Openlijke belijdenis van Christus
In de eerste perioden van het Christendom, toen de christenen nog te vuur en te zwaard werden vervolgd, was de belijdenis van Christus een geloofsstuk. Men kon er het leven bij verliezen. Geen wonder dat toen doorgaans meer het hart er achter klopte dan in latere tijden het geval was. Hij toch, die het apostolisch getuigenis aangaande de Christus aannam, moest openlijk tonen, dat hij dat deed met de bedoeling om Christus tot zijn Zaligmaker te hebben, door zich aan te melden tot de doop. Hierdoor immers verklaarde hij openlijk, als voor Gods aangezicht, dat hij zich met Christus wilde laten begraven, tot een teken van Godswegen, dat hij met Hem als aan de zonde gestorven werd beschouwd. Deze kon hem niet meer veroordelen of overheersen.
Daarnaast zocht hij in de gemeenschap aan Christus' dood de weg tot gemeenschap aan Zijn opstanding, dat is, aan het nieuwe, heilige leven, dat van deze wereld niet is: Deze belijdenis van het geloof, die hij door de openbaring van zijn begeerte naar de doop aflegde, werd bevestigd door de opening in de gemeente. Een en ander kwam tot stand naar haar zichtbare zijde door de doop. Wanneer de doop werd bediend, ja, dan wist iedereen: deze dopeling is in de gemeente opgenomen. Nu mocht de gelovige zich de belofte van het Evangelie toeëigenen. God had de belofte van zaligheid vastgehecht aan het beleden geloof. Men zie maar eens na in het tiende hoofdstuk van de brief aan de Romeinen. De gelovige is zich bewust dat hij gelooft. Door het geloof in Christus zoekt hij de dingen, die de doop afbeeldt. Hij merkt de belofte van het Evangelie niet alleen in het algemeen als waarachtig aan, maar ook als persoonlijk aan hem gegeven. Hij stelt er het volle vertrouwen in, verlaat er zich op en verwacht haar vervulling. Hiermee loopt het proces van het geloof van zo te zeggen af. Het geloof richt zich op de belofte van het Evangelie. Ja, dat geloof sluit het vertrouwen in zich, dat niet alleen aan anderen, maar ook aan mij, vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om de verdiensten van Christus' wil. Dat is nu juist datgene, wat in de Schrift het betrouwen op de Heere heet – de eigenaardige gestalte, waarin het geloof zich steeds presenteert, waarin het steeds overgaat, als het een belofte tot voorwerp heeft. Hierdoor onderscheidt zich het levend geloof, dat het zich steeds in een verlaten op de Heere uitwerkt. Het dode geloof daarentegen komt niet verder dan tot een voor waar houden van het Evangelie. Het blijft ook puur tijdelijk, alsof het Evangelie ons niets aanging.
De oorspronkelijke verhouding van vijandschap tussen kerk en staat was voor de christenen verre van gemakkelijk. Het betekende evenwel dat de kwaliteit van het geloof gedegener was. Men deed aanvankelijk niet zo gemakkelijk belijdenis. Het kostte smaad en hoon. Wanneer de christelijke kerk evenwel invloed en aanzien ontvangt, breekt een nieuwe tijd aan, christen zijn wordt begunstigd. Voor een groot deel duurt deze situatie nog voort, ook al laten ons eerst de laatste jaren verschijnselen zijn, die de vraag wettigen of deze tijd misschien aan het aflopen is en de begunstigde kerk weer de vervolgde kerk zal worden. Hoe het ook is – wij zijn voor een groot deel verburgerlijkt. De wereld werd na Constantijn kerks, en dat betekent dat de kerk werelds wordt. Sindsdien is de openbare belijdenis van het geloof een ceremonie geworden. Elk jaar stonden er een groot aantal jonge mensen voor de preekstoel om belijdenis af te leggen. Maar of dat nu zo principieel was? Kwam er niet veelszins gewoonte en sleur bij te pas? Helaas, de laatste tijden tonen ons hoevelen van de belijdenden in de kortste keren weer ontrouw worden. Het is naar ons inzien dan ook niet louter verlies, wanneer men in onze jaren niet meer zo vanzelfsprekend belijdenis doet. Het wordt weer meer met overleg gedaan. Het kan soms ontroeren met welke diepe gedachten jonge mensen vervuld zijn. Daarom achten wij het niet schokkend, wanneer in een bepaald jaar minder belijdeniscatechisanten aantreden. Laat het rijpingsproces zijn werk maar doen. Zijn er voorheen niet al te velen aangekomen met minder oorbare motieven? De ervaring leert het helaas maar al te duidelijk.
Toch blijft overeind staan, dat het in de zaak van geloven en belijden niet altijd naar de regel toegaat. Het model is goed, maar de copie is gebrekkig. De Christus wordt niet altijd even spoedig en even helder aan het oog van het geloof geopenbaard. Het is hier als met de zon. Soms gaat zij 's ochtends in eens in volle pracht op, om dan wel later, op de middag of tegen de avond enigszins te verduisteren. Soms breekt zij eerst later op dag, ja, even voor de nacht, door wolk en nevel heen. Doet het eerste geval zich doorgaans voor bij wie ineens mèt de duisternis in het volle licht worden overgezet. Met hen die langzaam overgebracht worden, is het vaak een langdurige afwisseling van licht en donker, voor zij de belofte van het Evangelie durven omhelzen. Vele oorzaken werken hiertoe mede. Ze zouden eigenlijk elk voor zich een afzonderlijke bespreking verdienen. Veeltijds is er wel geloof aan het Evangelie, maar het wordt telkens geschud door het beweren van hen, die zeggen dat alleen de reeds bekeerden worden geroepen, zodat de ziel niet durft geloven dat het aanbod van genade ook haar geldt. Wat is er dan een breed arbeidsveld voor de prediker! Hij kan weten wat hij te doen heeft. Laat hij maar eenvoudig getrouw zijn aan het bevel van zijn Zender om het Evangelie te prediken aan alle schepselen. Laat hij maar weten, dat het evenzeer schuldig maakt als men de deur der genade te weinig als te veel openzet. Laat hij dwingen om in te gaan. Intussen moet het onze aandacht niet voorbijgaan, dat de Schrift veeltijds het geloof in zijn sterkte voorstelt. Ja, de Schrift geeft niet de zwakken maar de sterken tot een voorbeeld. Steeds berispt zij de zwakheid van het geloof. Dat zoet ze zeker om te voorkomen, dat wij de zwakheid van het geloof als iets normaals zouden gaan bezien, maar daartegenover in het sterke geloof iets buitengewoons zouden gaan zien. Te velen toch beschouwen het sterke geloof als een buitengewone zaak waarnaar te jagen haast hopeloos is, omdat het maar aan enkelen wordt gegeven. Wij zeggen dat in het voorbijgaan als het ware. Wij verwerpen het zwak geloof niet – maar wij kunnen er niet omheen te betogen, dat het sterke geloof regel behoort te zijn.
Daarmee besluiten wij ditmaal. In de gemeente wordt menigmaal aan het zwakke geloof grote eer gegeven. Het wordt somtijds zelfs gekoesterd. Licht komt dan de gedachte boven, dat het zwakke geloof ere zou verdienen. Dat is geheel bezijdens de waarheid. De gronden van het geloof in de beloften Gods zijn werkelijk niet gering. Juist de tekening van het sterk geloof zou ons opscherpen. Het maakt heilig jaloers. Waarom zouden wij bij het geringe blijven staan, wanneer de meerdere is te ontvangen? Ware groei in de genade wast óp in de genade en kennis van onze Heere Jezus Christus. Het pad der rechtvaardiging is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot de volle dag toe. Wanneer dus de leerling het pad der gehoorzaamheid kiest, dan zal hem op zijn levensweg hoe langer hoe meer het licht opgaan, waarbij hij het ware inzicht wint. Helaas, wie het geestelijk leven der gemeente aandachtig gadeslaat, komt tot de gevolgtrekking dat het normale alleszins voor verdacht wordt gehouden en het abnormale tot richtsnoer wordt verheven. De gemeentetheologie is daaraan schuldig; maar niet weinig ook de grove onkunde. Wij leven in tijden van weinig doorwrochte geloofskennis. Daartegen moesten wij alles ondernemen. Gedegen catechismusprediking is daartoe één gezond middel. Grondige oefening een tweede medicijn. Ieder moet bij zichzelf beginnen. Het komt ons althans goed voor, de eisen niet te laag te stellen. Er is al te veel onderspanning in vele levens. Er is een kuddeverzadiging, een ligstoelmentaliteit die niets meer verwerken wil. Daarom mag zeker ook als bedoeling van de prediking gezien worden het opwekken van een nieuwe spanning, het wekken van een dieper ontevredenheid, het opschrikken uit de gezapige rust. Niet de huisbakkenheid behoeven wij te strelen. Het gaat om de jacht naar het hoogste doel!
A. v. Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1988
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1988
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's