Breken met Israël? (1)
Door drs. ing. P. C. Kardol
Breken met Israël?
In de Hebreënbrief, die is geschreven omstreeks 80 na Chr., richt de schrijver zich tot de christenen om hen te waarschuwen tegen de verleidingen, die hen doen afvallen van hun geloof. In welk land de geadresseerden wonen wordt niet vermeld. Veelal wordt aangenomen dat dit Italië is. Wat deze christenen bedreigt is o.a. terugval in de verering van heidense goden en – in heidense gewoonten. Verder leiden ook tegenstand en vervolging tot afval in de gemeente. In 't bijzonder richt Hebreën zich tot diegenen waarop de joodse godsdienst blijkbaar sterke aantrekkingskracht uitoefent.
Behoorde deze laatste groep gemeenteleden vroeger tot de synagogegemeenschap, of zijn er onder hen ook christenen uit de heidenen, die zich tot het jodendom voelen aangetrokken? De briefschrijver roept zijn lezers op om te volharden in hun geloof. Zij moeten, met Christus, deze wereld de rug toekeren en niet aarzelen Zijn smaad te dragen, (Hebr. 13 : 12, 13).
Breken met het jodendom?
Betekent dit nu, dat van de christenen wordt gevraagd om niet alleen met het heidendom, maar ook met Israël volledig te breken? Mag er geen gemeenschap zijn tussen hen, die bij hun wetsbetrachting voor verzoening uitzien naar de tempelofferdienst èn de gemeente welks heil is verankerd in Jezus' offerdood? Om een antwoord op deze vraag te vinden helpt ons de Hebreënbrief zelf, m.n. in de hoofdstukken 7-11. Daarin wordt de Heere Jezus, de Zoon van God, ons genoemd als hogepriester zonder zonde.
De Heere Jezus als hogepriester
Zoals in Israël's tempeldienst de hogepriester met het offerbloed, door het voorhangsel, het heiligdom binnenging om de zonden van het volk te verzoenen, zo is Jezus, als onze hogepriester, door het voorhangsel van Zijn eigen vlees – Zijn lijden en sterven – het hemels heiligdom binnengetreden. Daar heeft Hij – Die in Zijn kruisdood onze schuld op Zich nam – ons met God verzoend.
Dit getuigenis aangaande het hogepriesterlijk werk van Jezus Christus voor ons, is de boodschap van het Nieuwe Testament. De apostel Paulus vat dit nog eens samen in zijn brief aan de Efeziërs, waar hij zegt: 'en in Hem hebben wij de verlossing door Zijn bloed, de vergeving van onze overtredingen…' (Ef. 1 : 7).
Israëls's offercultus
Deze heilsbelofte is, voor de lezers van de Hebreënbrief en ook voor ons, commentaar op wat het Oude Testament in het boek Leviticus zegt over de offercultus in Israël. De Heere Zelf biedt daar in Zijn genade verlossing en vergeving aan. In het begin van Leviticus wordt beschreven hoe God tot Zijn dienaar Mozes afdaalt en hem aanroept vanuit de tent der samenkomst. En tot Mozes wordt gezegd, dat wie het offer op de door de Heere aangegeven wijze brengt: 'zo zal het, hem ten goede, welgevallig zijn om over hem verzoening te doen' (Lev. 1 : 1-4). Zo was dan voor de gelovigen onder het Oude Verbond weggelegd de vervulling van Gods beloften van verzoening en vergeving. En in geloof bleef hun blik gericht op de trouw van God, die Zijn Woord gestand doet.
Standvastig geloven
Aan deze standvastigheid van geloven bij de vaderen herinnert de Hebreënbrief de christenen, beide uit joden en uit heidenen. Hij roept hen toe: 'gij hebt volharding nodig om, de wil van God doende, te verkrijgen hetgeen beloofd is' (Hebr. 10 : 36). En de brief vervolgt: 'Want nog een korte, korte tijd, en Hij Die komt, zal er zijn en niet op Zich laten wachten, en mijn rechtvaardige zal uit geloof leven, (Hebr. 10 : 37, 38). Tot dat geloof, waardoor wij ons in hoop op de vervulling van Gods beloften staande kunnen houden, wekt de Hebreënbrief de christenen van toen, en ook ons op. Hij doet dit door te wijzen op de geloofsgetuigen waarvan het Oude Testament spreekt.
Geloofsgetuigen
Deze reeks van getuigen reikt van het begin van het mensengeslacht tot in de dagen van het jodendom in de Makkabeeëntijd. Zo worden genoemd: Abel, die de Heere toebehoorde. Henoch, die wandelde met God. Noach, die in vertrouwen op God de zondvloed overleeft, en Abraham en de Patriarchen, die geloofden dat de Heere hun het land van Zijn belofte zou schenken. Als Israël tot volk zal worden is het Mozes, die zijn voorname positie in Egypte niet heeft geacht, maar – in geloofsgehoorzaamheid aan de God der vaderen – Israël uit het land van slavernij uitleidt. Een uittocht door de vrome Jozef in geloof voorzien. Als onder leiding van Jozua het volk Kanäan binnentrekt zijn de muren van Jericho door geloof gevallen. En wanneer Israël bij zijn vestiging in het land van de Heere God dreigt af te vallen en door de Kanaänieten wordt belaagd, zijn er de door God geroepen Richters, die Stammenfederatie staande houden. In deze Richterenreeks is Samuel de laatste. Door hem spreekt de Heere Zijn Woord tot geheel Israël. Maar opnieuw gaat het Bondsvolk eigen wegen. In ontrouw aan zijn God, wil het een koning als de heidense volken rondom. Toch slaat de Heere acht op de wens van het volk, dat Hem verwerpt, en tot Samuel wordt gezegd het koningschap in Israël in te stellen. Saul, de eerste koning gaat eigen wegen en wordt door God verworpen. Van Israël's koningen wordt daarna alleen David genoemd. Die is – óók in berouw en boete – man naar Gods hart. Hij verkrijgt de belofte, dat zijn huis en zijn koningschap voor immer bestendig zullen zijn.
Na David wordt het Rijk gedeeld. Koningen, die leven in strijd met de geboden Gods kunnen de eenheid onder het volk niet bewaren. In het Noordrijk zijn er de koningen, die Israël doen zondigen. Zij zijn het Verbond ontrouw. Het kleine zuidelijke Juda blijft onder het koningshuis van David. Echter ook daar zijn koningen, die het volk voorgaan om te doen wat kwaad is in de ogen des Heeren. Door zijn ongeloof en ontrouw verkrijgt Israël niet de rust, die God het heeft beloofd. Maar de Heere verlaat Zijn volk niet. Hij verwekt profeten, die de afvalligen in Israël en Juda oproepen om zich te bekeren en in verbondstrouw te leven.
Wat deze profeten om hun geloof, in vervolging, aan marteling en doodslijden hebben ondergaan, wordt zeer realistisch getekend. Foltering, geselslagen, boeien en gevangenis waren hun deel, (vs. 34-40). Maar in vs. 13 van dit hoofdstuk is gezegd, dat hoewel deze gelovigen de beloften niet verkregen hebben, hun blik blééf gericht op de trouw van God, Die Zijn geloften houdt. In hun geloof zagen zij het beloofde reeds vervuld.
Nieuw Verbond
Maar de Heere voert de heilsgeschiedenis met Israël verder en brengt het tot zijn bestemming als uit dit volk Jezus Christus, de Middelaar Gods van het Nieuwe Verbond, geboren wordt. Dan wordt vervuld de belofte aan Abram, dat met zijn nakomelingschap alle geslachten der aarde gezegend zullen worden. Dat dit zou gebeuren, waarbij de Heere God onder alle omstandigheden aan Zijn plan vasthoudt, is in de loop van Israël's geschiedenis telkens voorzegd. Ook daar wijst de Hebreënbrief op. De schrijver citeert een uitspraak van de profeet Jeremia. Die zegt; in het met de vaderen gesloten verbond is Israël niet gebleven; het volk heeft dit verbroken. Daarom zal de Heere met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond sluiten. Dan zal God Zijn wet leggen in hun verstand en die schrijven in hun hart (Hebr. 8 : 8-10; zie ook Jer. 31 : 31-34). De vervulling der Wetswerken waarvan het Oude Verbond spreekt, was onhaalbaar. Dit verbond was dan ook aan zijn verdwijning toe. Nu, onder het Nieuwe Verbond, maakt de dienst van de Wet plaats voor het werk van de Heilige Geest. Die Geest getuigt ons van het verlossend werk van Christus Jezus, de Middelaar van dit nieuwe verbond. En wat hier wordt gezegd tot de Hebreën, geldt ook voor ons: Als wij ons in geloof aan de Heere Jezus mogen toevertrouwen wordt ook in ons hart de begeerte gewekt, om uit dankbaarheid voor Zijn verlossingswerk, naar de geboden Gods te leven.
Terecht sterkt de Hebreënbrief de christenen uit Israël en uit de volken met het voorbeeld van deze geloofsgetuigen. En, waar de christenen uit de joden, in aarzeling en onzekerheid hun gedachten richten op de offerdienst van het Oude Verbond, daar wijst de brief er op, dat deze offercultus door het éénmalige kruisoffer van Jezus is afgelost. En wat de gemeente Gode zal offeren is een lofoffer; 'de vrucht der lippen, die Zijn Naam belijden', (Hebr. 13 : 15; zie ook Hos. 14 : 3).
Tegenstellingen en scheiding in de gemeente
Uit wat de Hebreënbrief ons zegt over de geloofsvragen van christenen uit de joden en uit de heidenen, blijkt dat er in de gemeente tegenstellingen zijn. Die hebben zich al eerder in de moedergemeente van Jeruzalem voorgedaan bij een conflict tussen de jodenchristenen uit de verstrooiing, die Grieks spraken, de hellenisten, èn de jodenchristenen uit Israël welker spreektaal het in die tijd gebruikelijke Aramees was (Hand. 6 : 1-15). De overgang van de oude naar de nieuwe verbondssituatie verloopt niet zonder moeilijkheden. De zes voorgangers, waaronder Stefanus, die aan de Grieks-sprekende christenen leiding zullen geven, stuiten, nog meer dan de joodse christenen christenen, op grote weerstand van de joodse tempelgemeenschap. De marteldood van Stefanus en de vlucht van christenen uit Jeruzalem zijn hiervan het gevolg. Als nu het jodendom – zowel in Israël als in de verstrooiing – het werk Gods in Christus Jezus niet kan onderkennen, stagneert de toebrenging uit haar midden tot 'de gemeente, die zalig werden' (Hand 1 : 2, 47). Daarentegen heeft de evangelieverkondiging onder de volken der wereld voortgang.
Scheiding van kerk en synagoge
Afgezien echter van het feit, dat de synagoge de kerk heeft losgelaten en zelfs heeft tegengestaan, is ook de christelijke gemeente haar eigen weg gegaan. Daarbij ontstaat er in de kerk soms een vijandige houding tegenover het jodendom. De roep bij het strafgeding tegen de Heere Jezus: 'Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen' (Matth. 27 : 25) heeft christenen er toe gebracht dit oordeel in eigen hand te nemen. Daarmee hebben deze zich geplaatst op de rechterstoel Gods. Vanuit deze houding zijn in het verleden joden vogelvrij verklaard en leefden zij in hun verstrooiing zonder burgerrechten. Hun vervolging in Oost- en Midden-Europa èn in Spanje getuigt hiervan.
Geref. gezindte en Israël
Het kan gezegd worden, dat de Gereformeerde gezindte zich van jodenhaat en anti-semitisme heeft onthouden. De zelfkennis in die kring aangaande de zondige staat van het eigen hart, verwoord in Jacob Revius' bekende dichtregels, waarin hij zegt dat het niet alleen de joden waren, die Jezus kruisigden, maar dat veeleer wij zelf Hem door onze zonden aan het kruis hebben gebracht, kan daar toe geleid hebben.
Zo was er dan in de 17e eeuw, in de Republiek der Zeven Provinciën, waarin de calvinisten een politieke dominant waren, vrijheid voor de Portugese en Hoogduitse joden, die hier een toevlucht zochten. De synagogen, die er overal in ons land waren, getuigden er van, dat Israël's godsdienst in het openbaar kon worden beleden en beleefd.
Zending onder Israël
In de loop van de 19e eeuw komt het, onder invloed van de godsdienstige opwekkingsbeweging het Reveil, in het protestantse zendingswerk van ons land tot nieuwe ontwikkelingen. Zendingsorganisaties worden gevormd, die o.a. in het toenmalige Nederlands Oost-Indië hun arbeidsveld hebben. In samenhang met deze opleving van de Zending, wordt ook met zendingswerk onder Israël begonnen. De Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken hadden elk hiervoor hun organen. Tot aan de Tweede Wereldoorlog 1940-'45 heeft deze zending onder de joden voortgang gehad.
Na de verschrikking, die Hitler-Duitsland over Israël heeft gebracht en na de uitroeiing van de Europese joden is de jodenzending niet hervat. Met afschuw en groot schuldgevoel ziet de christenheid naar wat in ons werelddeel – waarin de kerk toen nog een zekere erkenning had – de joden is aangedaan.
Dit leidt voor de Kerk èn voor de wereld tot vragen naar de aard en het wezen van het jodendom en wekt belangstelling voor de geschiedenis van Israël. En voor de theologie roept het vragen op naar de verhouding tussen Oud en Nieuw Testament.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's