De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verliezen wij de vroomheid? (4)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verliezen wij de vroomheid? (4)

10 minuten leestijd

Een vorig keer besloot ik het artikel met te vermelden, dat het convent van Wezel het besluit had genomen dat een bijeenkomst of een gezelschap onder leiding moest staan van de profeten. De leiding behoefde echter niet altijd in handen van een predikant te zijn, ook een gewoon gemeentelid mocht deze samenkomst leiden. Bovendien mochten anderen op zo'n samenkomst het woord voeren als het alles maar wel tot stichting was. Wat buiten het Woord om was moest geweerd worden. Daarbij was er een bepaling opgenomen dat de voornaamste profeet – meestal degene die de leiding had – zo'n bijeenkomst met gebed moest besluiten.
Hoe hoog Van der Groe deze samenkomsten heeft geacht blijkt o.a. uit een catechismuspreek over zondag 2. Hij vermaant daarin zijn gemeente met de volgende woorden: 'Zoudt gij lieden ook wel ware profeten zijn, die gewoon zijt zo bijster lebbig (onaangenaam) en laag te spreken van het geestelijk profeteren der christenen in de gemeente; die meent dat dit alleen maar het werk der leraars is, en dat het niet betaamt aan particuliere christenen, en aan ongestudeerde leden der gemeente; die de profetische oefening onder ons wel durft bespotten en verachten, en openlijk toont, dat gij u te waardig oordeelt om daarin te komen en die er anderen ook wel graag uit zoudt willen houden in plaats dat gij God ernstiglijk behoordet te danken, zo Hij nog particuliere christenen onder ons verwekt, die lust hebben om tot stichting en zaligheid van hun evennaaste openlijk te profeteren; en dat gij zulk profeteren naarstig behoorde bij te wonen, dat te prijzen en anderen daartoe op te wekken'.

Een plaats in de kerk
Men heeft geprobeerd om de gezelschappen een plaats te geven in de wettelijke orde van de kerk. Hoe nauw de band tussen beiden behoorde te zijn blijkt o.a. uit deze bepaling van Wezel: 'De profeten zullen op zekere dagen alle weken óf om de veertien dagen na de predikatie of op andere bekwame tijden voor de gemeente verschijnen, en tot aller stichting het één of andere boek van de Bijbel met bekwame orde bij beurten verhandelen. En als degene, welks beurt het is zijn ambt zal hebben volbracht, zo zullen degenen, die hen in de zitplaatsen volgen, ook het hunne, indien het hun goeddunkt, naar voren brengen, hetgeen tot stichting dient.'
Op bovenstaande wijze wilde men er zorg voor dragen dat prediking en profetie nauw bij elkaar aansloten. Zij konden elkaar aanvullen en verduidelijken.
Uit de artikelen van Wezel is op te maken dat er twee vormen van samenkomsten zijn. De ene vorm is dat de samenkomst het karakter heeft van een oefening. Er is een voorganger, die de leiding heeft en zo goed als alleen het woord voert. De andere vorm is, dat het een onderling gesprek is, waar men elkaar de ervaring, de bevinding, de uitreddingen en de vertroostingen meedeelt en onderling bespreekt. Een samenkomst dus waarin gehandeld wordt over de gangen die God met Zijn volk gaat.
Hoewel het convent van Wezel de gezelschappen een plaats heeft willen geven in het kerkelijk bestel, hebben latere synoden dit niet gewild. Te denken valt aan de synode van Dordrecht (1618-1619). Door de Gelderse synode werd aan de Dordtse synode de vraag voorgelegd 'of de beoefening van de profetie niet goed zou zijn, mits onder bekwame leiding, opdat zij niet tot schisma, maar tot stichting strekke'. Wat die bekwame leiding betreft, verstond men daaronder dat vrome, geleerde en gematigde predikanten die ter hand zouden nemen. Wat het precies is geweest is onbekend, maar deze vraag van de Gelderse synode is in 1618-1619 onbeantwoord gebleven. Men had reeds zoveel moeten regelen voor een poed geordend kerkelijk leven dat men óf te moe is geweest om deze vraag van de Gelderse synode nog in behandeling te nemen óf dat men die vraag op dat moment niet relevant vond.
Had men hierover echter een duidelijk antwoord laten horen, zo zouden wellicht latere synoden verschoond zijn gebleven van deze vraag. Nu er evenwel in de kerkorde hierover niets was opgenomen, kreeg de Zuidhollandse synode te Delft in 1628 en die te Leiden in 1629 te maken met een aantal klachten over een gezelschap, dat op zondagmiddag na de kerkdienst bij elkaar kwam en waar men zich oefende in het lezen en verklaren van de brief aan de Romeinen. De klachten hierover waren dat men er gevaren inzag voor een goed geordend kerkelijk leven. Scheuring en afscheiding zouden hiervan een gevolg kunnen zijn. Gevreesd werd voor de vorming van een gemeente in de gemeente. Als voorbeeld hiervoor werd Engeland aangevoerd waar dit kwaad reeds geschied was. Terecht wilde men dit voorkomen!

Nadere Reformatie
De nadere reformatie wordt gekenmerkt door een grote bloei van het gezelschapswezen. In het stichten van elkaar zoekt men verdieping van het geestelijk leven. Juist dan komt openbaar dat kerk en gezelschap elkaar zeer slecht verdragen. Er ontketent zich een felle strijd tussen vóór- en tégenstanders van de gezelschappen. De voorstanders moeten wij niet alleen zoeken onder wat wij noemen gewone gemeenteleden, maar ook onder de predikanten. Laatstgenoemden voelen zich verwant met hen die de behoefte hebben om samen te komen teneinde met elkaar te spreken over de zaken van het Koninkrijk Gods en de geestelijke schatten van Gods Woord. Andere predikanten daarentegen zijn om verschillende oorzaken felle bestrijders van de gezelschappen. Hun motieven zijn werkelijk niet altijd even zuiver. Soms betonen zij zich zeer kleinmenselijk. Niets menselijks, niets zondigs is ze vreemd. Dit alles doet Van Lodenstein zeggen: 'Gezelschappen worden door wereldse mensen gehaat en door sommige vromen hoofdschuddend aangezien, maar zij dienen tot opwekking van de geest, tot beoefening van de christelijke liefde en der goede werken'. Van Van Lodenstein is bekend, dat hij zich voor het gezelschapsleven heeft ingezet en dit heeft verdedigd. Dat geldt trouwens ook voor Koelman. Hij noemt weliswaar de gezelschappen onnozele d.i. onschuldige bijeenkomsten', doch hij heeft dan toch maar een groot aantal bepalingen opgesteld, opdat zij in orde gehouden zouden kunnen worden.
Van de tegenstanders van het gezelschapsleven schreef ik reeds dat zij bepaald niet altijd even verdraagzaam waren, hoewel zij vurige voorstanders waren van een prediking waarin de verdraagzaamheid het één en al was. Zo tolerant waren zij echter niet. In dit verband denk ik nog eens aan Betje Wolff en Aagje Deken die ik in het eerste artikel reeds naar voren haalde. In één van de brieven van één dezer dames staat o.a. het volgende: 'Groet de Herder van Kralingen; zeg, dat ik, wanneer ik weder te Kralingen kom, hem wel volkomen aphesis, loslating, wil aankondigen, vermits zijn dienst van weinig nut is. Groet de vriendinnen, die onder het kruis boterhammen vr… en wens haar alle zegeningen van een werkzaam leven'. Wie met de Kralingse predikant bedoeld is, zal duidelijk zijn. Het is de bekende Van der Groe. Afgezien nu van de platvloerse taal die door één van de dames wordt gebruikt, blijkt uit haar schrijven de geweldige aversie tegen het bevindelijk leven en tegen hen die dit leven kenden en voorstonden.
Niettegenstaande alle weerzin en vijandschap zijn de gezelschappen toch blijven voortbestaan. Zelfs allerlei negatieve uitspraken van de kerk in die tijd, hebben ze niet uit kunnen roeien. Tegen het einde van de achttiende eeuw zijn de gezelschappen zelfs in aantal toegenomen. Dat hun getal groter werd had als oorzaak dat de prediking in verval raakte. De deugdzame mens stond meer in het middelpunt van de prediking dan de grote daden Gods. Om die reden trokken velen zich terug in de gezelschappen alwaar zij voedsel zochten voor hun hongerende ziel.

Voorstanders
Zoals ik reeds schreef waren er onder de voorstanders van de gezelschappen ook predikanten. Wij moeten echter niet denken, dat deze predikanten het altijd zo gemakkelijk hebben gehad. Op twee fronten hadden zij doorgaans strijd te voeren. In de eerste plaats waren daar hun collega's die vijandig stonden tegen de bevindelijke waarheid en om die reden van gezelschappen in hun gemeente niets wilden weten. Dientengevolge was de collegialiteit soms ver te zoeken en was er van een broederlijk optrekken in de dienst des Heeren volstrekt géén sprake. Over dit laatste zuchten wij nu wel eens, maar wie de kerkgeschiedenis uit vorige eeuwen leest, zal tot de conclusie komen dat het toen werkelijk niet veel beter was. Misschien was het soms nog wel erger. Als de Heere niet zelf Zijn kerk had bewaard en ook vandaag bewaart, ik denk niet dat er dan nog een kerk zou zijn.
Echter… de voorstanders hadden niet alleen strijd te voeren met hun collega's die niet zo verdraagzaam waren als zij wel predikten. Hun strijd lag ook nog op een ander front. In de tweede plaats hadden zij namelijk evenzeer te strijden tegen hen die van het gezelschap een kerkje in de kerk wilden maken. Dat gevaar is eigenlijk altijd aanwezig geweest. Waar krachtige leiding aan het gezelschap werd gegeven, werd dit gevaar gezien en bezworen. Wanneer dit echter niet het geval was, ging men zich ook wel eens tegen de kerk afzetten en vormde men inderdaad een kerkje in de kerk met alle gevolgen van dien.
Het werden elitaire groepen die zich gingen afzetten tegen alles wat van de kerk was. Men ging zich zó 'bekeerd' en zó 'diep doorgeleid' wanen, dat men zich te goed achtte om zondags met het volk op te gaan naar Gods huis. Dat komt weliswaar in andere zin ook vandaag nog voor. Het gebeurt immers, dat men eigenlijk niet meer in de Hervormde Kerk kan blijven komen als men tot God bekeerd is. Sommigen menen zich dan te moeten aansluiten bij één van de andere kerken. De Hervormde Kerk – zo wordt gezegd en gedacht – kan wel kinderen baren, maar zij kan die kinderen niet grootbrengen, want zij heeft voor hen geen geestelijk voedsel. Ik denk dat dit geestelijke hoogmoed is alsmede ook dat er weinig kerkelijk besef aanwezig is. Het kan toch niet waar zijn, dat een mens door God bekeerd tegelijk ook tot een andere kerk wordt bekeerd. Zou de Heere dan de prediking waardoor Hij een mens bekeert ook niet kunnen en willen gebruiken om Zijn volk verder te leiden? Wij moeten maar niet vergeten dat het 'vrome vlees' óók het 'vrome vlees' van een door God tot God bekeerd mens hier parten speelt. Zoals het dit evenzeer heeft gedaan bij die gezelschappen die een gemeente in de gemeente gingen vormen. De voorstanders i.c. de predikanten, die de gezelschappen een warm hart hebben toegedragen, hebben hiertegen altijd moeten strijden en helaas die strijd ook wel eens moeten verliezen.

Het goede gezelschap
Er mogen onder de gezelschappen uitwassen zijn geweest, doch er hebben zeer zeker hele goede gezelschappen bestaan. Er werd onderling gesproken van hart tot hart. Men liet iets zien en horen van het verborgen geestelijk leven. Daardoor wekte men elkaar op. Men troostte en onderwees elkaar in de weg des heils. Voor velen zijn de gezelschappen tot zegen geweest, niet in het minst voor hen die zo aan het begin van de weg stonden en die door anderen, die dieper ingeleid waren in de heilgeheimen Gods, verder geleid werden. Het was bepaald niet zo dat degene die zich bij een gezelschap aansloot altijd eerst gewogen werd óf dat men 'zijn weg' eerst maar eens moest vertellen. Integendeel, men was juist erg blij en dankte God, wanneer er 'nieuwelingen' bijkwamen die begeerden nauwkeuriger onderwezen te worden in de weg des Heeren. Men werd opgescherpt in de liefde en in de ware vroomheid. Van het goede gezelschap is derhalve veel goeds uitgegaan, ook voor het geheel van de gemeente.
(wordt vervolgd)
G. S. A. de Knegt, P.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 september 1988

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Verliezen wij de vroomheid? (4)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 september 1988

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's