Het Evangelie
Wij hebben allemaal vroeger op de catechisatie geleerd, dat er een aantal vormen van geloof waren, die de toets van echtheid niet konden doorstaan. Daar is eerst het historisch geloof. Dit is een blote toestemming van een gekende waarheid. Men stemt dan wel de inhoud van de Bijbel, alles wat daarin gezegd wordt, van het begin tot aan het einde als waarheid toe, maar zonder dat deze erkentenis enige invloed uitoefent op hart en leven. Menig losbandig zondaar heeft een historisch geloof. Ook het geloof van de duivelen zou men daartoe kunnen rekenen. Zij geloven dat God een enig God is en zij sidderen. Een historisch geloof nu, zonder meer, kan ons niet zalig maken.
Een tijdgeloof is een geloof voor een tijd. Het is door de Heere Jezus getekend in de gelijkenis van de zaaier of eigen aan 'degenen die in steenachtige plaatsen bezaaid zijn. Zij horen wel het Woord en ontvangen dat terstond met vreugde, maar zij hebben geen wortel in zichzelf. Zij zijn voor een tijd. En, als verdrukking of vervolging komt, om des Woords wil, zo worden zij terstond geërgerd'. Het tijdgeloof is dus minder koud dan het puur historisch geloof. Het gelijkt het meest op het oprechte geloof, maar zaligmakend is het niet. Het is een voorbijgaande opwinding en hartstocht, waarmee men bedrogen uitkomt.
Een wondergeloof is niet, dat men gelooft dat wonderen mogelijk zijn, of dat de wonderen in de Bijbel zo gebeurd zijn, dat erkent ieder gelovige, maar het is een sterk vertrouwen, dat er door ons of aan ons een wonder geschieden zal. Met andere woorden, het vertrouwen een wonder te kunnen doen of te zullen ondergaan. Ook Judas Iskarioth hadr met de andere apostelen, dit wondergeloof. Immers, vertrouwende op Jezus' macht en toezegging, heeft hij in Zijn Naam wonderen gedaan. Ook de zieken, die door Jezus en de apostelen genezen werden, hadden geloof om gezond te worden, doch bij lange na niet allen 'geloof om zalig te worden'.
Niet aan alle geloof derhalve is het zalig worden verbonden, maar alleen aan het geloven van het Evangelie. Het voornaamste punt is dat ons geloof rust in het Evangelie, dat ons al onze zonden om Christus' wil vergeven zijn. Wat is het in dit verband dus nodig om de gemeente het Evangelie uit te leggen!
Nu doet zich intussen het verschijnsel voor, dat de mensen onder Evangelie niets méér verstaan dan de boodschap, dat God ons om Christus' wil vergeving van zonde wil schenken. Men noemt dit dan het aanbod van genade. De prediking voedt veelszins deze enge opvatting van het Evangelie en houdt daardoor het oog gesloten voor de onmetelijke rijkdom, in het Evangelie besloten. Wel te verstaan, deze enge opvatting is op zichzelf niet verkeerd. Ook niet onjuist. Wij willen alleen maar zeggen – ze is te benauwd. In het woord Evangelie is alles samengevat, wat de profetie, van Adams tijd of tot Johannes de Doper toe, verkondigde, met alles wat aangaande de vervulling van het profetisch Evangelie door Jezus en de apostelen getuigd is. Het is vóór alles aankondiging van verlossing. Het stelt voorop dat alle, de mens ketenende macht, neergeworpen worden zal, de duivel, zijn zaad en de dood.
Maar het Evangelie is veel breder, dieper en ruimer. De mens wordt aan God teruggegeven. God zal de zonde verzoenen. De gerechtigheid tot heerschappij brengen. Hij zal de God van de mensen zijn, in hen wonen en hun zaligheid zijn. Dat alles zal God doen door tussenkomst van de Zoon des mensen. Op het Evangelie van de profetie volgt het Evangelie der vervulling. De prediking van Jezus geeft daartoe de overgang. De apostolische prediking werkt dat Evangelie uit, verdiept het en verbreedt het. Het is een wonderlijk Evangelie. Christus is er het middelpunt van. Het is de openbaring van Gods wil, om alle dingen door Hem te verzoenen en in Hem samen te vergaderen.
Dit Evangelie nu moet aan alle schepselen worden gebracht. Maar hoe zal dat nu gebeuren, wanneer men zijn inhoud beperkt tot de aankondiging van de vergeving der zonden in het bloed van Christus? Wel te verstaan – dat is niet onjuist, maar te smal. Prediken wij het Evangelie enkel als aankondiging van weldaden als vrijspraak van straf en verlossing van ellende, dan lopen wij gevaar, dat velen zich vergenoegen zullen om het Evangelie enkel vanwege genoemde zegeningen aan te nemen. De andere weldaden zullen in dat geval of in het geheel niet of alleen als ongewenste toegift worden aangenomen. Het gaat ons om de prediking van de volle raad Gods. De rechtvaardiging van de goddeloze is geen einddoel, maar deur van toegang tot de schatten van het Koninkrijk der Hemelen. Er is veel meer dan de rechtvaardiging alleen. Het is zeker van groot belang wanneer men tot het paleis van de koning goedgunstig is toegelaten. Maar het is veel rijker wanneer men door alle vertrekken van het vorstelijk verblijf verwonderd rond kan dwalen. Hier weidt mijn ziel met een verwonderend oog!
Daarom doen wij een pleidooi voor een breder opzet. Beperkte zich het Evangelie tot de roeping om te geloven tot rechtvaardiging alléén, zo zou de eigenlijke plaats van het Evangelie buiten de gemeente zijn. Immers, is de gemeente niet een gemeenschap van gelovigen? Nu behoeft evenwel de prediker niet buiten het Evangelie te gaan, om stof voor zijn prediking te zoeken. Alle rijke kleuren op het palet van het Evangelie komen aan de orde. Rechtvaardiging natuurlijk allereerst, maar dat niet alléén. De levensheiliging ook. De toewijding van het leven aan God. Het gebedsleven. Het staatkundig leven. Kunsten en wetenschappen. Het beroepsleven. Wie gestaag met de pen. in de hand alle bijbelboeken doorwandelt, raakt niet uitgekeken op de veelkleurigheid van het Evangelie. Hij komt in zijn leven niet klaar.
Het is al een hele gave wanneer een organist, naar de regels van de kunst, zijn instrument weet te bespelen. Maar het wordt een talent wanneer de kunstenaar alle klankkleuren van het orgel weet tevoorschijn te toveren. Zo doe de prediker het de musicus na! Zijn stof vindt hij in de Schriften zelf. Denkt u maar eens aan de brief van de Colossenzen. Daar wordt zeker de hoofdtoon van het Evangelie der verlossing aangeslagen. Maar ge ziet hier ook brede horizonten opdoemen van de kosmische Christus. Het belang van de geestelijke wasdom der gemeente. De betekenis van de Zoon voor de schepping en de herschepping. Ge hoort er een waarschuwing tegen het ascetisme, vermaningen tegen vrouwen en mannen, opwekking tot gebed, voorbede en een levenswandel, waarvan een goed getuigenis uitgaat. De ontucht met alles, dat daartoe leidt moet bestreden worden. De gierigheid, een andere grote macht van de zondige natuur, dient beteugeld te worden. Ja, zelfs ons gezelschapsleven moet in conversatie met zout besprengd zijn. Zouteloosheid, slapheid en ongeestelijkheid worden uit onze omgang geweerd. Wij moeten bestrijders en spotters op de juiste manier rekenschap weten te geven van ons geloof
Ziedaar, een brede staalkaart. Nu zal misschien iemand zeggen, dat wij daar niet aan toekomen. Dat is wel waar. Maar zo ooit, dan is in onze eeuw toerusting noodzakelijk. Laat ons dan niet tevreden zijn met de grauwe middelmaat. Naarmate de eeuwen voortwentelen naar de dag van Christus mogen wij niet gelijk zijn aan de vijf dwaze maagden. Op zijn minst moeten wij toch olie in de vaten hebben om te kunnen opwaken. Laat ons niet gelijk zijn aan de kunstenaar die altijd dezelfde melodie speelde. Maar laat ons gelijk zijn aan de heer des huizes, die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt.
A. v. Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's