Belofte en vervulling
U kunt dikwijls in de gemeente horen over het verschil tussen belofte en vervulling. Het is niet onbelangrijk daarover eens op gezette wijze na te denken. Er is een samenhang tussen het geloof áán en de vervulling ván wat God tot ons zegt. Er kunnen gevallen voorkomen, waarin zulk een samenhang in het geheel niet behoeft te bestaan. Deze gevallen doen zich voor, wanneer God een oordeel aankondigt, hetzij een voorwaardelijk, zoals in het paradijs: ten dage als ge daarvan eet, zult ge de dood sterven – hetzij een onvoorwaardelijk, zoals in de dagen van Noach. Het einde van alle vlees is voor Zijn aangezicht gekomen. Of men deze woorden nu wel of niet geloofde, deed niets ter zake; men zag ze toch aan zichzelf vervuld.
Zo onbepaald laat zich evenwel niet spreken, als het Woord Gods beloften bevat. Ook hier kunnen zich situaties voordoen, waarin de vervulling geenszins aan het geloof is gebonden. Wanneer God in Noach, en in hem aan alle schepselen, belooft dat Hij de aarde niet meer om de wille van de boosheid van de mensen zal vervloeken, dan wordt deze belofte vervuld, ook al gelooft straks het menselijk geslacht niet langer, dat God met Noach een verbond van lankmoedigheid heeft gesloten. Er kunnen zich daarnaast ook gevallen voordoen, waarin tot vervulling van een belofte van de zijde van de mens geloof nodig is: Met name gebeurt dat daar, waar de belofte door menselijke tussenkomst moet worden vervuld. Dit geldt voor alle beloften, omtrent de geboorte van personen of het plaatsgrijpen van wonderen, of het intreden van gebeurtenissen, die het belang van het koninkrijk van God moeten dienen. Hier is het geloof van hem, door wiens tussenkomst de raad Gods volbracht worden zal, volstrekt nodig.
Wordt het geloof bij de betrokkene gemist, dan dwingt God hen door het teken, om te geloven. Dat kunnen wij zien aan Zacharis, de vader van Johannes de Doper. Hier is het nodig een geloof te hebben, dat op vertrouwen in Gods waarachtigheid berust, een geloof, dat ten volle aan zijn naam beantwoordt. Hier zou men welhaast kunnen spreken van wondergeloof In het bijzonder evenwel wordt er een nauwe samenhang tussen het geloof aan de belofte en de vervulling van de belofte gevonden, waar het de belofte van het Evangelie betreft. Hier toch is het geloof volstrekt nodig. Niemand wordt het heil des Heeren, in het Evangelie geopenbaard, deelachtig; dan wie gelooft.
Waarin ligt hier de reden? Iemand zou misschien kunnen denken, dat ze ligt in de waardigheid van het geloof, zodat de vervulling van de belofte eigenlijk een vergelding is, ons vanwege ons geloof gegeven. Wie dat denkt heeft het helemaal mis. Het geloof wordt niet terwille van zijn waardigheid geëist, als iets, dat nodig is, om ons de gunst van God deelachtig te maken. Het is geen stuk van onze gerechtigheid. Zonder enige twijfel is het geloof een kostelijke genade. Het is evenals het ongeloof toch, meer dan een verstandelijke overtuiging en heeft grotere dan zuiver instrumentele waarde. Voorzover het een erkenning van God is, die berust op vertrouwen in God ten aanzien van Diens getuigenis omtrent Zijn genade in Christus, is het een zedelijk verschijnsel, waarin het geestelijke leven een sterk sprekend teken van Zijn bestaan geeft. De strekking van dat geloof reikt ver. Het geeft Gode de eer van waarachtig en getrouw te zijn, genadig en barmhartig. Ja, het geloof valt God bij in al Zijn deugden. Het opent opnieuw de bij de val afgebroken gemeenschap van het innerlijke leven met God. Het geloof zet ons over in de hemelse wereld zelf.
Ja, het doet ons de tegenwoordige wereld overwinnen. Het reinigt de geest van dwaling en het hart van wereldzin, hoogmoed, eigengerechtigheid, ja, van alle zonden, om het te vervullen met liefde en vreugde en hoop. En toch verklaart zich het geheim, dat de belofte juist aan het geloof wordt vervuld, uit de uitnemendheid des geloofs niet. Dit komt met name naar voren uit de samenhang, waarin het geloof gesteld wordt rnet de genade. Dat lezen wij maar te klaar in het vierde hoofdstuk van de brief aan de Romeinen. Daarom is zij – de hemelse erfenis namelijk – uit het geloof, opdat zij naar genade zij. Zo pittig mogelijk zegt Paulus het: het is daarom 'uit geloof', opdat het zou zijn 'naar genade'. Wij zien hieruit, dat het geloof als met opzet bij de gave is gevoegd, opdat deze louter genade zou zijn. Er kan dus in het geloof zelf niets gevonden worden wat enige verdienste over ons brengen zou; kan slechts de ledige hand zijn, waarin God de gave Zijner genade neerlegt.
Intussen mag dit laatste evenwel niet zo opgevat worden, alsof het geloof zuiver instrumentele dienst zou doen. Voorzeker zou het geloof ijdel zijn en ons niets toebrengen, wanneer het werkeloos bleef, en er ons niet toe bracht om ons Christus, en het in Hem tot stand gekomen heil, toe te eigenen. Wat zou de hand de mens baten, als hij ze niet gebruikte om de gave, die er in weergelegd werd, tot zich te nemen? Maar alvorens de hand de gave tot zich nemen kan, moet deze er in gelegd zijn. En nu loopt de kwestie hier juist over de vraag: hoe komt die gave er in? Men kan slechts nemen wat gegeven is! Nu is de gedachte van vele mensen deze, dat het Evangelie de boodschap bevat, dat God rechtens erfgenamen maakt van het in Christus geworden heil, zodat wij om er bezitters van te worden, het enkel maar hebben aan te nemen, zoals iemand een erfenis aanvaardt.
God zou ons, om zo maar te zeggen, de genade overhandigen. Hij reikt ze ons toe, en het geloof bestaat wezenlijk hierin, dat wij de ons geschonken genade aannemen. Hier wordt dus de samenhang tussen belofte en vervulling, Evangelie en zaligheid, gesteld in de werkzaamheid van het geloof. Het geloof is op dit standpunt voor alles een daad. Dat wij er uit gerechtvaardigd worden verklaart zich uit wat het doet, niet uit wat het is. Hoe aanlokkelijk intussen deze opvatting lijkt, zij is toch onjuist. Dat blijkt dan met name, wanneer wij in het oog houden, dat het Evangelie geenszins zonder meer ons de verzekering toebrengt, dat het heil in Christus ons rechtens toekomt. Deze verzekering geeft het uitsluitend aan het geloof. Het geloof kan dus nooit bestaan in een gewisheid, dat het heil mij rechtens toebehoort, die er mij toe brengt om het feitelijk in bezit te nemen.
De eigenlijke toedracht van het geloof is anders en dieper. De Schrift verbindt de zaligheid aan het geloof in de Naam van Jezus, dat is, aan de oprechte erkenning van het hart, dat Jezus is wat Hij heet. Hij is, de van God geworden Zaligmaker, in Wie voor een iegelijk, wie Hij verkondigd wordt, gerechtigheid en leven te vinden is. Met dit geloof in het Evangelie nu staat onze gemeenschap aan het in Christus geworden heil in een zeer natuurlijke samenhang. Het geloof is een amen op Gods getuigenis omtrent de Christus; onze rechtvaardiging; met al haar zaligmakende gevolgen is daarentegen het amen Gods op ons geloof. Dit amen Gods kan niet uitblijven. Hij heeft toch Zelf het geloof door het Woord des Evangelies en het werk van Zijn kracht in ons verwekt! Hierdoor is Hij aan elk, die het Evangelie met opzicht tot zichzelf, gelooft, heilig gebonden Hij is gebonden aan zijn eigen eer, aan de beloften van het Evangelie, ja, aan Christus zelf om het geloof aan Zijn getuigenis te bevestigen.
Hij doet de gelovige in eigen behoudenis ondervinden, dat Christus waarlijk degene is, die Hij getuigd heeft dat Hij is, de gerechtigheid en het leven der mensen. Daarover zegt God tot elk, die gelooft: u geschiede overeenkomstig uw geloof. Aan uzelf worde gezien dat wat gij van Christus gelooft waarachtig is. Hoe onuitsprekelijk eenvoudig! Hoe onuitsprekelijk eenvoudig – inderdaad. Hier is het geloof alles en niets. Een amen op een amen – ziedaar, het gehele geheim van onze gemeenschap aan het hoogste heil.
Wanneer wij op dit laatste zien, bemerken wij dat de idee, dat het geloof bestaat in een gewisheid, dat het heil mij rechtens toebehoort, die mij er toe brengt om het feitelijk in bezit te nemen, onzuiver is. Te zeer ligt daar nog de gedachte in, dat ik vanwege de waardigheid van mijn geloof Gode aangenaam ben. Nog een stap verder en wij beroemen ons op het geloof. Toch is het alzo niet. Er blijft in het geloof altoos een diepe armoede van volkomen zelfveroordeling. Maar aan de andere kant de toevlucht tot het volbrachte werk van Christus. Om het in een beeldspraak te zeggen: een gouden ring, waarin een kostbare edelsteen is gezet, heeft zijn waarde niet vanwege het goud, maar vanwege het daarin gezette kleinood. Welnu, alzo maakt ook ons geloof en vertrouwen op de verdienste van Christus ons rechtvaardig, niet vanwege zijn waardigheid als een goed werk, maar vanwege de verdienste van Christus, die het als het kostbaarste kleinood omvat.
A. v. Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's