De vernieuwing van het verbond (2)
Het wetboek
Dr. Paul is terecht van mening dat het wetboek dat bij de restauratie van de tempel onder koning Josia tevoorschijn kwam het boek Deuteronomium is. Er werd slechts één rol gevonden.
Nu doet zich de volgende moeilijkheid voor. Josia heeft zich bij het doorvoeren van tal van hervormingen laten inspireren door voorschriften uit het boek Deuteronomium. Dr. Paul toont dat aan (299 v.). Het vinden van het wetboek was echter niet de aanleiding maar het gevolg van de vernieuwing van het beleid onder Josia. Ook vóór het achttiende jaar van zijn regering was hij daar reeds volop mee bezig. Héé! zijn optreden werd daardoor gekarakteriseerd: Hij deed wat recht was in de ogen des Heeren; en hij wandelde in al de weg van zijn vader David, en week niet af ter rechter- noch ter linkerhand, 2 Kon. 22 : 2. Hij zal zich daarom zeker ook gehouden hebben aan het bepaalde in de wet op het koningschap: Voorts zal het geschieden, als hij op de stoel van zijn koninkrijk zal zitten, zo zal hij zich een dubbel (duplicaat) van deze wet afschrijven in een boek, uit hetgeen voor het aangezicht van de Levitische priesters is. En het zal bij hem zijn, en hij zal daarin lezen al de dagen van zijn leven; opdat hij de Heere, zijn God, lere vrezen, om te bewaren al de woorden van deze wet en deze inzettingen, om die te doen, dat zijn hart zich niet verheffe boven zijn broeders, en dat hij niet afwijke van het gebod, ter rechter- of ter linkerhand; opdat hij de dagen verlenge in zijn koninkrijk, hij en zijn zonen, in het midden van Israël, Deut. 17 : 18-20. Wat ons opvalt is dat de formulering 'ter rechter- of ter linkerhand' voorkomt zowel in de wet op het koningschap, Deut. 17 : 20, als in de typering van heel Josia's optreden, 2 Kon. 22 : 2. Waarom dan de opschudding als het gevonden wetboek Josia wordt voorgelezen? Hij kreeg alleen datgene te horen wat hij van zijn jeugd af al. had gehoord. Hij deed toch wat recht was in de ogen des Heeren? Hij zag zichzelf toch in al zijn doen en laten voor het aangezicht van die God Die rechtvaardig oordeelt?
In het proefschrift van dr. Paul vinden we een aanwijzing die ons verder helpt. Hij vergelijkt namelijk het vinden van het wetboek met het oud-oosterse verdragsrecht. Wanneer de verdragsoorkonde zoek was of was gebroken, hield dat in, dat het verdrag verbroken was (301), met al de gevolgen van dien. Nu treden de in het verdrag vastgelegde sancties in werking… Daarom scheurt de koning zijn kleren als teken van rouw.
Er moet dus in het verleden een ceremoniële plechtigheid hebben plaatsgevonden waarbij het verbond met God werd vernieuwd. Bij die gelegenheid is volgens de toen gangbare gewoonten een rol van de Wet gedeponeerd in de tempel. Dat kan gebeurd zijn onder Hizkia. Onder zijn opvolger, koning Manasse, werd het heiligdom grondig verknoeid door allerlei verbouwingen die het geschikt moesten maken voor heidense godsdienstige praktijken. Het kan zijn dat toen het exemplaar van het wetboek dat diende als verdragsoorkonde zoek is geraakt. Waarschijnlijk werd zo'n rol bewaard in een kruik. Je. 32 : 14. Een schat in een aarden vat. Het waren moeilijke tijden. Zware vervolgingen braken los. De 'kerk' werd ondergronds. Het boekje van de profeet Nahum dat uit deze jaren dateert, was een vlugschrift. Zijn profetie ging van hand tot hand en van mond tot mond. Daarom kan de herinnering aan de verdagsoorkonde van weleer verloren zijn gegaan.
De vernieuwing van het verbond
Josia wandelt in al de weg van zijn vader David maar Juda heeft het verbond verbroken. Wat nu? De situatie is gecompliceerd. Wat zal de doorslag geven: Josia's trouw aan de dienst des Heeren of Juda's afval? Daarom stuurt de koning een delegatie naar de profetes Hulda met de opdracht: Gaat heen, vraagt de Heere voor mij, en voor het volk, en voor het ganse Juda, over de woorden van dit boek, dat gevonden is; want de grimmigheid des Heeren is groot, die tegen ons ontstoken is, omdat onze vaderen niet gehoord hebben naar de woorden van dit boek om te doen naar al wat voor ons geschreven is, 2 Kon. 22 : 13. Geheel in het voetspoor van David weet hij zich solidair met zijn volk. Toch begrijpt hij dat zijn zaak en die van Juda onderscheiden moeten worden. Hij stelt daarom een tweeledige vraag. Ook het antwoord is tweeledig: Het oordeel over Juda is onafwendbaar geworden maar Josia zal die ellende bespaard blijven. Als het zover komt is hij al gestorven. Verder blijkt uit dit antwoord dat het wetboek hier functioneert als verdragsoorkonde. Want in heel Deuteronomium wordt over Jeruzalem en haar inwoners met geen woord gerept. In dit bijbelboek is het centrale heiligdom de verplaatsbare tabernakel en niet de tempel op de Sion. Toch heeft Josia daarin het oordeel gehoord 'over deze plaats en haar inwoners'. Door het (wat Josia betreft ongewild) laten verdwijnen van het wetboek als verdragsoorkonde komt het daarin aangekondigde oordeel aan Israël in geval van ontrouw nu over Jeruzalem. Josia heeft iets van Luther. Hij beroept zich tegen God op God. Ondanks het voor Juda negatieve antwoord van de Heere roept hij al het volk, 'van de minste tot de meeste', bijeen in de tempel en voltrekt hij de ceremonie van de vernieuwing van het verbond. De koning treedt hier – zoals telkens in deze hoofdstukken – op als de handelende persoon. Was de vernieuwing van het verbond een periodiek terugkerende plechtigheid of moeten we zelfs spreken over 'het féést van de vernieuwing van het verbond'? Dit is een omstreden kwestie. Er zijn onvoldoende gegevens waaruit de instelling van zo'n feest kan worden afgeleid. Vaak wordt in dit verband gewezen op het voorschrift dat in het sabbatsjaar tijdens de viering van het Loofhuttenfeest heel de Tora aan Israël moet worden voorgelezen 'opdat zij horen en opdat zij leren, en vrezen de Heere, uw God, en waarnemen te doen alle woorden van deze wet', Deut. 31 : 9-13. Deze doelstelling krijgt echter geen liturgische vorm. Dat zou trouwens te beperkt zijn. De Heere vraagt meer, vraagt alles: hart en leven. De vernieuwing van het verbond krijgt wel een liturgische vormgeving bij de verbondssluiting in Ex. 24 : 1-18. En Mozes nam de helft van het bloed (van jonge ossen) en zette het in bekkens, en de helft van het bloed sprengde hij op het altaar. En gij nam het boek des verbonds, en hij las het voor de oren van het volk; en zij zeiden: Al wat de Heere gesproken heeft, zullen wij doen en gehoorzamen, vs. 6 v. De vernieuwing van het verbond op de Gerizim in Deut. 27-31, de landdag in Sichem (dus ook bij de Gerizim) in Joz. 24. de inwijding van de tempel in 1 Kon. 8 en de zuivering van de gemeente in Ezra 10 bevatten wel liturgische elementen, maar een vast patroon is daarin niet te ontdekken. Bovendien zijn het eenmalige gebeurtenissen. Van een periodiek karakter zoals bij het Paas-, Pinksteren- en Loofhuttenfeest is geen sprake. De enige uitzondering daarop is het voorschrift uit Deut. 31 : 9-13.
Toch is de zaak daarmee niet afgedaan. Want al lezen wij nergens in het O.T. iets over de instelling van het feest van het verbond of van de vernieuwing van het verbond, toch vinden wij in de Psalmen teksten die uitgelegd kunnen worden als aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk ritueel. Men denkt dan met name aan de Ps. 50 en 81. Daarom staat de voorstelling van het verbond centraal. In Ps. 50 : 5 klinkt de stem des Heeren: Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten, die Mijn verbond maken (N.V.: sluiten) met offeranden. Calvijn tekent daarbij aan: 'Nu geeft de profeet hier duidelijk te kennen, dat de offers alleen waarde hebben wanneer zij dienen als het zegel of de handtekening die mensen zetten of soortgelijke handelingen, om het verbond met God te bekrachtigen. Zelfs zinspeelt hij op een gewoonte die overal in gebruik was. Want om een verbond meer kracht bij te zetten, werd het – zoals bekend – bevestigd door het brengen van offers'. Bovendien neemt de vernieuwing van het verbond in de geschriften uit de intertestamentaire periode een belangrijke plaats in. Telkens weer wordt teruggegrepen op Deut. 27-31. Soms leidt dat tot het martelaarschap (Makkabeeën), soms leidt het tot een liturgische vormgeving (de gemeenschap die bekend geworden is uit de Dode-Zeerollen).
Het laatste woord is hier nog niet gesproken. Het is de vraag of dat ooit zal gebeuren. We stuiten in het O.T. vaak op liturgie. Toch is de Bijbel geen liturgiek. Alle aandacht wordt opgeëist voor de wóórden die God spreekt. Zijn beloften en geboden staan in het middelpunt omdat Hijzelf verkeren wil temidden van Zijn volk. Dat vraagt ook om vormgeving in de eredienst. Maar meer dan alle gebruiken is het geloof in Zijn Naam.
Het nieuwe verbond
Wij geloven met art. 25 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis dat de ceremoniën en figuren der Wet opgehouden hebben met de komst van Christus. Ze zijn in Hem vervuld. Maar ook in het O.T. is hun werking al beperkt. De offers brengen alleen verzoening aan voor onopzettelijk begane zonden. Num. 15 : 25 en 27, niet voor zonden gedaan 'met opgeheven hand'. Num. 15 : 30. Als de vernieuwing van het verbond al een bepaald gebruik geweest is, geldt hetzelfde ook voor haar. Zij heeft de wegvoering in ballingschap van Juda niet kunnen keren.
Dat maakt de prediking van Jeremia, een jongere tijdgenoot van koning Josia zo aktueel. Echt perspectief voor de toekomst wordt geopend in zijn profetie van het nieuwe verbond. Dan wordt de Wet niet ergens gedeponeerd in het heiligdom waar het verdwijnen kan zonder dat iemand zich dat nog na jaren weet te herinneren, maar geschreven in het hart: Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis Israël maken zal, spreekt de Heere: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en Ik zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hem tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn, Jer. 31 : 33. Dit geloof wordt niet gewekt door enige ceremonie maar door het Woord van de levende God.
Het Nieuwe Testament
Hierover slechts een enkele opmerking. Letterlijk genomen zijn 'het nieuwe verbond' en het 'Nieuwe Testament' dezelfde woorden. In het ene geval is het Hebreeuwse berith vertaald in het Nederlands, in het andere in het Grieks. Voor ons zijn het O.T. en het N.T. niet van elkaar te scheiden. Samen vormen zij 'de ganse Heilige Schrift', zie het titelblad van onze S.V. De lijnen lopen dus door. We beperken ons nu maar tot de instelling van het Heilig Avondmaal. Bij het ronddelen van de beker zegt Jezus: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doet dat zo dikwijls als gij die zult drinken tot Mijn gedachtenis, 1 Kor. 11 : 25. De uitdrukking 'Het Nieuwe Testament in Mijn bloed' komt ook voor in de andere instellingsberichten. Mat. 26 : 28, Mar. 14 : 24 en Luc. 22 : 20. Het nieuwe verbond berust op het offer van Christus. Zijn discipelen, dat zijn allen die bij Hem in de leer zijn, mogen daarin delen. Het sacrament maakt het evangelie van het nieuwe verbond zichtbaar in de tekenen van brood en wijn. Het nieuwe verbond is en blijft Zijn werk. Erkent dat: verkondigt de dood des Heeren totdat Hij komt. Om de beeldspraak van Calvijn over te nemen: nu zet Gòd Zijn zegen en handtekening onder het verbond.
Tenslotte
De op sympathieke toon geschreven dissertatie van dr. Paul laat zich goed lezen. Men krijgt er een kijkje in de keuken van de Bijbelwetenschap. Dat lijkt me altijd de moeite waard. Al handelt dit proefschrift vooral over de inleiding van het O.T., uit dit artikel hebt u – hoop ik – kunnen opmaken hoe op dit terrein alles met alles samenhangt: de inleiding op het O.T., het ontwerp van de geschiedenis van Israël, en de theologie van het O.T. En dat beïnvloedt weer de prediking en daarmee ook het geloof en leven van de gemeente. De Heere Jezus zegt: Zalig zijn zij, die het Woord Gods horen en Het bewaren. Luc. 11 : 28.
H. d. B., H.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's