Het tijdgeloof
Jezus leert ons in de gelijkenis van de zaaier diep schokkende dingen. Onvergelijkelijk weet Hij de pit van het mensenhart te treffen. Wij zullen niet op elk onderdeel ingaan. Maar om op een enkel punt te wijzen: een bepaald deel van het zaad, door de hemelse Zaaier gestrooid, viel op steenachtige plaatsen, waar het niet veel aarde had. Terstond ging het op, omdat het geen diepte van aarde had. Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden, en omdat het geen wortel had, is het verdord. Het kan gebeuren dat de akker tegen een berghelling ligt, wat in een bergland als Palestina vaak voorkomt. Hier en daar is de rotsbodem slechts met een dun laagje teelaarde bedekt. Het zaad, dat daarin valt en ontkiemt, groeit snel op. Omdat de wortel spoedig op de rotsgrond staat en geen diepte van aarde heeft, schiet de stengel des te sneller omhoog. De plant heeft echter geen kracht en als straks de zon heet gaan schijnen, is zij dadelijk verdord.
De Heere Jezus heeft Zelf de bedoeling van deze beeldspraak aangegeven. Er zijn mensen, bij wie de prediking geen vrucht draagt. Dat staat in verband met de gesteldheid van het hart. Jezus spreekt van mensen, die het woord horen en niet verstaan, niet met belangstelling in zich opnemen. Het Woord valt op de harde grond van een onverschillig hart, dat vol is van andere dingen. Het stuit er op af. Het wordt terstond vergeten. Het is voor de Boze een kleinigheid het weg te nemen. Maar Jezus spreekt óók van mensen die het Woord wel in zich opnemen, zelfs met blijdschap. Zij zijn opgetogen over de heerlijkheid van het Evangelie. Maar de diepgang ontbreekt. Net zo zijn lichtbewogen gemoederen. Zij hebben geen wortel in zichzelf en het Woord moet in het diepst van 's mensens bestaan indringen en het daar vernieuwen. Doch dan is daar eerst geen blijdschap, maar droefenis. Zij zijn voor een tijd, dat wil zeggen, het zijn mensen van het ogenblik, oppervlakkigen. Als zij ter wille van het Woord schade of druk moeten lijden, stoten zij zich daaraan en komen tot zonde, zij vallen af. Jezus tekent ons hier het beeld van de mensen wier bereidvaardigheid om te geloven zich uit oppervlakkigheid en onnadenkendheid verklaart. Juist omdat het Evangelie een 'Blijde boodschap' is, nemen zij het met vreugde aan. Het kost hun moeite noch strijd om te geloven. Ongegrond is de blijdschap van deze mensen niet. Blijder woord toch dan het Evangelie is nooit tot de mens gesproken. Het kondigt ons de vervulling van al onze menselijke behoeften aan. Het verminkt ons niet, het ontmenselijkt ons niet, maar brengt ons ongeschonden, zonder iets menselijks aan ons geweld aan te doen, in de zaligheid.
Het zou evenwel een andere zaak zijn, wanneer dezulken eens bedachten, dat ieder die het Evangelie belijdt, er zich de vijandschap van de wereld door op de hals haalt. De blijdschap zou dan plotseling in ergernis gaan veranderen. Wij moeten immers bedenken, dat het Evangelie niet van de wereld is, maar tegen de wereld. Veel mag er in zijn, dat de natuurlijke mens aantrekt, meer nog is er in dat hem afstoot. Daarom haat de wereld de belijder. Hierop had de tijdgelovige niet gerekend. Het schijnt hem daarom toe, dat het Evangelie niet waarachtig is. Het kondigde een koninkrijk aan, eer en inacht, rust en vrede, zaligheid en heerlijkheid. Maar nu het in plaats van dat alles verdrukking en vervolging over zijn belijders brengt, meent hij, kan het niet waarachtig zijn. Daarom laat onze tijdgelovige, zo gauw de verdrukking om de wille van het Woord, hem ontnuchtert, het geloof los. De hitte deed de wonderboom verdorren. Het gaat hier niet om de oprechte, maar zwakke gelovige, die evenals Petrus uit vrees met de mond een geloof verloochent, dat hij met zijn hart vasthoudt. Het is nu de afvallige juist hier daarentegen, wiens beeld de gelijkenis tekent. Kenmerkend is het dan ook dat hij 'terstond' wordt geërgerd. Onze gelovige voor een tijd houdt op te geloven, daar moet men op letten. Het prijsgeven van de verwachtingen, die tevoren zijn binnenste in verrukking brachten, kost hem zelfs geen traan. Zo volledig breekt hij met zijn gelovig verleden.
Het is om die reden, dat Jezus, toen het aantal van zijn discipelen toenam en de mensen zich achter Hem als het ware verdrongen, begon te prediken dat niemand Zijn discipel kon zijn, die weigerachtig was om het kruis achter Hem aan te dragen. Deze handelswijze van de Heere Jezus mag ons een voorbeeld zijn, vooral in de dagen van een opwekking, wanneer de geest van de opwekking de mensen aangrijpt. Het mag tevens een manier van doen zijn in gemeenten waar de goede gewoonte van het kerkgaan nog alom heerst en wel zodanig; dat de vrees bovenkomt: is het niet veeleer sleur dan wel behoefte? Zie, dan is het gepast om van de man te spreken, die een toren ging bouwen, maar zijn bouw niet voleindigen kon. Het komt er voor de prediker op aan, op te wekken tot het overrekenen der kosten, vóór men als belijder optreedt. Het is toch een waarheid, de afvallige brengt evengoed smaadheid over Christus als over zichzelf. Trouwens, men ziet nergens in de Schrift een voorbeeld van de bekering van een afvallige. Geldt hier misschien het Woord: het is onmogelijk degenen, die eens verlicht zijn geweest en afvallig werden, wederom te vernieuwen tot bekering? Wie zal het zeggen? Reeds de mogelijkheid echter er van is voldoende om ons bij de gedachte aan afval te doen beven.
Wij zien heden ten dage alom, dat soortgelijk geloof ook in onze dagen voorkomen kan. Meer dan een vorige generatie weet de huidige, dat de discipel door vele verdruk kingen moet ingaan in het Koninkrijk. Het schijnt onmogelijk dat iemand geloven kan zonder met de wet van deze dingen te rekenen.
Desalniettemin gebeurt het toch. Er kan bij de mens een zekere onderschatting van het lijden en een zekere overschatting van zijn kracht zijn, waaruit zich verklaart dat hij in het gezicht van het kruis gelooft. Zelfs kan in geval van het feit, dat de verdrukking uitblijft en een enigzins aangenaam leven standhoudt, zulk een tijdgeloof nog wel lang blijven. Wat evenwel niet blijft, dat is de vreugde. Aan wat eens het hart in verrukking bracht, raakt men gaandeweg gewoon. Nooit gaat er voortdurende kracht van het tijdelijke geloof uit. 't Is een strovuur, licht uitgebrand. Is het gewekt door menselijke welsprekendheid, dan verliest het zijn kracht als de prediker vertrekt. Was het de nieuwheid van het Evangelie, die bekoorde, het verliest elke aantrekkingskracht als het een gemeenplaats gelijk is geworden. Volgde men het Evangelie omdat het gehele dorp dat deed en het overgrote deel der gemeente kerks was, nu het dorp een stad geworden is, komt openbaar hoe weinig diep de wortels waren.
Tenslotte – wáár vooral vindt u hen, die alleen maar voor een tijd geloven? Men zoeke hen vooral onder hen, die de waarde van het Evangelie niet voldoende kennen, omdat zij niet weten hoe groot hun ellende is. Het komt er daarom op aan, te staan naar een grondig besef van onze ellende. Wie immers gevoelt dat de heerlijkheid van God niet langer op hem rust, maar dat hij een slaaf van de dood is en van de zonde – ja, wie gevoelt dat hij onder Gods toorn ligt, wil tot elke prijs verlost worden. Dat nu wordt bij de tijdgelovigen gemist.
A. v. Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's