De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verliezen wij de vroomheid (5)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verliezen wij de vroomheid (5)

11 minuten leestijd

Aan het einde van mijn vorige artikel heb ik mij tamelijk positief uitgelaten over de gezelschappen. De welwillende lezer zal verstaan hebben, dat ik het oog had op die bijeenkomsten die onder goede leiding stonden en derhalve vruchtbaar waren voor het geestelijk leven. Toch moeten wij niet denken dat alle gezelschappen altijd zodanig zijn geweest. Soms stond meer 'de vrome mens en zijn gevoelens' op de voorgrond dan de grote daden Gods. Er waren echter ook andere gevaren waaraan de gezelschappen blootstonden. Enige hiervan wil ik noemen. Bij wie er gezelschap werd gehouden, die moest ook zorgen voor een maaltijd. De één kon dat goed betalen, de ander niet. Doordat men voor elkaar niet wilde onderdoen, joeg men elkaar op kosten. Men was namelijk bang dat men achteraf zou horen dat men gierig was. En dat wilde men voor geen prijs zijn of daarvoor gehouden worden. Dat tengevolge hiervan sommige gezinnen gebrek hebben geleden, zal duidelijk zijn.
Ook kwam het wel voor dat men zijn gezin ging verwaarlozen. Men trok van gezelschap naar gezelschap, waardoor men niet alleen vergat zijn goddelijk beroep getrouw uit te oefenen, maar ook vrouw en kinderen verwaarloosden. Sommigen waren zo 'overgeestelijk' dat zij zeiden: 'mijn vrouw en mijn kinderen hebben toch geen kennis aan het leven, dus behoef ik voor hen geen zorg te dragen'. Dat ook vrouw en kinderen een ziel bezaten, werd door hen blijkbaar niet ingezien. Evenmin trouwens dat men als man en vader goede zorg heeft te dragen voor vrouw en kinderen. Het is daarom niet zo vreemd, dat sommige kinderen hun achting voor hun vader hierdoor verloren en met de kerk, met God en Zijn dienst, niets meer te maken wilden hebben.
Iets anders was, dat men het op sommige gezelschappen 's avonds veel te laat maakte. Het kwam wel voor dat men zelfs tot diep in de nacht doorging. Het gevolg was dat men veel te laat naar bed ging en men 's ochtends niet fris was of zelfs helemaal niet in staat was om de arbeid te verrichten. Heel nuchter heeft Smijtegelt dan ook gezegd, dat men de tijd in het oog moest houden, opdat eenieder de volgende morgen weer fris zou zijn òf haar werk zou kunnen doen. Ons dagelijks beroep – zo zei hij – is ook godsdienst. Ik denk dat Smijtegelt gelijk heeft en dat wij zijn woorden ter harte kunnen nemen. Het zal juist zijn als iemand stelt dat Smijtegelt dit gezegd heeft met het oog op de gezelschappen en dat wij zulke bijeenkomsten in ons land vrijwel niet meer kennen. Mag ik het daarom toepassen op de anderssoortige bijeenkomsten die wij hebben en vooral op allerlei vergaderingen die eindeloos kunnen zijn. Soms komt men in het holst van de nacht thuis. Vrouw en kinderen zijn reeds lang naar bed, tengevolge waarvan meii als gezin de dag niet met Schriftlezing en dankgebed heeft kunnen besluiten. Bovendien wreekt het zich de volgende morgen dat men zo kort en zo slecht heeft geslapen. Eigenlijk moest er een onverbiddelijke stelregel zijn, dat iedere bijeenkomst of vergadering 's avonds om tien uur, doch uiterlijk om half elf zou zijn afgelopen. Dat zou voor alle dingen goed zijn, maar niet in 't minst ook voor het gezinsleven. Het mag toch niet voorkomen, dat iemand op huisbezoek zegt: 'Ik heb een beste en lieve moeder gehad, maar mijn vader heb ik nooit gezien, want die moest zonodig iedere avond weg en kwam dan in het holst van de nacht thuis.' Wellicht is dat alles enigszins overtrokken, doch een kern van waarheid zal er toch wel in zitten. Laten wij bovendien toch geestelijk nuchter zijn, want kunnen wij op een bijeenkomst òf een vergadering urenlang spreken over geestelijke zaken? Gaat het spreken niet allengs over in het spreken over anderen? Dat gebeurde ook wel bij de gezelschappen, wanneer men te lang bij elkaar bleef. In veroordelende zin werd er dan over anderen gesproken. Afgunst en nijd vierde hoogtij. Men kon het niet hebben dat de één het iets beter had dan de ander. Zelfs was men wel nijdig en liet men zich in laatdunkende zin uit om wat de Heere in Zijn vrijmacht aan geestelijke gaven aan de ander had geschonken. Zo werd de vrijmacht Gods betutteld. Door nijd en afgunst zijn dan ook sommige gezelschappen uit elkaar gevallen of klonterden op een onfrisse manier samen.

Geruisloos verdwenen
Na negentienhonderd zijn de gezelschappen op een enkele na eigenlijk geruisloos verdwenen. Er zijn hiervoor een aantal oorzaken te noemen. In de eerste plaats denk ik aan het wezen van de gezelschappen zelf. Meer en meer ging er goede leiding ontbreken tengevolge waarvan allerlei uitwassen ontstonden. Ook de eensgezindheid en de liefde was soms heel ver te zoeken. Men waste om het geringste òf het minste liever elkaars oren dan elkaars voeten. De één meende méér te zijn dan de ander en wilde om die reden 'de baas spelen'. Ook speelde de kerkelijke verdeeldheid een grote rol. Sommigen waren in de vaderlandse kerk gebleven, anderen hadden zich daarvan afgescheiden en in één van de afgescheiden kerken een plaats gevonden. Gevolg was dat men ging twisten over de vraag welke kerk toch wel de meest zuivere openbaring van het Lichaam van Christus was. Door deze twistvraag werden de hoofden al warmer, doch de harten steeds kouder en ontstond er een geesteloosheid die de mensen uit elkaar dreef. Toch is dit alles niet alleen een oorzaak geweest waardoor de gezelschappen geruisloos zijn verdwenen. Ik denk in de tweede plaats niet minder aan het feit dat er vanwege allerlei oorzaken een algemene vervlakking van het godsdienstig leven ontstond. Ook dit heeft zeer zeker zijn invloed op het verdwijnen van die gezelschappen gehad. Het zou te ver voeren om hierop nu nog verder in te gaan, wel denk ik dat wij iets wezenlijks met hun verdwijnen zijn kwijtgeraakt.

Vroomheid, heiliging en moraliteit
Drie woorden vroomheid, heiliging en moraliteit, waarvan de eerste twee bij elkaar behoren en de laatste op zichzelf staat. Tussen heiliging en moraliteit bestaat een enorm groot verschil. Moraliteit komt uit de mens op. De bron daarvan kan zijn de zogenaamde menselijke goedheid, een idealisme of een ideologie. De heiliging, gepaard gaande met vroomheid, heeft geen bron in de mens zelf. Die bron ligt geheel buiten de mens. De bron voor de heiliging is: Christus. De heiliging van het leven is daarom verbonden met de genade van Christus. Dat wil intussen niet zeggen dat een christen en een niet-christen niet tot dezelfde concrete daden zouden kunnen komen. Dat kunnen zij wel. Wij zien dat onder andere aan de daden van politici. Een christenpoliticus neemt soms dezelfde beslissingen als een politicus die wars is van alle godsdienst en zijn beslissingen neemt op grond van de ideologie die hij aanhangt. Trouwens ook in het gewone dagelijkse leven nemen christenen en niet-christenen wel dezelfde beslissingen en doen zij dezelfde dingen of niet. Waarin zit dan het verschil? Wel, voor de christen geldt altijd: zonder Mij kunt gij niet doen. De christen weet, dat hij buiten het geloof in Christus om geen goed kan doen. Bij de niet-christen gaat het altijd om de goedheid van de mens zelf. En hierin komt zijn vijandschap tegen God uit dat hij een bron zoekt in zichzelf en weigert om uit de genade van Christus te leven. Bovendien gaat het bij de niet-christen hooguit om de humanisering van dit leven en van deze wereld. Daarin jaagt men een menselijk ideaal na. In alles heeft men het oog op zichzelf. De christen daarentegen heeft, levend uit de genade van Christus, het oog geslagen op de eer van God alsmede op de dienst van en aan God. Hierin komt dan ook de concrete levensheiliging met de vroomheid uit als alles wordt gedaan, gezegd en gehandeld coram deo (voor het aangezicht van God), levend uit de genade van Christus. Een christen is dus geen moralist. Laatstgenoemde zoekt de moraliteit in en bij zichzelf. Een christen is wel iemand die teer is op de eer des Heeren en zijn vermaak zoekt in Gods geboden! De bron waaruit hij put is geheel anders!

Praktijk der Godzaligheid
Het bovenstaande brengt ons bij de praktijk der Godzaligheid. Het woord 'Godzaligheid' komen wij in de Statenvertaling verschillende malen tegen. Met name in het Nieuwe Testament, te weten in de Handelingen der Apostelen; I en II Timotheüs; Titus en II Petrus. Wanneer ik goed geteld heb, komt dit woord in I Timotheüs maar liefst zeven keer voor en in II Petrus vier keer. In de andere genoemde Bijbelboeken slechts één keer. Het Griekse woord 'eusebeia' hebben de Statenvertalers met 'Godzaligheid' vertaald. Het kan echter verschillende betekenissen hebben, o.a. 'terugtreden' en 'afstand nemen'. Ook kan het de betekenis hebben van 'onder de indruk komen krachtens een. innerlijke houding door iets dat hoog is'. Vanuit de oudheid is ons bekend, dat de Grieken 'eusebeia' hebben betrokken op de godenwereld. Daarmee drukten zij hun grote ontzag voor die wereld uit. In christelijk taalgebruik wordt de verering van God ermee aangeduid. Het wil daarmee een bepaalde levenshouding van de christen i.c. de gelovige aangeven. De christen is immers door het geloof met Christus verbonden en krijgt daardoor deel aan het leven van de Zaligmaker. Dit brengt tot een andere levenshouding.
Een levenshouding die zich maar niet beperkt tot een enkel verband van het leven, maar die zich uitstrekt tot alle relaties waarmee een christen heeft te maken. Kortom: tot alle levensverbanden. Zodra nu de mens door het geloof ingeënt is in de Wijnstok Christi wordt hij een nieuw mens. Deze nieuwe mens zal zich openbaren in een Godvruchtige levenswandel. Het wordt de begeerte van de nieuwe mens om de Heere te behagen. Hij wordt bevreesd om iets te dogn wat scheiding teweeg brengt tussen de Heere en zijn ziel. Hij krijgt een begeerte in zijn ziel om zo te leven, te handelen en te wandelen, dat hij bang is dat om zijnentwil de Naam des Heeren wordt gelasterd. Steeds wordt hij beheerst door de vraag: hoe komt God aan Zijn eer? Als men mij vraagt òf dit alles altijd zo sterk aanwezig is, geef ik op die vraag een ontkennend antwoord. De dagen der duisternis kunnen soms vele zijn. Ook komt het wel in het leven van de christen voor, dat hij door eigen schuld de zoete gemeenschap met God moet missen. Ik verwijs daarvoor nu slechts naar de Psalmen waarin wij in het hart van Gods kinderen kijken. Hoe horen wij ze zichzelf beschuldigen èn klagen over hun Godsgemis. Maar ook hoe horen wij ze juichen, wanneer de Heere Zijn gemeenschap opnieuw openbaart en het geloof opnieuw verlevendigt. Zij hebben niet altijd gejuicht, maar zij hebben ook niet altijd geklaagd. Dit laatste schrijf ik nadrukkelijk. Want soms krijg ik wel eens de indruk, dat de Heere alleen maar een klagend volk heeft. Alsof er staat geschreven: 'Wij gaan van klacht tot klacht steeds voort' in plaats van 'Wij gaan van kracht tot kracht steeds voort'. Wat erg als de klacht het kenmerk gaat worden van het geloof. Zou God daarin geëerd worden? Ik denk het niet! En nogmaals: het klagen vooral over eigen zonden wordt in het leven van Gods kinderen gevonden, maar als de Heere overkomt met Zijn schuldvergeving, dan is er ook een verblijden in de Heere. Dan is het zoals, de voorzang van Psalrn 18 zegt: 'Nu zal mijn hart, nu zullen al mijn zinnen; o God, mijn Sterkte, U hartelijk beminnen'. Maar dan wordt ook de begeerte in het hart verlevendigd om de Heere tot eer te leven. Dan is er het verlangen om Godvruchtig en vroom te leven. Zo'n Godvruchtig leven bestaat dan niet alleen in wat mediteren, in redeneren, of wat zingen. Dat hoort er allemaal wel bij, doch het is niet het enige. Het is ook heel concreet: een haten en vlieden van de zonde. En hierom gaat het in de heiligmaking zonder welke niemand de Heere zal zien. En nu recht op de man af: verliezen wij de vroomheid niet, omdat er zo bitter weinig in ons leven wordt gevonden van dat 'haten en vlieden van de zonde'? Weten wij er nog wel van ons van bepaalde dingen te onthouden? En in 't bijzonder ons van die dingen te onthouden die Gode en Zijn Christus niet welgevallig zijn? (wordt vervolgd)
G. S. A. de Knegt, P.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Verliezen wij de vroomheid (5)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's