De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

7 minuten leestijd

Pinchas Lapide, Het leerhuis van de hoop. Joodse geloofservaringen voor christenen van vandaag. Ten Have, Baarn; 103 p.; ƒ 15,–.
Het leven uit de hoop vormt het hoofdthema van dit boekje dat de bekende joodse schrijver Lapide het licht deed zien. Hij zet jodendom en christendom naast elkaar als godsdiensten, die de hoop als meest centrale notie kennen. De joodse geschiedenis is één lange, bange lijdensweg geweest, maar ondanks vervolging en verschrikking bleef de vlam van de hoop brandend. Voor christenen is uitgerekend het kruis, die paal van vloek en lijden, het symbool van verwachting en perspectief geworden. Voor beide religies geldt dat de hoop geboren wordt temidden van nood en ondergang. De massamoord van Auschwitz en de herrijzenis van de Staat Israël verhouden zich, volgens Lapide, als Goede Vrijdag en Pasen. Levend uit het 'maar-toch geloof' ontvangen joden en christenen telkens weer veerkracht en moed. Zij hebben geleerd in het lijden een zin te ontdekken die hen boven alle moeite uit tilt.
In een uitvoerig hoofdstuk gaat de schrijver in op het onderscheid tussen profetische en apocalyptische verwachting. De hoop der profeten richtte zich vooral op een Messias die zou bevrijden van onrecht en lijden. De apocalyptici verwachtten veeleer een hemels heil dat God langs de weg van een grote catastrofe zou schenken. De profetische hoop zou, met andere woorden, horizontaal geweest zijn, de apocalyptische verticaal.
Het boekje vormt inhoudelijk geen eenheid. Niet alle hoofdstukken hebben betrekking op het thema dat in de titel wordt aangegeven. Ook wat vormgeving betreft is er geen sprake van uniformiteit. Zo wordt in de eerste bijdragen wel verwezen naar vindplaatsen van citaten, terwijl deze in het vervolg ontbreken. Lapide gaat in deze laatste hoofdstukken onder meer in op de vraag of er in het Nieuwe Testament reeds sprake is van anti-judaïsme. Hij schrijft ook over het nut en de noodzaak van de dialoog tussen joden en christenen. Tevens formuleert hij een aantal lessen die wij hebben te trekken uit de gespannen joodschristelijke verhoudingen in het verleden.
Lapide's kennis van het Nieuwe Testament is indrukwekkend. Met veel respect en waardering haalt hij woorden aan van Jezus en de apostelen. Hij wil Jezus vooral zien als een zoon van het jodendom, zij het een heel bijzondere loot aan deze stam. Het geloof van Jezus was een typisch joods geloof en daaraan is Hij ten einde toe trouw gebleven. In dit licht kan het niet verwonderen dat Lapide zich verbonden voelt met moderne christelijke theologen die pleiten voor een christologie van beneden en Jezus niet langer willen zien als een goddelijke figuur, de tweede persoon van de goddelijke Drieëenheid. Een Jezus, ontdaan van Griekse elementen zou de kloof tussen jodendom en christendom kunnen verkleinen. Dan kan er ook meer ruimte komen voor het verstaan van de gemeenschappelijke roeping in het heden: zich teweerstellen tegen de vloedgolf van heidendom en nihilisme die over ons heen spoelt en het opkomen voor recht en gerechtigheid in deze wereld.
Lapide is ontegenzeggelijk een boeiend auteur. Zijn openheid voor Jezus en voor het christendom zijn zonder meer verrassend. Zijn visie op de relatie tussen God en mens is en blijft evenwel echt joods. De mens is partner, medewerker Gods, zonder wiens inspanning het heil niet tot stand kan komen. Ook de waardering voor Jezus blijft begrensd binnen dit kader. Met de christelijke belijdenis dat Jezus God Zelf was, God de Zoon in het menselijke vlees, de Middelaar Die de kloof van de zonde kwam dempen, kan Lapide niets beginnen. Met andere woorden: wat voor christenen het hart van hun geloofsbeleving uitmaakt, is voor Lapide onaanvaardbaar. Net als andere publikaties van deze veelgelezen schrijver maakt ook dit boekje duidelijk hoezeer de persoon en het werk van Messias Jezus het grote struikelblok vormen in de ontmoeting tussen joden en christenen.
M. van Campen, Woerden

Prof. dr. K. Schilder, Christus en cultuur. Uitgeverij Van Wijnen, Franeker; 144 blz.; ƒ 22,50; 6e druk.
De zesde druk van dit standaardwerk van Schilder is vrijwel gelijk aan de vijfde. Prof dr. J. Douma heeft deze beide uitgaven van verklarende aantekeningen voorzien en daaraan nauwelijks iets veranderd.
Dat deze uitgave nog steeds een markt heeft, zal wel samenhangen met de opleiding te Kampen waarin deze 'klassieker' onontwijkbaar is. Nog steeds geloof ik dat de weg die Schilder ons wijst, die van het cultuurmandaat, heel veel met Kuyper te maken heeft, maar tegelijkertijd verdient de poging van Schilder om de relevantie van het evangelie voor de cultuur ook theologisch doorzichtig te maken, groots is. Dit boek hééft inderdaad klassieke betekenis. Het evangelie moet ook cultureel de wereld in.
Douma heeft goed werk gedaan door de vaak gekunstelde manier van uitdrukken die aan Schilder eigen was in zijn aantekeningen op te vangen, en te laten zien dat deze niets te maken heeft met een persoonlijke eigenaardigheid van Schilder, maar met zijn geweldige culturele begaafdheid die hem bij het schrijven parten kon spelen en hem sprongen en vergelijkingen kon laten maken die niet direct voor ieder doorzichtig zijn. Deze laatste opmerking is uiteraard voor eigen rekening: Douma geeft noch over de inhoud noch over de vorm een waardeoordeel.
Toch zou Douma Douma niet zijn, wanneer hij volledig zijn mond hield en geen richting aan zou geven. Het woord vooraf dat bij de vijfde druk verscheen, in feite een aantal stellingen die het boek van Schilder samenvatten, staat bij de zesde druk aan het slot en is tevens door heel het boek heen geweven, wat het uiterst toegankelijk maakt. Voorts verwijst Douma telkens in de noten naar literatuur die na het verschijnen van dit boekje is losgekomen. Zodat ik deze bestseller maar weer eens heb doorgelezen.
S. Meijers, Leiden

Bert Goedhart, Vreedzaam leren spreken over vrede. Ten Have, Baarn; 98 blz.; ƒ 17,50.
Dit boekje is een werkboekje, van de hand van een bekwaam pastoraal psycholoog en hoogleraar in Brussel.
Zijn doelstelling is de polarisatie te helpen doorbreken die gegroeid is rondom het begrip vrede. Hij doet dit door de empathie centraal te stellen in het gesprek, het pogen zich in te leven in de ander en zijn gevoelswereld, zodat men niet eerst de standpunten ziet, maar eerst de ander, en zodoende gedwongen wordt om het zwart-wit-denken van meet af aan af te leggen. Voorwaarde voor het op deze wijze met elkaar spreken is wel dat men gemotiveerd is om naar de ander te luisteren, en aan de tegenstellingen die polariserend werken, dus de brede bedreigen, ook innerlijk lijdt.
Dit boekje geeft voorbeelden van hoe het dan in een groep toegaat, hoe er een levenshouding uit kan ontstaan die in zichzelf al iets van het onderwerp, de vrede, omdraagt.
Ik denk dat de methodiek die de schrijver bepleit temidden van alle polariserende stellingnames, vooral ook in de kerk, genezend kan werken, maar het vraagt m.i. meer bekering van de neiging tot polarisatie dan die de facto voorhanden is. Anders gezegd, deze methode vraagt meer zelf-ontdekking dan bij de schrijver uit de verf komt, waarbij ik dan niet graag zou ontkennen dat zelf-ontdekking en -relativering er de vrucht van kunnen zijn, en dat zónder deze benadering in het gesprek toe te passen ieder gesprek per definitie onvruchtbaar is.
Maar ook deze dialoog-vorm levert geen waarheid op. Blijft men erin steken – en het boekje wekt deze indruk – dan komt men niet verder dan het pleiten voor de dialoog en voor conciliair beraad, weliswaar een beraad in een heel bijzondere geest, maar toch een beraad dat met het uitgangspunt al gegeven was. Er is een model ontstaan dat ook op de gemeente kan worden toegepast. Daarom acht ik de bepleite methodiek waardevol, maar uitsluitend als een weg die te gaan valt, en zo als een voorlaatste woord.
S. Meijers, Leiden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's