De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbesprekingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbesprekingen

7 minuten leestijd

Drs. R. Th. de Boer, Israël niet te vergeten. Joodse volk en kerk in bijbels licht. Oosterbaan en Ie Cointre, Goes 1988; 240 p. ƒ 24,90.
Een boek over Israël uit vrijgemaakte kring. Met meer dan gewone belangstelling neemt een recensent zo'n publikatie ter hand. Zulke vogels zijn immers zeldzaam. Als het om Israël gaat is het in dit deel van kerkelijk Nederland vaak opvallend stil. Terwijl de weinige geluiden die te beluisteren vallen meestentijds kritisch van toon zijn. De eigen kerkopvatting maakt het blijkbaar moeilijk een positieve verwachting voor het joodse volk te koesteren. Vormt dit boek daarop een uitzondering?
Eén ding is wel duidelijk. Drs. De Boer heeft zich niet gemkkelijk van de problematiek afgemaakt. Veel en velerlei publikaties op dit terrein heeft hij geraadpleegd. Zijn boek getuigt van serieuze studie en diepgaand bezig zijn met de Schrift.
In het eerste deel gaat de schrijver na, welke plaats het joodse volk inneemt in de Bijbel. Daarbij interesseert hem vooral de vraag wat er na verloop van tijd veranderd is en wat gelijk gebleven. Is Israël ook na de komst van Christus nog het uitverkoren volk? Enerzijds beantwoordt hij deze vraag met ja. Er is continuïteit in Gods omgang met Zijn volk. Die voor Zijn oude volk ook vandaag nog gelden. Aan de andere kant dienen wij oog te hebben voor de verandering die er na de komst van Christus is opgetreden ten aanzien van Israëls positie in het verbond vanwege het feit dat het merendeel Hem afwees als Messias.

Vervolgens bespreekt De Boer de vraag in welke relatie de kerk en het joodse volk vandaag tegenover elkaar staan. Zijn stelling luidt dat de kerk uit joden en heidenen wel de voortzetting, maar niet de vervanging van Israël betekent. De gelovige heidenen worden ingeënt op de oude stam Israël, naast de gelovige Israëlieten. Het is de taak van de kerk het niet-gelovige deel van Israël met het Evangelie te zoeken en hen liefde te betonen in woord en daad.

Ten slotte onderzoekt de auteur de Schrift op de vraag hoe de kerk haar roeping t.a.v. het joodse volk heeft te vervullen. De bezwaren die aan de benaming jodenzending kleven, erkent hij. Anderzijds wijst hij terecht een vrijblijvende dialoog tussen kerk en Israël af. Zijn eigen keuze zou zijn de uitdrukkingen, gesprek en evangelieverkondiging in elkaar te vlechten. Op deze wijze zou zowel de bereidheid om met de ander tot een gesprek te komen, als het uitgangspunt in het Evangelie tot uitdrukking komen.

Ik wens dit boekje een goed onthaal toe, met name in de kring waartoe de auteur behoort. Het zou winst zijn, wanneer zijn geestverwanten zich aan de hand van dit werkje zouden herbezinnen op hun visie ten aanzien van het joodse volk. Persoonlijk heb ik nog wel een aantal vragen, waarover ik met de auteur zou willen doorspreken. Met zijn uitleg van Rom. 11 : 25, 26 ben ik het grondig oneens. Dat Paulus hier niet zou spreken over een toekomstige volksbekering, maar dat het gaat om de belofte dat er altijd een deel zal zijn dat gelooft en behouden zal worden door Gods genade, is m.i. niet houdbaar. Het hele hoofdstuk 11 van de Romeinenbrief schildert wel degelijk ook een beweging in de tijd, waarbij het Evangelie eerst van Israël naar de volkeren gevloeid is, maar waarbij ook de verwachting oplicht dat God eenmaal Zijn volk zal brengen tot de herkenning en erkenning van Jezus als Messias. Ten aanzien van het behoud van geheel Israël geldt niet alleen het aldus, maar ook het alsdan. Het is jammer dat De Boer met het badwater van de chiliastisehe speculaties ook het kind van de bijbelse toekomstverwachting betreffende Israël weggooit. Is hij ook niet te gemakkelijk heengelopen over de argumenten, die de Hervormde Kerk deden kiezen voor de term getuigend gesprek? De pleitbezorgers van deze uitdrukking stonden allerminst een spanningsloze ontmoeting tussen kerk en Israël voor ogen. Men hield uitdrukkelijk vast aan de noodzaak om tegenover het joodse volk vanuit de Schriften te betuigen dat Jezus de Christus is.

Wat men beoogde was de unieke relatie tussen kerk en synagoge aan te geven en tevens te doen uitkomen dat de ontmoeting met Israël niet alleen tot zegen van de joden, maar ook van de christenen zelf zal zijn. De Boer erkent wel dat hier geen sprake is van eenrichtingsverkeer. De indringende vragen die ons vanuit het jodendom gesteld worden, pakt hij in zijn studie echter niet op. Hopelijk komt het er nog eens van met elkaar in breder verband, broederlijk en eerlijk over een en ander door te spreken.
M. van Campen, Woerden

Een nieuw christelijk mensbeeld, A. G. WeiIer red. Amboboeken, Baarn; 140 blz.; ƒ 24,50.
Dit boekje is deel 1 van de 76e jaargang van de Annalen van het Thijmgenootschap, een vereniging die ten doel heeft wetenschappelijke activiteiten te bevorderen, met name theologische, medische en juridische, die 'kunnen strekken tot een voortdurende vernieuwing van de samenleving in het licht van Christus' boodschap'.
In samenwerking met de Radboutstichting heeft het genootschap zijn jaarvergadering in 1987 gewijd aan de vraag naar een christelijke antropologie die richtinggevend kan inwerken op allerlei discussies over maatschappelijke vraagstukken, en daarbij heeft men zich gericht op de vragen rondom de antropologie, dus op het mensbeeld waarom de vernieuwing die de schrijvers voor ogen staat, rust.
Dit deeltje bevat een negental bijdragen die alle gegroepeerd zijn rondom het thema geloof, hoop en liefde. Men poogt in de huidige verwarring die de post-christelijke samenleving kenmerkt een vaste kern van algemeen aanvaardbare grondslagen te vinden waarop het gesprek rondom en over allerlei samenlevingsvragen gefundeerd kan worden.
Alle bijdragen zijn opgebouwd vanuit de mens als de naar God toe opene. Geloven is wezenlijk voor de mens: de mens is degene die zich uitdrukt in twijfelend vragen naar wat hij weten mag (P. J. M. van Tongeren); die niet kan zonder deugdelijke hoop (B. Vedder); voor wie de relationaliteit die met de liefde gegeven is, kenmerkend is (H. A. M. J. ten Have); die niet bestaan kan zonder zich God te verbeelden om zo inhoud te geven aan wat de mens aan zijn Goddelijke partner heeft (J. M. van der Lans); die deelt in het toekomstbesef van de samenleving (M. A. Thung); die, op zoek naar liefde, lijdt aan het lijden van de ander, ook van de Grote Ander Die God is (C. E. M. Struyker Boudier); die leven geeft aan anderen in passiviteit en activiteit (Agnès Vincenot); die uit het verleden leeft als dat van stichtende feiten (P. Vandermeersch); die zijn leven zin geeft door zich te identificeren met de lijdende mens (J. J. M. Michels).
Uiteraard liet ik slechts enkele woorden vallen die uitsluitend als typering kunnen dienen. Hier wordt, vooral vanuit rooms-katholieke achtergrond, gezocht naar vaste – en sympathieke – waarden die het mens-zijn kenmerken, niet primair vanuit de openbaring, maar vanuit de zelfervaring van de mens die zich door de openbaring aangeraakt weet. Om het eens eigentijds te zeggen: men werkt met een 'zoekontwerp'. Deze weg doet denken aan die van Schleiermacher en Kuitert, om maar eens twee geheel verschillende exponenten van dit denken te noemen.
Daarmee heb ik dan impliciet ook een beoordeling gegeven. Ik denk niet dat het mogelijk is om op deze wijze tot algemene normen te komen die aan anderen overdraagbaar zijn. Men kan ze in sympathie herkennen en zich toeëigenen, maar niet aan anderen voorhouden als een gemeenschappelijke basis voor gesprek, een door allen gedeeld uitgangspunt. In deze verworven normen zal altijd iets blijven van de persoonlijke voorkeur, die weliswaar gedragen wordt door de authenticiteit van hem of haar die ze hanteert, maar waarvan de geldingskracht beperkt moet blijven tot hen die ermee instemmen. Men komt de post-christelijke leegte niet vanuit wetenschappelijk uitgekristalliseerde ervaring te boven.
S. Meijers, Leiden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Boekbesprekingen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's