Verliezen wij de vroomheid (3)
Een vorig keer zagen wij dat echte en rechte vroomheid hierin bestaat dat wij God in de hemel laten en wij zelf de zeer bescheiden plaats die ons op aarde is toegemeten innemen. Dit laatste hebben wij te doen met 'vreze en beven' en niet met een dapperheid in de zin van: wij klaren het wel! Deze dapperheid komen wij in de Schrift niet tegen en geeft derhalve meer blijk van een 'gearriveerd christendom' dan van een christendom dat enkel en alleen leeft van genade. Van Kohlbrugge is het gevleugelde woord, dat de ware christen slechts één gestalte kent nl. die van een bedelaar. Alles wat men meer is dan bedelaar is teveel. Wie is daarom een vroom christen? Dat is die mens die zijn afkomst en zijn grenzen niet vergeet. De 'vrome' mens vergat zijn afkomst alsmede de grenzen daarbinnen hij behoorde te leven. Hij dacht een medewerker Gods te zijn, waar hij werkelijk een vijand van God bleef. Dat men hiertegen van de zijde van de kerk is opgekomen, is terecht geweest. Het vroomheidsideaal was niet dat van de Schrift. Nederigheid en ootmoed zijn kenmerken van de ware vroomheid, maar die werden daarin niet gevonden. Daarom zette men het mes diep in het vrome vlees met de bedoeling uit te snijden wat God niet welbehagelijk was.
Dit alles wil intussen niet zeggen, dat wij niet zouden mogen opkomen voor een geoorloofde en geboden Bijbelse vroomheid. Ik denk dat dit juist in onze tijd een zaak is waarvoor wij dienen op te komen. Als wij dit doen zullen wij echter voor één ding moeten oppassen nl. dat wij het geloof niet gaan uithollen met het doel een nieuwe warmte te leggen in de vroomheid. Wanneer ons geloof geen vroomheid is, verdient het ook niet geloof genoemd te worden. En als onze vroomheid géén geloof blijft en daarin de bedelaarsgestalte niet meer gekend wordt is het geen vroomheid. Bijbelse vroomheid is geen zelfbespiegeling, doch een leven in dankbare verwondering dat God naar ons heeft willen omzien en ons Zijn genade in Christus heeft willen schenken. Het middelpunt van de Bijbelse vroomheid is Christus, Christus alleen. Hij immers is niet alleen onze rechtvaardiging, maar ook onze complete heiliging! Wanneer wij dit goed bedenken, houdt dit ons klein en ootmoedig. Dit bewaart ons tegelijkertijd voor 'vrome bestdoenerij' en aktivisme, een zogenaamde vrome werkheiligheid die opkomt uit de mens, waarin geen plaats meer is voor: 'd' ogen houdt mijn stil gemoed; opwaarts om God te letten'. Zouden wij niet aan kracht hebben ingeboet en daarmede aan vroomheid, omdat vooral dit laatste zo weinig wordt gevonden? En zouden al die aktiviteiten die wij vooral in de winter ontplooien niet een vervanging zijn voor de vroomheid in de ware zin? Of – en dat kan ook – zou weliswaar op een andere wijze de 'vrome werkheiligheid' hiermee door een achterdeur zijn binnengehaald? Dat er gewerkt moet worden in de gemeente, zal duidelijk zijn. Dat er allerlei dingen georganiseerd worden in ons midden, behoeft op zichzelf niet verkeerd te zijn. Wel is het verkeerd, wanneer wij zouden denken dat dit het één en al is. Wij moeten maar niet vergeten, dat de mens een zeer gevaarlijk schepsel is (Witsius). Overal zoekt hij zichzelf in en met alles wil hij iets worden. De zaak Gods is echter niet onze zaak. Het is èn blijft Zijn zaak die dóórgaat, omdat Hij dóórgaat en niet omdat wij zó hard werken en zó aktief zijn. Het moge dan in de gemeente vaak bruisen van allerlei aktiviteiten, maar als het alles niet in steile en diepe afhankelijkheid van de Heere gebeurt is het de dood in de pot. Dan kweken wij vrome mensen, werkheilige mensen. Mensen die niet meer weten wat het ten diepste inhoudt getrokken te zijn uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht. Tengevolge daarvan wordt het geloof als gave Gods uitgehold en komt daarvoor in de plaats een vroomheid die voor God niet kan bestaan, omdat zij geen grond vindt in het geloof.
Met dit alles wil ik maar aantonen, dat óók wij ervoor dienen op te passen, dat wij niet opgaan in een vrome werkheiligheid, want die komt enkel en alleen op uit de mens die uit de aarde aards is en dus goddeloos is.
Intussen moeten wij van de weeromstuit ook weer niet in het omgekeerde terechtkomen. Er bestaat namelijk ook een onvrome lijdelijkheid, in de zin van: raak niet, smaak niet en roer niet aan. Een mens kan er toch niets aan doen. Men moet Gods wateren maar over Gods akkers laten lopen.
Ik denk niet dat dit in overeenstemming met de Schriften is. Hoezeer ik wil onderstrepen, dat een mens er inderdaad niets aan kan doen, kan hij toch heel wat doen, doch niet in eigen kracht, doch in de kracht van de Heere. Zegt het Woord niet, dat er in Hem kloeke daden gedaan worden? Echte vroomheid of ware godsvrucht luistert naar wat God in Zijn Woord zegt en begeert dienaangaande te handelen en te wandelen.
Uit het bovenstaande zal ons gebleken zijn, dat er twee gevaren zijn. Aan de ene kant is er het gevaar van 'vrome werkelijkheid', aan de andere zijde is er het gevaar van een 'onvrome lijdelijkheid'. Beiden worden onder ons aangetroffen. De koninklijke weg tussen beide gevaren is een leven in het geloof; een leven dat wordt gekenmerkt door eerbied en godsvrucht. En let wel: dat is geen middenweg, doch de weg die de Koning ons voorhoudt in Zijn Woord. Hoe deze eerbied en godsvrucht praktisch gestalte krijgt in het leven van de christen, wil ik in een vijfde artikel wat meer aantonen dan nu is gebeurd. Op dit moment is er genoeg aangereikt om te overdenken òf én het geloof én de vroomheid bij ons een eenheid is.
Gezelschappen
In mijn eerste bijdrage beloofde ik ook iets te schrijven over het gezelschapsleven, waarin de vroomheid werd beoefend. Wanneer ik op de catechisatie aan een groep jongeren vraag wie wel eens van gezelschappen heeft gehoord, blijven zij mij altijd het antwoord schuldig.
Meestal weten hoogbejaarden hierop nog wel een antwoord te geven, omdat zij in hun jeugd òf hiervan gehoord hadden òf daarmee in aanraking waren gekomen.
Wie een woordenboek opslaat, zal daarin zeer zeker het woord 'gezelschap' tegenkomen, doch niet in kerkelijke of religieuze zin. In de bijbel komen wij het woord 'gezelschap' wel tegen, doch daar heeft het een andere betekenis dan die het heeft gekregen in het godsdienstig leven van ons land. Kortweg gezegd bestonden de gezelschappen uit kinderen Gods die elkaar oefenden in de godzaligheid. De gangen die God met Zijn kinderen gaat werden er uitvoerig besproken.
Vele eeuwen hebben deze gezelschappen bestaan! Zij werden door sommigen zeer bemind, door anderen daarentegen niet altijd even fraai behandeld òf omschreven. Van Koelman is ons bekend, dat hij de samenkomsten van de gezelschapsmensen maar onnozele bijeenkomsten vond. Hij stond er derhalve vrij negatief tegenover. Hij was niet de enige. Op kerkelijke vergaderingen werd meer dan eens over de gezelschappen gesproken en heeft men zich daartegen eigenlijk altijd verzet. Wellicht bestond de vrees dat zij een kerkje in de kerk gingen vormen en afbreuk deden aan het gemeentelijk leven. Dat deze vrees niet altijd illegitiem was, is op te maken uit de geschiedenis van onze kerk. Om die reden is het te verstaan, dat zowel van verdachte – als van onverdachte zijde het ontstaan – en het bestaan van gezelschappen werd tégengegaan.
Toch biedt de eerlijkheid om neer te schrijven, dat juist de gezelschappen bijna driehonderd jaar een belangrijke plaats hebben ingenomen in het kerkelijke – en godsdienstig leven van ons land. Zij hebben er middelijkerwijze zorg voor gedragen dat het geestelijk leven werd verrijkt en verdiept. De zielen werden onderwezen en geoefend in de weg der waarheid en zij openbaarden een vroomheid waarvan ik denk: hadden wij in onze tijd daarvan ook maar iets.
Wij zullen verstaan, dat ik het heb over die gezelschappen die zich laten leiden door Gods Woord. Ik heb het niet over allerlei uitwassen of extremiteiten die er ook wel bij de gezelschappen werden aangetroffen. En onder uitwassen versta ik o.a. die waarin de vrome mens in het middelpunt stond en van het werk Gods in de ziel niets werd vernomen. Die gezelschappen zijn er inderdaad ook geweest. Maar ook al zijn die er geweest, daarom behoeft met het vuile badwater nog niet het kind weggeworpen te worden. Mijns inziens is het toch een enigszins te betreuren zaak, dat in de loop van de twintigste eeuw de meeste gezelschappen in ons land zijn verdwenen. Voorzover ik heb na kunnen gaan, zijn er nog een paar. Deze lijden echter een kwijnend bestaan. Hoofdzakelijk worden zij gevormd door ouderen tengevolge waarvan het er naar uitziet, dat zij over een aantal jaren helemaal zullen ophouden te bestaan. Ik acht dit zeker géén teken van geestelijke rijkdom, veeleer van geestelijke armoede. En hoe goed en geestelijk bijbelkringen mogen zijn, doch zij zijn van een andere aard dan het vroegere gezelschapsleven. In het vervolg van deze reeks hoop ik dit nog wel aan te tonen.
Convent van Wezel
De vraag dringt zich aan ons op of de gezelschappen een plaats verdienen in het kerkelijke leven op grond van Gods Woord? Behoren zij tot de aard van het christelijk gemeenschapsleven?
Het moet ons opvallen, dat in artikelen van het convent van Wezel – ook wel genoemd: de synode van Wezel – een uitvoerige beschrijving wordt gegeven van de samenkomsten der gezelschappen, hun doel en methode van werken. Dit convent ontwierp een aantal bepalingen aangaande de profetie. Daaruit is op te maken, dat de kerk der hervorming wilde teruggaan naar de apostolische tijd. Vooral legde men nadruk op 1 Korinthe 14 waarin men een voorbeeld van een ander soort samenkomst aantrof naast die van de kerkelijke bijeenkomsten. In 1 Korinthe 14 : 26-31 lezen wij: 'Wat is het dan, broeders? Wanneer gij samenkomt, een iegelijk van u, heeft hij een psalm, heeft hij een leer, heeft hij een vreemde taal, heeft hij een openbaring, heeft hij een uitlegging; laten alle dingen geschieden tot stichting; en zo iemand een vreemde taal spreekt, dat het door twee, of ten meeste drie geschiede, en bij beurte; en dat één het uitlegge. Maar indien er geen uitlegger is, dat hij zwijge in de Gemeente; doch dat hij tot zichzelf spreke, en tot God. En dat twee of drie profeten spreken, en dat de anderen oordelen. Doch indien een ander, die er zit, iets geopenbaard is, dat de eerste zwijge. Want gij kunt allen, de een na de ander profeteren, opdat zij allen leren en allen getroost worden'. Op grond van deze woorden uit de Heilige Schrift bevatten de artikelen van het convent van Wezel o.a. het volgende; 'Profeten noemen wij alhier, die in de vergadering der gemeente (bedoeld is: en samenkomst i.c. gezelschap naast de officiële kerkdiensten, de K.), de een of andere Schriftuurplaats ordelijk uitleggen, zoals Paulus ingesteld heeft. En daarin onderscheiden wij hen van de predikanten, dat hun eigenlijk bevolen wordt het uitleggen van de Schrift, en te leren, maar het ambt van dienaren des Woords strekt zich wijder uit, dan voren is aangewezen. Daarom oordelen wij dat deze orde der profetie in alle aankomende, of ook bloeiende gemeenten, daar het enigszins kan geschieden, naar Paulus' instelling behoort onderhouden te worden'. Het zal ons duidelijk zijn dat het ambt van de herder en leraar niet gelijk gesteld werd met dat van de 'profeten'. De officiële kerkdiensten en alle kerkelijke handelingen moesten verricht worden door de predikant. De bijeenkomsten naast de officiële kerkdiensten konden daarentegen geleid worden door de 'profeten'. Dan kon in beginsel ieder kind van God zijn in verband met diens profetisch ambt.
(wordt vervolgd)
G. S. A. de Knegt, P.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's