De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De functie van de wet in de prediking en in het geloof (I)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De functie van de wet in de prediking en in het geloof (I)

10 minuten leestijd

In 11 regio's werden weer de regionale ambtsdragersvergaderingen van de Gereformeerde Bond gehouden. In totaal waren ongeveer 1200 ambtsdragers bijeen op de twee achtereenvolgende vrijdagavonden in september. Hoewel er vooraf overleg in het hoofdbestuur over de opzet en de uitwerking van het thema was, heeft elk van de referenten uiteraard een eigen lijn in zijn referaat.Dit jaar plaatsen we in twee achtereenvolgende afleveringen de lezing, die ds. C. den Boer hield op de vergaderingen in Noordhorn en Zwolle.

Er is geen eerbied meer voor Gods wet
H. F. Kohlbrugge schrijft (in 'De eenvoudige Heidelberger') in een preek over de H.C. vraag en antwoord 1 het volgende: 'Waarom hoorde men vroeger zooveel van waarachtige bekeeringen? Waar kwamen die menschen vandaan, die enkelen nog, (hun aantal wordt alsmaar kleiner, ook in onze gemeente, de meesten liggen al op het kerkhof) van waar kwamen die profeten en profetessen die konden getuigen van Gods genadige erbarming? Menschen, die wisten: "dit is goud en dat is valsche munt!". Van waar? Waren zij niet geboren in de afgrond der verlorenheid, toen zij wegzonken voor Gods wet? Daar zit de fout van deze tijd. Er is nu geen eerbied meer Voor Gods wet.'
Deze woorden van Kohlbrugge konden vanmorgen geschreven zijn. 'Er is geen eerbied meer voor Gods wet. Dat is de fout van onze tijd'. De wet van God heeft het veld moeten ruimen voor het bandeloze en ongebonden z.g. vrije bestaan van de moderne mens, die aan geen gezag en regels zich wenst te onderwerpen. 'Ni Dieu ni maitre' – geen God geen meester. Geen andere maatstaf om naar te handelen dan de zelfontplooiing van het menszijn. Met alle kwalijke gevolgen van dien. Ieder mens vecht voor zijn eigen rechten. Er is een schrikbarende toename van de misdadigheid. Er is perversiteit op seksueel terrein als nooit tevoren. Niemand mag gediscrimineerd worden behalve de heilige God Zelf (Prince) of onze geëerbiedigde Jezus (de film 'Jezus' laatste verzoeking').
Er is geen eerbied meer voor Gods wet. Maar die eerbied is er toch zeker wel in de gemeente die naar Christus' Naam is genoemd?
H. Berkhof schreef (in 'Crisis der Middenorthodoxie') kort na de Tweede Wereldoorlog met betrekking tot de prediking der Middenorthodoxie: 'Zij verheft haar stem niet met macht tegen de matheid van het huidig levensbesef, om te roepen: "Ziet, hier is uw God!". "De aanklagende functie der Wet komt te kort". 'Billige Gnade'. En 'Wetsschuwheid' daarbij, d.w.z., dat men "de laatste brokken christelijke levensstijl in onze gemeenten (op het gebied van de Zondagsviering, gezinsgewoonten, vermaak, enz.) als 'wettisch' aan de kaak stelt, zonder in staat te zijn er nieuwe en betere levensvormen voor in de plaats te stellen". 'De kinderen van de huidige generatie zullen verwonderd aan hun ouders vragen, wat ze eigenlijk met dat evangelie wilden en ze zullen ervan overtuigd zijn, niets wezenlijks te verliezen, wanneer ze zich om dit stuk der ouderlijke traditie verder niet bekommeren.'
Hier gaat de kogel door de kerk. En kunnen wij die niet in de zin van Berkhof Middenorthodox te noemen zijn, buiten schot blijven? Of geldt deze aanklacht wellicht in het huidige tijdsgewricht juist ook de Gereformeerde Bond? Wetsloosheid of wetteloosheid is een antieke en tegelijk hoogst moderne kwaal.

De Heere onze God is een enig Heere
Mede daarom is het van groot belang na te gaan, wat de Bijbel zegt over de wet. Daarin ligt toch immers ons richtsnoer, ook waar het gaat om de functie van de wet in de prediking en in het geloof Ik schets enkele hoofdlijnen. Meer kan ik niet doen in dit bestek.
Welnu, voor iedere onbevangen en onbevooroordeelde bijbellezer kan het duidelijk zijn, dat eerbied voor Gods wet de diepe ondertoon van heel de Schrift is. Van Oud en Nieuw Testament. Om maar iets te noemen, wie denkt hier niet aan de oer-belijdenis van Israël in het z.g. 'Sjema' van Deut. 6 : 4vv: 'Hoor, Israël, de Heere, onze God is een enig Heere! Zo zult gij de Heere, uw God liefhebben, met uw ganse hart en, met uw ganse ziel en met al uw vermogen…' De Heere, Israëls God is één. Dat betekent niet slechts, dat Hij de enige is. Het betekent vooral, dat Hij uniek is. En Hij is uniek hierin, dat Hij alles is wat Hij is (rechtvaardig, barmhartig) voor de volle honderd procent. Hij is eeuwig aan Zichzelf gelijk en blijft Zichzelf trouw. Dat betekent ook, dat Hij onafhankelijk is. d.w.z. zich niet ter verantwoording laat roepen voor Zijn daden. Hij, Hij alleen bepaalt wat goed en kwaad is en is als onze Schepper daarom onze enige en hoogste Wetgever, Zijn wil is heilig en goed.

De wet als levenselement van de mens (OT)
Het begin van de Bijbel vertelt ons dan ook, dat de mens als schepsel Gods alleen maar mens Gods, koningskind op aarde kon zijn, als hij in afhankelijkheid en onderworpenheid jegens God zou leven. Het dubbele liefdesgebod, reeds in het paradijs aan Adam en Eva gegeven (als een ingeschapen leefregel), is 's mensen levenselement. Zoals het water voor de vis. En de lucht voor de vogel. Wie de liefde, waarin men de (A)nder tot zijn recht laat komen, inruilt voor de zelfzucht, is ten dode gedoemd.
Het is dat heilige recht des Heeren, dat de Heere laat gelden, ook nadat de mens met Hem gebroken heeft in de zondeval. God laat er geen tittel of jota van vallen. Want als Hij dat zou doen, zou hij Zichzelf onteren en de mens aan zijn lot, d.i. aan de overgang overlaten. Het is dat heilig recht des Heeren dat het leven van Noach en van Abraham en van Mozes ordende. Het is dat heilig recht des Heeren dat God in het Sinaï-verbond opnieuw aan Israël bekend maakte. 'Deze woorden die Ik u heden gebied, zullen in uw hart zijn' (Deut.6 : 6). Bij het opstaan en het slapen gaan. Bij het in- en uitgaan.
Elke Jood heeft – heel letterlijk – gestalte willen geven aan de woorden van Deut. 6, door aan de deurposten van zijn woning een z.g. 'mezoezah' te bevestigen (een langwerpig kokertje met dit bijbelwoord daarin opgesloten). Want als hij de deur uitgaat of binnenkomt, moet hij gedenken aan het heilig gebod des Heeren. In zijn dagelijkse handel en wandel. En zijn kinderen moet hij het inscherpen.
Iedereen moet weten, dat het verkeerd afloopt, als hij met de wet van God marchandeert. Het is als met het kleine kind, dat het best lastig vindt, dat zijn moeder hem met een tuigje in zijn ledikantje heeft vastgebonden. Maar al lijkt zijn bewegingsvrijheid daardoor al te zeer beperkt, het tuigje is er gewoon goed voor om te voorkomen, dat hij zich de nodige builen valt.
Daarom ook wordt ons in de Bijbel bij herhaling gezegd, dat Gods toorn gaande wordt gemaakt, als de mens Zijn geboden overtreedt. God wil Zijn recht gehandhaafd hebben. En als het geschonden is, moet het worden hersteld. Was dat niet de prediking van de heilige tempeldienst? Was dat niet de prediking van de profeten? En wordt daarom niet in de geschriften van het Oude Testament heel praktisch uitgedrukt wat dat liefdesgebod des Heeren in het leven van alledag betekent? Denkt u maar aan het boek Spreuken. Denk ook aan de psalmen. Niet voor niets wordt b.v. in de langste psalm (119) bijna vers voor vers de liefde voor de wet van God bezongen. 'Hoe lief heb ik uw wet; zij is mijn betrachting de ganse dag'.

In het evangelie komt Gods wet ten volle tot haar recht (NT)
Maar die eerbied voor de wet van God is niet slechts de diepe ondertoon van het Oude Testament. In het Nieuwe Testament ligt het niet anders. Israëls Messias, Jezus Christus heeft nooit anders gedaan dan opkomen voor het recht van God. De Knecht des Heeren, in Wie het recht des Heeren op aarde overeind komt. Hij doet de wil des Vaders. Hij draagt de toorn van God tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht. Hij kondigt de grondwet van het Koninkrijk Gods dat in Hem verscheen, af o.a. in zijn Bergrede. Hij laat geen tittel of jota van de wet vallen. Integendeel, Hij radicaliseert de wet. En dat vooral tegenover die leraren Israëls die het op een akkoordje gooien met de wet en er eigenhandig en eigen willig mee overeind willen blijven.
Daarom treft u Jezus Christus op de berg der verheerlijking dan ook aan, staande temidden van Mozes en Elia, de twee handhavers van het heilig recht des Heeren onder het Oude Verbond. Zijn spijze was om de wil des Vaders te doen. Ja werkelijk. Hij is de enige Israëliet, van wie gezegd kan worden, dat Hij de wil des Vaders heeft volbracht.
En zo komt u Hem ook tegen in de brieven van Paulus. Ook in de Romeinenbrief, waarin (evenals b.v. in de Galatenbrief) door de apostel sterke nadruk gelegd wordt op de gerechtigheid van het geloof door het bloed van de gekruisigde Jezus. Niet door de werken der wet wordt de mens gerechtvaardigd. De wet is geen heilsweg. Het is onmogelijk, dat de mens een bestaan voor God krijgt door eigen gerechtigheid. Want er woont geen goed in enig mens. Hij is met de ganse wereld voor God verdoemelijk. De mens is vleselijk, verkocht onder de zonde (Rom. 7 : 14). Daarmee is hij in één woord 'geprezen', ook nadat hij in aanraking gekomen is met de genade. Een harde les. En wie gelooft het? Hij die door de wet van God ontdekt is geworden. Want het is juist die wet van God die hem altijd weer op heterdaad betrapt en beschuldigt, dat hij niet is, zoals God hem hebben wil. De wet tuchtigt (Gal. 4 : 24). De wet is als een cipier, een gevangenbewaarder die hem in boeien slaat (Gal. 3 : 23). Daarom is er een andere heilsweg te betreden. God heeft Zijn gerechtigheid geopenbaard in het evangelie (Rom. 1 : 17). Jezus Christus heeft het volbracht. En Hij is het Hoofd van een nieuwe mensheid die door het geloof de armen om Hem heen mag slaan en in Hem een gerechtigheid bezit waarmee God voor eeuwig genoegen neemt.
Dus dan moet de wet aan de kant? In plaats van de wet het evangelie? Welneen. In het evangelie komt juist de wet overeind. Zij krijgt het volle pond. Want de wet van God is heilig en goed. Ja, het gaat God zelfs uitsluitend om Zijn heilig recht. Zijn Naam moet geheiligd worden op de aarde. Maar in de doodssituatie waarin de mens verkeert, kan de wet alleen het niet verder brengen dan aanklacht, dood en verderf. Ze is als een politieman die de ganse dag bekeuringen loopt uit te delen. Door het geloof in Christus echter krijgt de mens een geschonken gerechtigheid die de bron is van een leven in heiligmaking. De wet komt terug. Nu als een politieman die het verkeer regelt. 'Ik heb lust, o mijn God, om Uw welbehagen te doen'. 'Heere, geef wat Gij beveelt en beveel dan maar wat Gij wilt' (Augustinus).
Daarom mag het u wel opvallen, dat Paulus in zijn brieven helemaal niet zo negatief over Gods wet doet, als op het eerste gezicht lijkt. Men zou zelfs kunnen zeggen, dat het hem steeds gaat om de wet, om een heilig leven voor Gods aangezicht, hoewel het altijd weer blijft draaien om de rechtvaardiging. 'Hoe zijt gij rechtvaardig voor God? Alleen door een waar geloof in Jezus Christus' (Heid. Cat., vr. en antw. 60). Leest u in dit opzicht nog maar eens al die z.g. apostolische vermaningen na, die meestal in het tweede deel van Paulus' brieven aan de gemeenten worden meegegeven.

C. den Boer, Bilthoven

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De functie van de wet in de prediking en in het geloof (I)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's