Verliezen wij de vroomheid (6)
Door een vergissing is verleden week in de serie 'Verliezen wij de vroomheid' nr. 7 afgedrukt. Dit had nr. 6 moeten zijn hetgeen hierboven is afgedrukt. Voor dit ongemak bieden wij onze verontschuldigingen aan.De drukker
Waarin bestaat een vroom, godvruchtig leven? Een vorig keer gaf ik op deze vraag als antwoord, dat het niet alleen bestaat in praten, in zingen òf in mediteren over- en vanuit de omgang met de Heere. Het bestaat niet minder in het oefenen van een nieuw leven. Het gaat hierin om de heiligmaking zonder welke niemand de Heere zien zal. En wat staat in de heiligmaking centraal? Antwoord: een haten en een vlieden van de zonde! Dit geeft een geweldige strijd in het leven van de christen. Dit laatste schrijf ik zelfs met enige nadruk neer. Soms wordt er immers wel gedacht, dat de kennis van Christus door het geloof het eindstation is. Als men maar mag weten het eigendom van Christus te zijn, dan is het wel goed. Nu zal ik bepaald niet ontkennen, dat het een bijzonder grote zaak is als men persoonlijk mag weten dat het bloed van Jezus Christus ons gereinigd heeft van alle zonden en men door de Zaligmaker de toeleiding heeft tot het Vaderharte Gods. Maar er is méér! Er is na eens ontvangen genade ook de strijd om Gode welgevallig te leven. En dat is nog net zo eenvoudig, omdat de oude mens iets heel anders wil dan de nieuwe mens, het vlees iets heel anders dan de Geest. Van dit alles heeft vooral de apostel Paulus geweten. Let wel: na zijn bekering. Men leze er onder andere Romeinen 7 maar eens op na en men onderstrepe met name vers 14: 'Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde'. Desondanks wil de apostel bij dit alles toch één doel in het oog houden: hij wil komen tot de wederopstanding uit de doden. Een werkelijk ander leven, een nieuw leven, gelijkvormig aan de Heere Jezus heeft Paulus voor ogen. Dat is zijn worsteling en die van alle kinderen Gods van alle eeuwen. En al is het dan juist, dat zelfs de allerheiligste slechts een klein beginsel van de nieuwe gehoorzaamheid heeft, toch is er – zoals de Heidelberger zegt – een ernstig voornemen om niet alleen naar sommige, doch om naar alle geboden Gods te leven. Zowel die van de eerste tafel van de wet als die van de tweede. En dan maar bij het begin beginnen! In onze tijd legt men nog weleens alle nadruk op de tweede tafel van de wet waarin gehandeld wordt over ons gedrag jegens de naaste. Dit wordt met zoveel verve en overtuigingskracht gedaan dat men van de weersomstuit de eerste tafel van Gods goede wet vergeet. Dat dit bepaald geen goede zaak is, bleek mij bij het lezen van een opstel over 'Godvruchtigheid' van de hand van ds. W. L. Tukker. Dit opstel kan men lezen in 'De weg van het Woord' (pag. 254-263). Er staat onder meer dit in geschreven: 'Laat ons maar niet beginnen bij de doodslagen op allerlei wijzen, bij de gezagsondermijningen, bij de zedenverwildering. Laat ons eerst eens beginnen bij de geboden van de eerste tafel. Gods persoon, Gods naam, Gods dag. Staan die geboden er dan niet meer?
Wie toch de dag Gods eenvoudig en alleen voor de dienst Gods en voor de naam Gods wil reserveren, die wordt toch eenvoudig niet meer voor vol aangezien! Is het wonder, dat de zedelijkheid in de ruimste zin van de tweede tafel wèg is, als wij met de geboden van de eerste tafel zó handelen?'
Op grond van wat onze oud-voorzitter hier in dit opstel zegt, ben ik stellig van mening, dat de tweede tafel van de wet een diepere inhoud krijgt en ons bewaart voor allerlei 'activisme'. Wil de tweede tafel van de wet op een juiste manier in het leven van de christen functioneren, zo zal dat opkomen uit de liefde tot de eerste tafel nl. de liefde tot Gods persoon, Gods naam en Gods dag. Want wat is dat voor een christen die wel alle nadruk legt b.v. op het zevende gebod, doch die met het gebod om Gods dag te onderhouden de hand licht?
Godzalige levenswandel
Het gaat de christen om een Godzalige levenswandel. Deze wandel komt hem echter niet zomaar aangewaaid. Daarin moet hij zich oefenen en bezig zijn. Een oprecht christen voelt heel goed aan: ik kan alles maar niet bij het oude laten en mee blijven doen met een 'wereld's leven. Het is immers een onmogelijke zaak het hart te geven aan deze wereld en haar begeerlijkheden en tegelijkertijd de Naam des Heeren op de lippen te nemen. Daarom: een Godzalige levenswandel wil afstaan van alle ongerechtigheid. In zo'n wandel komt tot uiting dat men de wil des Heeren begeert te betrachten.
Nu schreef ik hierboven, dat de christen zich daarin moet oefenen en zich daarvoor moet inspannen. Bedoel ik daarmee te zeggen, dat dit dan een zaak is die uit de christen zelf opkomt? Heeft hij zoveel kracht van zichzelf dat hij er wel even voor zal zorgen dat zijn levenswandel Godzalig is? Wie dit mocht denken, vergist zich schromelijk. Alles, maar dan ook alles is een werk des Heeren. Wanneer een christen zich oefent en inspant om de Heere welbehagelijk te leven, zo is dit hem ook door Gods genade geschonken. En wanneer er vruchten van het nieuwe leven in een Godzalige wandel worden gevonden, zo zijn die uit Christus. Het is immers onze Zaligmaker Die heeft gezegd: 'Uw vrucht worde uit Mij gevonden'. Nu zou een volgende vraag in dit verband kunnen zijn òf de christen op dit alles dan maar lijdelijk wacht? Hij kan immers toch niets én àlles moet hem gegeven worden? Dit laatste is volstrekt waar! Heel het werk der zaligheid, dus ook een Godzalige levenswandel, wordt door de Heere gewerkt. Dat is niet alleen maar gereformeerd òf reformatorisch, doch vooral Bijbels. Toch moeten wij bij dit alles één ding niet vergeten. Wanneer de Heere ons de vrijspraak schenkt in het bloed van het Lam, schenkt Hij tegelijkertijd de begeerte in ons hart om Godzalig voor Hem te leven. Deze begeerte leidt ons naar de troon der genade om van Hem alle kracht te ontvangen ten einde Zijn wil te doen. Wanneer die begeerte in ons hart wordt gevonden, rijst als vanzelf de bede omhoog: 'Och, schonk Gij mij de hulp van Uw Geest'. Dat is bepaald niet lijdelijk, maar door genade zelfs hoogst actief. En naar Zijn vrijmachtig welbehagen geeft de Heere dan ook alles wat ons ontbreekt, mild en overvloedig. Hij schenkt de werkingen van de Geest om ons inderdaad te oefenen en ons in te spannen om voor Hem te leven. Tot eer van Hem en tot nut van de naaste. Het zijn de werkingen van Gods Geest door het Woord Die ook alle weerstanden gaan opruimen. Want ja, ook na eens ontvangen genade blijven wij een twee-mens, waarin de Geest strijdt tegen het vlees. Dat is echt geen lichte strijd, denkt u dat niet. En toch… de Geest Gods behaalt de overwinning en doet ons willen wat God wil. Uit dit alles zal wel duidelijk zijn, dat een Godzalige levenswandel niet iets is van: wij steken de handen uit de mouwen. Het is in de eerste plaats een zaak van de verborgen omgang met God waarin al ons tegenspreken en tegenstreven teniet wordt gedaan en daarna worden de vruchten daarvan gezien in het leven alle dag. Wanneer eigen hart wordt gereformeerd in de binnenkamer, zal men ook de begeerte hebben om eigen huis, eigen kring of samenleving te reformeren. Want wij weten: alles behoort onder heerschappij van Koning Jezus te staan. En als genade ons hart mag vervullen, zullen wij graag wat voor die beste Koning willen doen!
Weerstanden
Meer dan eens heb ik geschreven, dat de Schrift er voortdurend op aandringt om het bezig-zijn met het nieuwe leven als vrucht van Gods genade niet te vergeten. Wanneer het geloof op spankracht is, zal dit inderdaad niet vergeten worden. Wel zijn er dan weerstanden in ons hart opgeruimd en heeft de nieuwe mens op de oude mens de overhand. Gevolg daarvan is, dat naen wil gaan reformeren. Een ieder moet deelgenoot worden gemaakt van wat de Heere heeft geschonken en men spoort anderen aan om die genade ook te zoeken. Ook wil de christen – om maar een voorbeeld te geven – dat in zijn of haar gezin de dingen anders ingericht zullen worden. Ik denk o.a. aan het onderhouden van Gods dag. Ging het gezin eerder slechts één keer naar de kerk de vrome christen heeft de begeerte dat dit twee keer zal gedaan worden. Nu houdt het onderhouden van Gods dag nog wel iets meer in dan alleen maar twee keer naar de kerk gaan, maar ik geef maar een voorbeeld. Ik kan ook nog wel een ander voorbeeld noemen. En dan denk ik aan die man die – wat wij wel zeggen – vanuit de wereld was gegrepen en al zijn heil in Christus alleen had gevonden. O, wat was het zijn begeerte om zijn gezinsleven te reformeren. Hij wist: dat gezinsleven van mij is niet tot Gods eer. Maar misschien behoef ik dit laatste voorbeeld niet eens te noemen. Wellicht zijn er onder ons, een vader of een moeder, die de enige troost in leven en sterven hebben leren kennen en die hun kinderen een weg zien opgaan die haaks staat op het Woord. Door de jaren heen heeft het pastoraat mij althans geleerd, dat het ook in onze gezinnen niet altijd zo gaat als het behoort te gaan. Onder onze jeugd worden ook drugsverslaafden en wat al niet meer aangetroffen. Ik moet zeggen, dat er Gode zij dank ook andere gezinnen bestaan, maar ook dit is mij wel duidelijk geworden, dat de wereld of wat men daaronder dan mag verstaan werkelijk niet voor de deuren van onze gezinnen heeft halt gehouden. En als wij een goed en gaaf gezinsleven mogen hebben, laten wij dan als ouders niet denken, dat dit vanzelf spreekt of dat het onze prestatie is.
Dat is dan alleen te danken aan de goedheid Gods die onze kinderen heeft vastgehouden. Het mag dan ook wel voortdurend onze bede zijn, dat de Heere onze kinderen vast blijft houden. Maar helaas… niet alle gezinnen zijn goed en gaaf. Hiervan behoeven niet altijd de ouders de schuldigen te zijn, ofschoon ik ook wel weet dat niet alle ouders onschuldig zijn aan een zondig gezinsleven waarin een Bijbelse orde en ordening ontbreekt. Onze kinderen mogen dan kinderen van ons zijn en wie dit goed bedenkt zal nooit hoogmoedig kunnen worden, maar de kinderen hebben ook iets van zichzelf. Maar ik moet terugkeren naar de christen die de begeerte in zich heeft om in woord en daad zijn gezinsleven te reformeren. Hij komt er wel achter dat dit niet meevalt en vooral niet wanneer de kinderen van jongs af aan wel met wat uitwendige godsdienst zijn grootgebracht, maar niet met de vreze Gods. En nog moeilijker wordt het, wanneer een vader of een moeder, genade heeft ontvangen, die vroeger met God en Zijn dienst nooit heeft rekening gehouden en een puur 'werelds' leven leidde. Wil men dan het gezinsleven reformeren en de dingen daarin anders ordenen, zo komen er weerstanden op af alsmede ook vragen in de zin: 'Waarom moeten wij dit nu doen of nalaten, terwijl wij dit vroeger nooit deden of nalieten. Weerstanden en vragen, talrijk in getal. Voor de christen die voor God en zijn kinderen vroom begeert te leven ogenschijnlijk om moedeloos te worden. En het wordt allemaal nog moeilijker, wanneer hij om al zijn reformatie-pogingen bespot wordt en hem wordt toegevoegd: 'u of jij was vroeger toch ook niet zo?' Of – als en dat is voor een vader of moeder die als christen of christin begeert te leven toch wel het moeilijkste – de kinderen zeggen: 'wanneer u of jij niet ophoudt met die "femelarij" ga ik het huis uit en ziet u of jij mij nooit weer'. Zulke dreigementen zijn natuurlijk niet netjes en het past ook niet om als kinderen zo met ouders om te gaan, maar het komt wel voor. Het komt zelfs voor wanneer kinderen een middelbare leeftijd hebben en ouders oud zijn geworden. Wat moet zo'n ouder dan doen? In zijn of haar hart leeft de begeerte om te reformeren, maar de weerstanden daartegen zijn zo groot dat men waarschijnlijk meer stuk maakt dan dat er van een echte reformatie of verandering ooit sprake is. In het pastoraat geef ik dan nog wel eens de raad om als het helemaal niet meer kan maar voor een tijd te zwijgen. Het kan toch ook niet Gods bedoeling zijn dat wij onze kinderen van ons vervreemden. Wel zeg ik er dan bij: Laat vooral de handel en wandel een prediking en een voorbeeld zijn. Handel en wandel mogen namelijk niet een tegenstelling vormen met wat wij zeggen of gezegd hebben.
(Wordt vervolgd.)
G. S. A. de Knegt, P.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1988
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1988
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's