Globaal bekeken
Dezer dagen is te Ede op 69-jange leeftijd overleden ds. G. M. van Dieren, ooit dienaar des Woords in de Nederlandse Hervormde Kerk, sinds 1964 echter voorganger in een zelfstandige 'hervormde evangelisatie' te Ede. Zijn heengaan herinnert ons aan de pijn, die er was toen deze gewaardeerde dienaar des Woords wegen ging, waarop de hervormde gemeente van Ede hem niet volgde. In Theologia Reformatica, het driemaandelijks theologisch tijdschrift van de Gereformeerde Bond, schreef ds. T. Poot toen in de rubriek 'Uit de kerk' een stuk, waarin hij de pijn om wat was gebeurd treffend verwoordde. Hier volgt dit stuk, getiteld 'Een pijnlijke zaak', nog eens:
'Zojuist verneem ik dat de provinciale commissie voor opzicht en tucht in Gelderland op ds. G. van Dieren te Ede de vijfde maatregel ter handhaving van de kerkelijke tucht heeft toegepast.
Dat betekent dat ds. Van Dieren vervallen is verklaard van de ambtsbediening in de Hervormde Kerk, met verlies van het recht om naar enig ambt te staan.
De feiten zijn bekend. Sedert de toelating van de vrouw tot het ambt heeft ds. v. D. geweigerd de sacramenten in zijn gemeente te bedienen. Vijf jaar lang hebben de Edese collega's en de kerkeraad aldaar hem daarin gedragen en verdragen, intussen niet aflatend hem van de theologische en kerkelijke onhoudbaarheid van zijn standpunt te overtuigen. Ik moet zeggen dat ik diep respect heb voor de wijze waarop men in Ede met ds. Van D. is omgegaan een voorbeeld van christelijke verdraagzaamheid! Intussen heeft mede door toedoen van ds. v. D. zelf, de provinciale commissie voor opzicht en tucht zich met de zaak bemoeid en ds. v. D. geschorst in zijn ambtsbediening voor de tijd van zes maanden. Onmiddellijk na de bekendmaking van dit besluit is ds. v. D. begonnen samenkomsten te beleggen, los van enig kerkverband, waarin hij zelf voorgingen tenslotte ook het sacrament van de H. Doop bediende. De provinciale commissie heeft daarop nu gereageerd met het in de aanhef genoemde tuchtmiddel.
Ik wil er geen twijfel over laten bestaan dat ik de getroffen maatregelen juist acht. En toch noem ik het een pijnlijke zaak Allereerst is het iets verschrikkelijks als een ambtsdrager der Kerk afgezet wordt.
Omdat ik juist op de zondagen na het bekend worden van de schorsings- en afzettingsbesluiten in Ede voorging heb ik beide malen van de maatregelen mededeling moeten doen aan de gemeente. Het heeft mij beide malen zeer ontsteld. En vervolgens vind ik het verdrietig en pijnlijk dat in onze Kerk nu juist op dit punt afzettingsmaatregelen moeten vallen. Ik weet zeer goed dat ds. v. D. niet geschorst en afgezet is op grond van het feit dat hij bezwaren heeft tegen de toelating van de vrouw tot het ambt, maar op grond van ambtelijk wangedrag en scheurmakerij. Maar al het water van de zee wast niet af dat de toelating van de vrouw tot het ambt (met zo geringe meerderheid toesloten destijds) aanleiding is geworden met het verschrikkelijke feit dat een overigens respectabel dieneer des Woords op deze wijze in de Herv. Kerk is afgezet. En dat vind ik pijnlijk. Ik zou hierover gezwegen hebben, ware het niet dat er de laatste tijd enige geprikkeldheid te bespeuren valt over de weigering van sommige predikanten om voor te gaan in diensten waarin vrouwelijke ambtsdragers dienst doen. Op min of meer hoge toon wordt hier en daar geëist dat 't maar eens uit moet zijn met de consideratie t.o.v. de bezwaarden. Ook hoor ik dat men in verschillende classes de zaken op scherp stelt door afvaardiging van vrouwelijke ambtsdragers, ook al weet men dat een beduidende minderheid principiële moeite heeft haar als zodanig te aanvaarden. Ik acht dit een bedenkelijke ontwikkeling. Destijds heeft de synode per rondschrijven gevraagd de bezwaarden in deze zaak te ontzien. Geldt dat na vijf jaar niet meer? En stel nu eens dat de bezwaarden "de zwakken" zijn, moeten dan "de sterken" de zwakken grieven! Dat is geen wandel naar de eis der liefde (Rom. 15 : 14)'.
In de Zuidafrikaanse Koerier werd aandacht gegeven aan de Hugenoten, die in 1688 scheep kozen naar Zuid-Afrika. Hier volgt een deel van het stuk:
'Op 18 april 1688 arriveerden 21 hugenoten aan boord van de Voorschooten voor de kust van het huidige Saldanhabaai, waar het schip met moeilijkheden te kampen kreeg. Nadat de toenmalige commandant van de Kaap, Simon van der Stel, een boot uitstuurde om de Franse vluchtelingen te halen en ze in Kaapstad veilig aan land te brengen, werd elk van de gezinnen een stuk grond ter grootte van plm. 60 ha toegewezen in de Drakenstein vallei, waar zich ook reeds diverse Nederlanders op de landbouw toegelegd hadden, hetgeen een snelle integratie bevorderde.
Aangezien de nieuw aangekomenen vrijwel volkomen berooid in de Kaap arriveerden, waren zij in het begin nagenoeg geheel van liefdadigheid afhankelijk en Van der Stel voorzag ze op instructie van de Heren Zeventien dan ook van het nodige, tot zij zichzelf konden behelpen. Hoewel de nieuwe immigranten voornamelijk handwerkslieden waren, was het de bestuurders van de Verenigde Oostindische Compagnie vooral te doen om landbouwers en dan zelfs bij voorkeur diegenen, die verstand hadden van de wijnbouw. De eerste jaren waren echter niet makkelijk. De wijnbouw moest ontwikkeld worden op ongecultiveerd land en in de beginjaren had men dan ook dikwijls met misoogsten te kampen. Niettegenstaande de moeilijke beginperiode echter, slaagden de meeste hugenotenvluchtelingen er met hard werken in, zich een bestaan te verzekeren, met het gevolg dat nu na 300 jaar zonder meer gezegd kan worden, dat ze een belangrijke bijdrage geleverd hebben tot de landbouw en in het bijzonder de wijnbouw van Zuid-Afrika.
Hoewel zij oorspronkelijk niet meer dan eenzesde deel van de blanke bevolking van de Kaap uitmaakten, kunnen zij zich beroemen op een rijk erfgoed, interessant is, dat de hugenoten zich dermate snel wisten te acclimatiseren, dat zij reeds binnen een enkele generatie na hun aankomst het Frans als voertaal vrijwel losgelaten hadden. Maar dat neemt niet weg, dat hun bijdrage tot de Zuidafrikaanse samenleving nog vanaf de beginjaren gevolgd kan worden, getuige de namen die zij aan hun landerijen en wijnboerderijen gaven en die vooral in het min of meer tussen paarl en Stellenbosch gelegen gebied, nu algemeen bekend als Franshoek, nog overal te vinden zijn, namens zoals Bien donné, Normandie, Laborie, La Motte, la Provence en vele anderen. En de telefoonboeken door geheel Zuid-Afrika, met namen zoals du Toit, du Plessis, Marais, Fouché, Fourie, Malan, Joubert, de Villiers, Cilliers, enz. spreken een duidelijke taak.
Afstammelingen van de oorspronkelijke hugenoten zijn dan ook onder vele prominente figuren in de Zuidafrikaanse samenleving – op de meest uiteenlopende gebieden – te vinden, zij het op politiek, medisch, maatschappelijk of artistiek gebied.'
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's