aan de hele wereld".
Tijdgeest
Van de Commissie voor Dialoog is een voorstel in voorbereiding om de basisformule van de Wereldraad van Kerken te wijzigen. Die basisformule luidt momenteel als volgt:
"De Wereldraad van Kerken is een gemeenschap van kerken die de Heer Jezus Christus belijden als God en Zaligmaker volgens de Schriften en daarom hun gemeenschappelijke roeping zoeken te vervullen tot eer van de ene God. Vader, Zoon en Heilige Geest."
Het voorstel dat nu in voorbereiding is, noemt deze formule te Christo-centrisch en wil dat meer de nadruk wordt gelegd op de Heilige Geest zodat de basis meer Pneuma-(Geest-)centrisch wordt. Uiteraard is de basisformule van de Wereldraad van Kerken niet onfeilbaar, evenmin als welke confessionele formule ook. Het menselijke in Jezus Christus en de betekenis van Zijn leven als volmaakte beantwoording aan Gods bedoeling met het menszijn zou bijvoorbeeld naast de nadruk op Zijn goddelijk Zoonschap dieper tot uitdrukking kunnen worden gebracht. Maar in de wijzigingsvoorstellen die nu opkomen, is de neiging om het theocentrische uit de spelen tegen het christocentrische duidelijk aanwezig. We weten echter uit de geschiedenis van de kerk en die van de thologie en de confessie, dat als de Heilige Geest wordt voorgesteld als een realiteit die "wijder" en meer "inclusief" is dan Jezus, men bezig is te spreken over de "tijdgeest" en niet over de Geest zoals Jezus die beloofde. Van die Geest zei Jezus: "Hij (de Heilige Geest) zal het uit het Mijne nemen en het u verkondigen" (Johannes 16 : 14). De actieradius van die geest is wereldwijd, maar het is de Geest van de Vader en de Zoon die dat wat in Christus is communiceert onder de volkeren en mensen leidt tot de Vader en tot Hem."
Wat Verkuyl hier verwoordt is niet alleen in de oecumene een aangelegen punt, maar ook in ons eigen land. Met een beroep op de Geest, losgemaakt van het Woord worden allerlei politieke, sociale en religieuze verschijnselen als vindplaatsen van heil en openbaring geduid. Stellig is het zo dat binnen de Wereldraad zulke geluiden ook weersproken worden. Wat dat betreft is de Wereldraad een zeer gemengd geheel. Maar niettemin is waakzaamheid geboden.
Een dialoog als missionaire methode is wat anders dan een dialoog die een kanaal wordt voor een oecumene van de godsdiensten, waarbij zending niet meer wordt dan samenlevingsopbouw. Dat is verraad aan de roeping van het Evangelie!
A. N., Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's