Het godsdienstig geloof
Geloofsgrond
Paulus heeft in de eerste brief aan de Corinthiërs, het tweede hoofdstuk, een merk waardige gedachte meegedeeld. 'Mijn rede en mijn prediking was niet in beweeglijke woorden der menselijke wijsheid, maar in betoning des Geestes en der kracht; opdat uw geloof niet zou zijn in wijsheid der mensen, maar in de kracht Gods'. Wat bedoelt de apostel daar? Wel, wat zijn persoon aangaat, Paulus had bij de Corinthiërs verkeerd in veel zwakheid; tegen zijn taak gevoelde hij zich niet opgewassen. Hij vreesde en beefde onder zijn arbeid, wel een bewijs, dat hij zijn kracht niet zocht in een zelfgenoegzaam optreden, zoals vele Corintische wijzen. En zo maakte hij in zijn spreken en openlijke verkondiging geen gebruik van overredende woorden, die door wereldse wijsheid worden ingegeven. Bij zijn prediking zorgden de Geest en de kracht van God voor het bewijs van de waarheid daarvan; bijzondere Geesteswerkingen en wondertekenen vergezelden haar. Daardoor alleen verkreeg het geloof een vaste grond. Het moest niet rusten in mensenwijsheid, maar in de kracht des Geestes, die zich deed gelden in en door de prediking des kruises.
Welsprekendheid
Paulus heeft hier het oog op een geloof in de waarheid, waartoe de mensen bewogen worden door woorden, die vanwege hun schoonheid de harten meesleepten, of vanwege hun krachtige betoogtrant het verstand overtuigden. Zulk een geloof wortelt in een vleselijke grond, waarin het geen wortels kan schieten, die het in het uur der verzoeking vast doen staan. Een verzekerdheid die door de welsprekenheid of de redeneerkracht van grote mannen wordt verwekt rust op een wankelbare grondslag; als men onder de indruk van het welsprekend woord weg is, of een spreker hoort, die het voorgaande wist te ontzenuwen, dan kwijnt het geloof weg. Zelfs dan, als het hier gezegde niet geldt, dreigt toch het gevaar dat men vervalt tot een geloof, waarin de ergernis des kruises is te niet gedaan, of tot een bespiegelend christendom, dat op hart en leven geen invloed heeft. Het komt ons voor, dat zulk een geloof veelszins aanwezig is in een gemeente, waarin een meeslepend redenaar de schare aan de lippen doet hangen. Voor een tijd heeft deze een enorme opgang. Oogst bewondering van een dankbaar gehoor, maar wanneer deze voorganger is vertrokken laat hij weinig vrucht en zegen na. Het blijft alles aan de oppervlakte hangen. Nu behoeven wij natuurlijk geen smet te werpen op een goede welsprekendheid. Het is geoorloofd wanneer de prediker zijn gedachten in verstaanbare taal weet te kleden. Ja, niet alleen geoorloofd – het is zelf geboden er alles aan te doen dat de prediking van het Evangelie bij de gemeente zo goed mogelijk overkomt. Wij kunnen de wetten van de openbare welsprekendheid niet ongestraft overtreden. Maar het zal eenieder duidelijk zijn, dat met die welsprekendheid zelf de zaak niet gewonnen is.
Geestesgetuigenis
Onze vaderen hebben het goed begrepen, toen zij beleden, dat het oprecht geloof rustte in het getuigenis van de Heilige Geest, door deze in onze harten afgelegd. Dat alleen mag een goede grond van het geloof heten. Zulk een getuigenis is nodig zal er een blijvende zekerheid in ons komen. Blijvend bestand heeft alleen Gods werk in ons. Indrukken van meeslepende redenaars gaan voorbij; klemmende betogen – hoe schoon ook – vervliegen. Maar de stille werkzaamheid van het getuigenis van de Heilige Geest blijft. Zulk een getuigenis is nodig zal er een blijvende zekerheid in ons komen. Blijvend bestand heeft alleen Gods werk in ons hart.
Kenmerk
Intussen doet zich de gedachte aan ons voor: waarin bestaat dit getuigenis van Gods Geest? Het is moeilijk dit zo te omschrijven, dat allen er hun mening in uitgedrukt zien. De Heilige Geest werkt door het Evangelie in mijn hart een vast vertrouwen – zo drukt onze Heidelbergse Catechismus zich uit. Naar ons oordeel heeft het getuigenis van Gods Geest overeenkomst met het getuigenis, dat wij in ons ontvangen, aangaande de wezenlijkheid van Gods bestaan. God openbaart zich aan alle mensen door de schepselen als de levende, almachtige Schepper en Regeerder van de wereld. De overtuiging van Gods wezen en goddelijkheid, onder de aanschouwing van deze openbaring; in ons verwekt, is zo krachtig, dat zij onmogelijk enkel en alleen een slotsom zou zijn van ons nadenken over de werken Gods. Hier getuigt God Zelf in ons van Zichzelf; Hij doet het door Zijn Geest. Daaruit verklaart zich hoe moeilijk het is dit getuigenis het zwijgen op te leggen, en hoe onmogelijk het is om het geheel in zich te niet te doen.
Meerdere openbaring
Wanneer dat nu zo is, zou het dan mogelijk zijn, dat God in ons zwijgen zou over de voortreffelijke Openbaring, die Hij in Christus gegeven heeft? Dat is niet mogelijk. Door Zijn Geest verwekt Hij in ons de zekerheid, dat de Openbaring, die in Christus is afgesloten, goddelijk is van oorsprong. Deze zekerheid is door haar onmiddellijkheid onderscheiden van die, welke wij door middel van de apologetiek ontvangen. Maar al mag dit getuigenis onmiddellijk heten, onredelijk is het niet. Het laat zich in woorden omzetten. Waarvan toch geeft de heilige God ons een indruk? Van de heiligheid der Openbaring. Hij opent onze ogen en scherpt onze blik, opdat wij zien mogen, dat de Openbaring in haar heiligheid het merkteken van haar goddelijkheid met zich brengt. Men vraagt misschien waarin deze heiligheid bestaat? Hierin dat God in deze Openbaring alles is; alles is er uit en door en tot Hem; aan het schepsel wordt alles ontnomen, wat het van God enigszins onafhankelijk en tegenover Hem enigszins zelfstandig zou maken. Niets dan God laat zij over. Dit getuigenis van de Heilige Geest is zo klemmend, dat het voor hem, in wiens binnenste het wordt afgelegd, onmogelijk is, om de Openbaring los te laten, ook dan als het hem onmogelijk is, om alle bezwaren, tegen haar ingebracht, op te lossen. Er gaat een levende stem van uit. Het Woord Gods is niet dood; er zit kracht in om vrucht voort te brengen. De woorden, die Ik tot u spreek, zegt Jezus, zijn geest en leven. Het is een levend en krachtig woord. Bij een tweesnijdend en gescherpt zwaard wordt het vergeleken. Maar, zal het vrucht voortbrengen, dan moet de akker, waarin het gezaaid wordt, geschikt gemaakt worden om het te ontvangen. Anders brengt het geen vrucht voort en schijnt het een dood zaad te zijn. Zo is het ook met het Evangelie. De harten der hoorders moeten geopend, of, gelijk wij ook kunnen zeggen, gelovig gemaakt worden; zo niet dan werkt het hun zaligheid niet uit. Er gaat ook dan nog kracht van uit, maar tot verharding en verdoemenis.
Geloof door de Geest
Dit ontvankelijk maken van het hart is een werk van Goddelijke kracht, dat God volbrengt door de verborgen werking van Zijn Geest. Men moet er maar eens op letten, dat Paulus van het Evangelie wel zegt, dat het een kracht Gods tot zaligheid is, maar niet dat het een kracht Gods is tot geloof. Het geloof is wel uit het gehoor van het Woord, maar alleen als God het uit de moederschoot van het gehoorde woord voortbrengt. Maar aan wie gelooft toont God, dat het Woord geen ijdele klank is. want Hij bevestigt het niet alleen, door elk die gelooft te rechtvaardigen, maar doet de gelovige uit het zaad van het Woord ook groeien tot een nieuwe mens, die hier reeds de beginselen van het hemelse leven deelachtig wordt. Van onze kant is niets nodig dan geloof. Geloof in het Woord en er zal geschieden naar het Woord. Dit geloof nu moet er wel zijn – anders is er geen eerbied voor de Openbaring. Er is nu in zekere zin een harmonieuze ontwikkeling. Door Gods algemene Openbaring in de schepselen zijn wij zeker van het bestaan van God. Nu moet er nog één stap volgen om de Openbaring, die in de Schrift is neergelegd te zien. Om tot de slotsom te komen, dat zij van God moet zijn juist omdat zij godewaardig is. Wil men haar loochenen, dan zou men eerst zijn geloof aangaande Gods bestaan moeten doden. Bestaat God, dan moet Hij ook zo zijn, als de Schrift zegt. Daarmee wordt nog niet beweerd, dat allen, die het getuigenis van de Geest in zich hebben, haar onmiddellijk van het getuigenis van de eigen geest kunnen onderscheiden. Dit onderscheid wordt doorgaans eerst van achteren duidelijk.
A. v. Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's