Ik zal voor u strijden
'De Heere zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn'.Exodus 14 : 14
Nood leert bidden…
De geschiedenis van Exodus 14 schijnt dit te bevestigen. Israël bevindt zich in een benarde situatie. Vóór hen de zee. Aan weerskanten verheffen zich de rotsen. Achter hen nadert de vijand. Angst krijgt de overhand. Er is geen zicht op de oyerkant. Zal de woenstijn hun laatste rustplaats worden of de zee hun graf? Een doodgelopen weg! Vindt u het vreemd, dat er staat: 'En zij vreesden zeer'? Wij die de afloop kennen, weten het wel: De Heere zal uitkomst geven. Maar voor Israël is dit vooralsnog niet zo duidelijk. Je zult maar eens aan alle kanten ingesloten zitten. Je moet maar eens zover zijn gekomen, dat je geen kant meer uitkunt. De mensen hebben dan gemakkelijk praten. 'Volhouden maar… de moed niet opgeven… niet bij de pakken neerzitten'. Allemaal goed bedoeld. Maar je hebt er soms zo weinig aan. Je ziet geen weg meer. Je weet geen uitkomst meer. Dichte mist belemmert het zicht op het vuurtorenlicht van Gods beloften. Je weet niet meer vooruit te gaan of achteruit. Niet naar links en niet naar rechts. Een gevoel van teleurstelling, mislukking, jazelfs van vertwijfeling begint de overhand te krijgen. Bange vrees broeit van binnen, dat het nooit meer goed zal komen.
Daar staat het volk! Nog maar kort geleden is het door een sterke hand en door een uitgestrekte arm verlost uit het diensthuis, uit Egypte. Maar nu: vastgelopen. Het zicht op de Heere kwijt, de wolkkolom des daags en de vuurkolom des nachts ten spijt.
'Toen roepen de kinderen Israëls tot de Heere', zo lezen we in vs. 10. Een omwending? Het begin van 'de nieuwe dag'?
Nood leert bidden… zegt de volksmond.
Maar het is niet alles bidden, wat bidden wordt genoemd.
Nood op zich leert ons nooit bidden. Het is alleen de Geest der genade en der gebeden die ons kan leren bidden in de nood. Het woord dat in vs. 10 met 'roepen' is vertaald heeft dezelfde stam als in Ex. 12 : 30, waar we lezen van 'groot geschrei' onder de Egyptenaren als in grote getale hun eerstgeborenen sterven. Dat roepen heeft de klank van een schreeuw. Het is een roepen in vertwijfeling, een roepen zonder verwachting en vol verbittering. Israël komt hier niet tot God in het geloof, dat Hij de Beloner is dergenen die Hem zoeken (Hebr. 11 : 6), maar richt hier verwijten aan Gods adres, terwijl Mozes dient als schietschijf.
'Hebt gij ons daarom, omdat er in Egypte gans geen graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waarom hebt gij ons dat gedaan, dat gij ons uit Egypte uitgevoerd hebt…'
Waarom? Een klacht in de nacht van beproeving en angst. Een schreeuw uit de diepte van het geprangde gemoed. Dek het maar niet te snel toe dit 'waarom'. Want het is uit het leven gegrepen. Ik hoor het Heman roepen in de 88e Psalm: 'Heere! waarom verstoot Gij mijn ziel, en verbergt Uw aanschijn voor mij'. En Job stoot het uit op de puinhopen van zijn bestaan: 'Waarom ben ik niet gestorven van de baarmoeder af… (Job. 3 : 11). Meer bitterheid dan gebed. Zit u er soms ook zo mee? Je weet: het is niet goed. En toch, je kunt het niet inhouden.
Daar staan ze, de kinderen Israëls, Gods volk: van alle kanten ingesloten. Nee, van Boven komt geen verklaring van het 'waarom', maar wel een belofte. Wonder van genade: een belofte voor een morrend volk. Een toezegging aan opstandige mensen. Hoor daar spreekt Mozes, de mond van God: 'Vreest niet, staat vast, en ziet het heil is des Heeren, dat Hij heden aan ulieden doen zal, want de Egyptenaars, die gij heden gezien hebt, zult gij niet meer zien in eeuwigheid. De Heere zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn' 'Vrees niet!' Heerlijk woord op de grens van dood en leven. Telkens klinkt het weer op de kruispunten van Israëls geschiedenis. Het is Gods genadige inslag op al onze doodgelopen wegen. God kan ons soms op zo'n weg leiden als Israels weleer, om Zijn genade en heerlijkheid aan ons te openbaren. 'Vreest niet, ziet het heil is des Heeren'. Van de Heere is het heil. De Redding komt van Hem. Hier hebt u vaste grond, o Israël. Dit is geen laatste strohalm, maar een rots in de branding waar de drenkeling zich aan vast kan klemmen. Ik zie geen weg, ik weet geen oplossingen meer. Ik ben de Weg, zegt Hij. De Heere zal voor ulieden strijden en gij zult stil zijn. Stil zijn, als de Egyptenaars zo dicht in de buurt zijn? Als de zee voor je ligt? Stil zijn… als alles tegenloopt? Alleen, op de Heere vertrouwen.
De overwinning behalen zonder zelf de wapens ter hand te nemen? Ja, want de Naam des Heeren is een sterke Toren. Heere is Zijn Naam. Ik ben. Die Ik ben. De Heilige God, Die geen rekenschap geeft van Zijn daden en Die zijn heilige (om)wegen met Zijn volk gaat. Maar ook Die God, Die uw voet niet zal laten wankelen. De Bewaarder Israëls, Die niet zal sluimeren, noch slapen. Hier breekt het Licht door in het duisterste uur van de nacht. Hier schittert de blinkende Morgenster. In de Naam! De Heere redt. Immanuël – met ons is God. Een Naam boven alle naam, uitgeschreven in vijf letters: Jezus!
In Hem zijn al Gods beloften ja en amen. Ook deze belofte: De Heere zal voor ulieden strijden. Als wij Gods sporen in ons leven niet meer kunnen ontdekken; legt de Heere een weg. Hij baande door de woeste baren voor Israël een pad. Dwars door de zee. Een weg in de zee. In de zee van ellende, in de zee van verdriet, in de zee van angst en van de strenge bittere dood. Waar wij menen te moeten omkomen, spreekt de Heere het verlossende Woord: 'Vreest niet… de Heere zal voor ulieden strijden'. Hoe hoog kan de nood klimmen! Met name daar waar ons de schuldbrief thuis wordt bezorgd. Daar waar wij ontdekken, dat op de bodem van al onze vragen, óók onze persoonlijke zondeschuld ligt. Wij hebben God op 't hoogst misdaan en zijn van 't heilspoor afgegaan, ja wij en onze vaderen tevens…
Wie hiermee aan de grond komt, vindt geen rust meer in dooddoeners en heeft niet genoeg aan een schouderklopje of zalvend woordje.
Die weet: zo kan ik met verder. Er moet wat gebeuren, want anders is het voor eeuwig verloren;
'k Wou vluchten, maar kon nergens heen,
Zodat mijn dood voorhanden scheen,
En alle hoop mij gans ontviel.
Daar niemand zorgde voor mijn ziel?
Alle hoop ontvallen? Ja, van uw kant en van mijn kant wel. Maar daar klinkt het Woord: 'De Heere zal voor ulieden strijden en gij zult stil zijn'.
Een Woord dat in de geschiedenis van Israël diepe sporen getrokken heeft. Een Woord dat Israël er letterlijk doorgehaald heeft, zodat het aan de overkant het lied kon aanheffen: 'Ik zal de Heere zingen; want Hij is hogelijk verheven! Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen. De Heere is mijn Kracht en Lied, en Hij is mij tot heil geworden. Het volk is met dit Woord – De Heere zal voor ulieden strijden – voortgetrokken. Want stil zijn is niet stil zitten. 'Zeg de kinderen Israëls dat zij voorttrekken'. Stil zijn is: je met heel je hebben en houden, met al je onmogelijkheden en onhebbelijkheden achter de Heere aanlopen op de weg Die Hij voor je baant. Niet er zelf 'tegenaan'. Niet het heft in eigen hand nemen, maar letten op de staf van Hem, Die voorgaat. Want meer dan Mozes is hier!
In de 'middelaar' Mozes zien we de schaduw van de grote Middelaar. Niet Mozes, maar Christus heeft de strijd gestreden. Zie Hem daar: Hij kan niet naar links en niet naar rechts. Niet naar voren en niet naar achteren. Vastgenageld. Alle waaroms, alle verbittering, alle zonden zijn op Hem neergelegd. Hoor Hem daar in dat allerbenauwdste uur: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten. Nee, geen bittere klacht, maar de biddende kracht van Zijn goddelijke natuur, waardoor Hij de toorn God, waaronder wij eeuwig hadden moeten bezwijken, gedragen heeft. Om stil onder te worden… De Heere zal voor ulieden strijden. 'Ik heb de pers alleen getreden en er was niemand van de volken met Mij'.
Hoelang wilt u het nog volhouden om zelf te strijden? Al ons strijden is tegenstreven. Geef de wapens maar uit handen. Laten die twee doorboorde handen uw enige hoop en redding zijn. Hij – Christus, een en al vloek, een en al ellende, tot zonde gemaakt, maar zo ook: een en al Heiland. Redder van verlorenen. Uw Redder. Ziet het heil is des Heeren, dat Hij heden aan u doen zal.
Mijn ziel is immers stil tot God;
Van Hem wacht ik een heilrijk lot;
Hij immers zal mijn rotssteen wezen.
A. Visser, Putten
Door omstandigheden wordt de serie meditaties van ds. L. Kievit te Putten niet vervolgd. Helaas is daarom de tweede aflevering van de meditatie die vorige week in ons blad werd geplaatst niet mogelijk.
Red.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's