De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

In dienst der Barmhartigheid (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

In dienst der Barmhartigheid (2)

Mr. dr. Willem van den Bergh (1850-1890)

12 minuten leestijd

Een opvallend kenmerk van de Doleantie is haar intense aandacht voor de reformatie van het diakonaat in de kerk van Christus. Kuyper zegt in zijn Tractaat van de reformatie der kerken: 'Het diakonaat mag dus volstrekt niet opgaan in collecteren en bedeelen van behoeftige personen, maar dient zich allengs te ontwikkelen als het heerlijk orgaan der kerk voor de Christelijke philantropie'.

Sociale kwestie
Deze uitspraak van Kuyper is van veel betekenis. Zij klinkt als een program en dat wilde zij ook metterdaad zijn. Bovendien werpt deze uitspraak licht op het opvallende enthousiasme van de dolerende kerken op het diakonale vlak. Tenslotte wil Kuyper met dit woord reageren op een problematiek die typisch mag heten voor de negentiende eeuw. In die eeuw heeft zich in Nederland immers de kolossale problematiek van de zgn. sociale kwestie ontwikkeld. Het rijke Nederland van weleer, was sinds de Franse tijd een 'achterlijk' land geworden. Het werd geteisterd door armoede, honger en kou. Bezittenden en niet-bezittende klasse leefden in twee gescheiden werelden. Het enige kontakt dat publiek waarneembaar was, was het filantropisch kontakt.
De oprechte intentie van de filantropische inspanning was de bevordering van de christelijke naastenliefde op het gebied van allerlei schrijnende maatschappelijke noden. Men wilde die nood in de naam van Christus bestrijden. De doelstelling was daarom meer dan sociaal. Men beijverde zich om dat deel van het volk dat van de kerk vervreemd was of dreigde te vervreemden, terug te winnen. Het opvallende in de gedachtengang van Kuyper is, dat hij de wens te kennen gaf, dat het (ambtelijk) diakonaat zich tot het 'orgaan der kerk' voor deze filantropie zou ontwikkelen. Hij wilde kennelijk op dit punt een alternatief bieden voor de organisatie van de christelijke filantropie tot op dat moment. Die organisatie kennen wij onder de naam Inwendige Zending. Een vertaling van het Duitse begrip 'Innere Mission'. De grote organisator en inspirator van de Innere Mission is Johann Heinrich Wichem (1808-1881). Hij organiseerde een wijdvertakt net van verenigingen en organisaties op het terrein van jeugdwerk, evangelisatie, diakonaat, zending, christelijk onderwijs en kerkherstel. In Nederland is het ds. O. G. Heldring, die zich inzet voor de Inwendige Zending. De achtergrond en herkomst van de internationale Inwendige Zending moeten wij zoeken in de opwekkingsbeweging uit het einde van de 18e en het begin van de 19e eeuw. Onder opwekking verstaan wij de inspanning van die christenen, die zich scherp bewust waren van de droeve situatie van de kerk in hun dagen. De kerk was in slaap gevallen en met name haar ambtsdragers sliepen voort. Het was tijd om wakker te worden en de ogen te openen voor de eigenlijke zelfverzekerdheid en eigengereidheid en de nood, ellende, sekularisatie, revolutie en zedelijke verwildering, in de samenleving. Kuyper wilde het diakonaat terugwinnen voor de kerk en haar ambtelijke organen. De levende kerk, aldus Kuyper behoort een toevlucht te zijn voor alle ellendigen. Daarom moeten de diakenen de ellendigen opzoeken en in de gemeente de kunst van het geven ontwikkelen. Het bezwaar van Kuyper tegen de filantropische werkwijze was, dat deze filantropie nief struktureel en niet kerkelijk was. Er werden veel persoonlijke problemen opgevangen, maar de struktuur van de samenleving werd niet verbeterd. Er is bij Kuyper een diepe samenhang tussen politieke strijd, voor sociale wetgeving (dus strukturele oplossingen) en zijn kerkelijke worsteling om de reformatie van het diakonale ambt.

Woord en Daad
Willem van den Bergh, was ook zeer geïnteresseerd in de sociale kwestie. Door zijn reizen naar Duitsland leerde hij het werk van de Innere Mission kennen. Voor Van den Bergh bestond er een onlosmakelijke samenhang tussen het verval van het diakonaat en dat van de kerk. Het was de diakonie die als de arme reiziger tussen Jeruzalem en Jericho in de handen van de rovers was gevallen. Kerken (priesters) en Inwendige Zending (leviet) lieten haar liggen in haar ellende. Werken voor de reformatie van de kerk en voor het herstel van het diakonale werk viel daarom voor hem volstrekt samen. Het diepgewortelde inzicht heeft Van den Bergh zonder aarzeling doen kiezen voor de kerkreformatie van 1886. Het was de stelling van Van den Bergh, dat Inwendige Zending niet kon bestaan zonder de gemeenten die haar levenstaak opvatten. Van den Bergh heeft veel over deze zaken geschreven en gesproken. In zijn tweede gemeente (Voorthuizen) groeide hij uit tot voortrekker van de Doleantie en was voor hem reformatie van kerk en diakonaat één zaak. Hij wilde het negentiende eeuwse filantropische werk en het diakonaat met elkaar in verbinding brengen en, waar mogelijk, integreren. Op die wijze heeft hij een specifieke bijdrage gegeven aan de opleving van het diakonaat na 1886, waarbij hij zich gesteund wist door Kuypers Tractaat. Het ging bij Van den Bergh om de eenheid van woord en daad, van Inwendige Zending en Kerk. Voor zijn gevoel hing de reformatie van de kerk ten nauwste samen met de reformatie van de barmhartigheid. Hij is zich dan ook in 1884 zowel voor de kerk als voor de zwakzinnigenverpleging gaan inzetten. Zondag 1 februari 1885 werd in Voorthuizen de eerste kollekte gehouden voor de christelijke verpleging van zwakzinnigen en de dag daarna hield Van den Bergh naar Daniël 9 : 1-11 een 'bidstond voor kerkherstel'.

Olie en wijn
In het diakonaat bleek hoever de kerk beneden haar geestelijk niveau leefde. Als ergens duidelijk moest zijn dat de kerk de gemeente is van Hem die mensen liefheeft, dan moest dit blijken waar de barmhartigheid in praktijk gebracht wordt. Voor Van den Bergh getuigde het Diakonaat van de Middelaar, die uiteindelijk zelf de Bedienaar van het Diakonaat is en daarin herkend wil worden. Als de overheid een deel van de armenzorg tot zich trekt is dat een getuigenis tegen de kerk.
Direkt na de Doleantie zette Van den Bergh zich in voor een Diaconaal congres, waar het diakenambt en de taken van de diakonie aan de orde zouden komen. Van den Bergh sprak over 'De bedienende personen', en zette zijn visie uiteen op het diakonaat met zijn geestelijk karakter en mogelijkheden voor elk gemeentelid. Deze beschouwing werd opgenomen in een boekje met als titel 'Olie en wijn in de Wonden'. Op heel praktische wijze worden familieleden, bekenden en medegelovigen opgeroepen hun diakonale taak te zien, voordat de 'diakonie' gaat helpen: de mens moet zijn verantwoordelijkheid niet overdragen aan verenigingen en stichtingen. Geleerd moet worden blijmoedig te geven; niet afgeperst; niet om er zich van af te maken, maar uit deernis, niet uit hoogmoed, maar met de ontferming die zich met de armste en nooddruftige één weet. Vertoon van offervaardigheid is farizees. Voorafgaande verootmoediging is noodzakelijk, maar niet afdoende om vergeving van zonde te verkrijgen. De dienaren des Woords moeten de noden en zorgen op, maatschappelijk, kerkelijk en huiselijk gebied openleggen, zodat het ambt der gelovigen kan opleven. Kinderen moeten ingeschakeld worden voor steun aan ouders, kinderloze mensen voor onderdak aan wezen. Men lette op de stille armoede van doortrekkende vreemdelingen en verwaarloosden. Bij benoeming van diakenen gelden de eisen van 1 Tim. 3. De broeders moeten wekelijks samenkomen en hun inkomsten verwerven uit kollekten. Kapitalisering is bij de diakonie uit den boze. Classikaal moeten besproken worden: de maaatschappelijke toestand; het stichten en onderhouden van plaatsen waar voor gemeenschappelijke kosten de verzorging kan plaatsvinden van blinden, doofstommen, wezen, zieken en zwakzinnigen; de steun van rij ke aan arme diakonieën. Tenslotte drong Van den Bergh erop aan, niet te 'bedeelen', maar te bezoeken en persoonlijk te verzorgen (olie en wijn in de wonden); middelen te zoeken tot het vinden van arbeid voor werklozen; geestelijke zorg te verlenen, zodat het niet als schande zou worden gezien door de diakonie geholpen te worden. Elia werd gespijzigd door de raven!

Door ijver aangespoord
Willem van den Bergh heeft, gelet op zijn zwakke gezondheid, bijzonder veel werk verzet en diakonale zaken onder het stof vandaan gehaald, die vandaag de dag nog hoogst aktueel zijn. Daarnaast heeft hij meegewerkt aan de totstandkoming van de psychiatrische inrichting 'Veldwijk' en drie inrichtingen te Ermelo. Tevens aan de dr. mr. Willem van den Bergh Stichting te Noordwijk en het Paedagogisch Instituut te Amsterdam. Waardoor werd Van den Bergh zo getrokken tot speciaal deze tak van diakonaal werk? Het heeft alles te maken met zijn visie op mens en wereld. De zwakzinnige toont waartoe het met de mens in de 19e eeuw, die hoog van zichzelf dacht, kon komen. Gepropageerd werd dat wetenschap en leerplicht een algemeen geluk zouden brengen, maar dat was een leugen. Scholen werden gebouwd, maar zwakzinnigeninrichtingen ook en ze waren snel vol! Vertrouwen op de mens en zijn verstand leidt af van de juiste weg. Daarom was het nodig dat de op te richten gestichten niet slechts een goede inrichting zouden krijgen, maar ook en vooral zouden getuigen van Hem die alleen in staat is vrede en rust te brengen in ongelukkige mensenlevens. Van Hem kunnen wij leren dat gezin en gemeente geestelijke en stoffelijke verantwoordelijkheid hebben voor getroffen broeders of zusters.
Er is de macht, zo zegt Van den Bergh, van de satan, de erfelijkheid, er zijn huwelijken van bloedverwanten, er is slechte opvoeding, veronachtzaming van het lichaam, misbruik van het lichaam, overspanning van de hersenen, ongeoorloofde bekommering en godsdienstige dweperij. Zulke misstanden kunnen bestreden worden in Christus' Geest en naar Zijn Woord. Zo komt er een roeping tot ieder die bij de kerk behoort. In navolging, niet van de priester als beeld van de kerk: want deze trekt voorbij, maar zoals Jezus, de Samaritaan, Die met innerlijke ontferming bewogen was.
Willem van den Bergh heeft veel meer willen doen. Zijn gezondheid liet hem dit niet toe. In de nacht van 29 op 30 april 1890 kwam er een einde aan zijn leven. Een bewogen mens ging heen. Een mens rijk begenadigd en begiftigd met gaven en talenten, om te gebruiken in alle eenvoud en gebrek, vanuit een met schuldverslagen hart, voor de Koning der Kerk. Op de grafsteen werd Psalm 51 : 19 aangebracht, de intreetekst te Voorthuizen: De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij o God niet verachten.' Van den Bergh, zo schrijft P. Schram heeft zijn heil gezocht bij een theologie van verkiezing en verwerping en bij een piëtistische stroming die tot de mensenziel spreekt van bekering en verootmoediging. De deemoed is bij Van den Bergh steeds de levensgezellin geweest. In zijn levenswerk komt overtuigend op ons af dat hij alleen de eer van God heeft gezocht. Daarom hunkerde hij naar een kerk die als een moeder zou zorgen voor haar kinderen en aan zonde, schuld en ellende een halt toeriep. Een hunkering, door ijver aangespoord, niet alleen met woorden, maar ook metterdaad gestalte te geven aan Gods opdracht een helper te zijn, voor diegenen die geen helper hebben. Onbegonnen werk? Zo de Heere het huis niet bouwt…

Konklusies
Een vraag, die wij aan het einde van deze bespreking willen stellen is: 'Wat heeft, hetgeen mr. dr. Willem van den Bergh aan geschiedenis nalaat, ons vandaag anno 1988 te zeggen?' Het kan ons allereerst veel leren. Prof. Trimp merkt bij zijn taxatie van de ontwikkelingen van 1883 tot 1904 op, dat het positief te waarderen is, dat Van den Bergh een tendens signaleerde om als verenigingen en instanties hoe langer hoe meer buiten de kerk om te werken en aan de kerk de eer van het diakonale werk te roven. Van den Bergh heeft het ambt van diaken een duidelijke plaats gegeven en een Schriftuurlijke invulling aan het ambt gegeven. Trimp merkt evenwel op, dat de aard van het diakonaat bij Kuyper en Van den Bergh duidelijk vanuit de konkrete situatie is ingevuld: het diakonaat als wapen in de sociale kwestie en als orgaan van de christelijke filantropie. De geschiedenis leert ons welke risico's hieraan verbonden zijn. Zodra de praktische situatie zich wijzigt, vervalt de definitie en daarmee de doelstelling.
Trimp trekt twee konklusies. De eerste is, dat het aan de gereformeerde kerken uiteindelijk niet gelukt is om in de jaren na 1886 de identiteit van het diakonaat schep te bepalen. De oorzaak hiervan was, dat men niet voldoende duidelijk wist te maken, wat het diakonaat krachtens de instelling en normering daarvan in de bijbel behoorde te zijn. Men volstond met de traditionele en globale verwijzing naar Handelingen 6 en meende zich te kunnen vastleggen op het begrip armenzorg. Men moet zegt Trimp, de struktuur van de gemeente onderzoeken. Die struktuur wordt bepaald door Christus en de navolging van Hem. Zijn werk was diakonaal en daarom moet de gemeente het zijn! De tweede konklusie is, dat er een konfrontatie was tussen filantropie en het diakonaat. Het is de konfrontatie van de gereformeerde en de evangelische stijl van werken ten dienste van Christus' zaak in deze wereld. In de gereformeerde stijl wordt een poging gedaan om de verworvenheden van de Reformatie van de 16e eeuw te bewaren en het gezag van de Schrift te respekteren op eigentijdse manier. In de evangelische stijl treffen wij de resultaten aan van de opwekkingsbewegingen sinds de 17e eeuw.

Gemeente is diakonaal
Prof. Trimp besluit zijn konklusies – en ik zou dat graag van harte willen onderstrepen – met de opmerking dat Christus geen louter gelovigen zoekt met een diakonaal hart, maar dat Hij door zijn Geest een gemeente schenkt met een diakonale struktuur. Aan deze struktuur mogen bijdragen: de prediking van het Woord, de opdracht van diakenen Om de gemeenteleden, jong en oud, toe te rusten tot dienstbetoon. De gemeente is diakonaal, omdat haar Hoofd Jezus Christus tot in de dood toe diakonaal was. Ja Zijn leven gaf tot een rantsoen voor velen, om tot aan de wederkomst van Christus hier en straks te dienen tot in eeuwigheid. Het tot lof en dienst bereid zijn, mag reeds in het hier en nu plaatsvinden! Niet om ons, maar om Hem Die het zo waard is om gediend te worden! Dankzij Hem is de gemeente er en mag de diakonia van de gemeente doorgaan!

A. Peters, Barneveld

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

In dienst der Barmhartigheid (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's