Geloof zonder vrucht
De gelijkenis van de zaaier biedt ons een aantal indringende lessen. Er kan een geloof bij de mens gevonden worden, dat zonder vrucht blijft, omdat het in een gedeeld hart woont. De doornen, onder welke het zaad verstikt werd, zodat het geen vrucht kon voortbrengen, zijn van drievoudige aard. De eerste bestaan in de zorgvuldigheden van dit leven. Met deze uitdrukking wordt bedoeld de onvermijdelijke en nodeloze, de passende en ongelovige zorgen. Wanneer u nu zorgvuldigheid opvat als zorgdragen voor de welstand van het huis, dan is dat beslist een deugd. Ze doet ons enigszins gelijken op Hem, Wiens ogen de ganse wereld doorlopen om in de nood van alle schepselen te voorzien. Er is een behoorlijke voorzorg geboden in dit leven. Wij hebben te letten op ons geld en goed, op ons eten en drinken – maar hoe licht gaat die behoorlijke voorzorg over in angstvallige bezorgdheid!
Hoezeer dit leven ook aandacht en zorg vereist, wanneer het alles opeist, verstikt het het Woord. Heel het hart wordt door het andere in beslag genomen. Bij de zorg om te verkrijgen komt de zorg om te behouden, op zijn tijd elk het zijne te geven en daarenboven nog wat op zij te leggen voor de oude dag. Het optreden van een willekeurige concurrent drijft ons aan tot een ademloze wedloop. Reeds de enkele mogelijkheid, dat ons iets bezwarends overkomen zal, jaagt ons angst aan en het gewicht van een veer kan ons soms loodzwaar drukken.
In een hart, dat zo door zorg wordt gedrukt kan het Woord geen vrucht voortbrengen. Het mag dan als waar erkend worden en een onuitwisbare indruk nalaten, het blijft daar ook bij. Tot een besliste keuze komen doet het niet. De hier bedoelde mens is te zwaar beladen dan dat hij deel zou kunnen nemen aan het strijdperk van het christelijke leven. Er blijft hem zelfs geen tijd over om grondig in te keren in zichzelf. Zijn levensschip wordt door een snelle stroom steeds verder van God weggesleept!
Een tweede soort van doornen bestaat in de zorgvuldigheden van de rijkdom. Het behoeft ons echt niet te verwonderen, dat Jezus en Zijn apostelen evenzo, zo ernstig hebben gewaarschuwd tegen het najagen van aardse schatten. Jezus zag een gevaar in het rijk zijn alleen al, hoewel de Heere niemand verbood om rijk te zijn. Maar wanneer er dan naar 's Heeren oordeel dan al gevaar wegschool in het rijk zijn op zichzelf, hoeveel te meer nu in de zucht om rijk te worden en de verkregen schat steeds te vermeerderen. Er schuilt in het geld en het goed een geheimzinnige macht om de harten van de mensen te veroveren. Dat geschiedt, wanneer het bedrog van de rijkdom de mens gevangen houdt. Van de rijkdom gaat een bedwelmende invloed uit. Hij houdt de mens gevangen in een waan, dat namelijk in de rijkdom het leven en het geluk ligt. Wie zich aan deze waan overgeeft, wordt haar slaaf. Hemel en aarde liggen in tegengestelde richting: hoe zal men dan beide goederen tegelijk najagen? Het is beslist waar, de zucht om aardse schatten te vergaderen is met een soort van geloof verenigbaar. Maar een levend, zijn vrucht voortbrengend geloof, kan met vele zwakheden en gebreken samengaan, met de dienst van het goud beslist niet.
Als derde soort van doornen noemt Jezus de wellusten des levens of, zoals het bij een andere evangelist luidt, de begeerlijkheden omtrent andere dingen. Hier opent zich een breed terrein. Omdat God de mens zo gelukkig mogelijk wilde maken, heeft God hem vatbaar gemaakt voor allerlei genietingen. In de eerste plaats voor genietingen van zintuigelijke aard. Door middel van onze zintuigen kunnen wij van het geschapene genieten. Door het oog komt de wereld van de schoonheid tot ons. Door het oor vangen wij de welluidende klanken op. Zelfs de lagere zinnen doen ons van de dingen om ons heen genieten. De Heere onze God heeft op dit punt voor grote schakering gezorgd. Er is een rijke afwisseling van genieten mogelijk. Niet op één manier, maar op veelsoortige wijze strelen de schepselen onze zinnen. Ook heeft God niet alleen ons lager maar ook ons hoger leven genietingen bereid. Er is vreugde in de gezellige omgang, er is de wederzijdse liefde. Dat ook na de val, ondanks de diepe boosheid in de wereld, nog zoveel aan de mens gelaten is wat hem verkwikt, wijst erop hoeveel rijker de bronnen van ons geluk zouden springen, wanneer de zonde geen openbaring van Gods toorn had nodig gemaakt!
Nu is het een opmerkelijk verschijnsel, dat er over deze het zaad verstikkende doornen, veelvuldig in de prediking gezwegen wordt. Het mag wel eens worden gezegd, dat er zelden voldoende nadruk op wordt gelegd. Het is niettemin waar, dat vanwege onze verwereldlijking alle aardse genietingen tot verzoekingen worden. Wij kunnen toegeeflijk worden aan onze begeerten. Ze nemen een hartstochtelijk karakter aan en worden machten over ons, waaraan wij ons niet kunnen ontworstelen. Ook kunnen wij onze begeerten in de macht houden, zo dat zij in alles binnen de maat blijven, maar toch al ons begeren beperken tot de dingen van de aarde. Hier gaat alle smaak in het geestelijke en eeuwige weg. Wij zoeken onze zaligheid in de wereld en begeren God alleen maar als een beschermer van ons geluk. Daar is het goede zaad verstikt.
Daarom is het goed de accenten goed te leggen. Men denkt veel na over het tijdgeloof. Maar wij hebben toch meer en meer de indruk, dat het aantal van de mensen met het gedeelde hart veel groter is. Ze kunnen zichzelf zo gemakkelijk wijs maken, dat ze onder de gelovigen behoren. Ze vallen toch in het openbaar niet af. Wanneer men maar maat houdt, dan kan de wereldse zin wel een heel leven lang onder het kleed van rechtzinnigheid en kerkelijkheid bedekt blijven. Een afgod kan zeer lang verborgen blijven. Wat heeft het lang geduurd voordat openbaar kwam, dat Judas een gedeeld hart had! Houd daarmee rekening. Wanneer soms in een gemeente de vrucht op de prediking uitblijft, doet men er goed aan te vragen of er soms doornen zijn die het Woord verstikken. Op dat punt is de zorgvuldigheid van een Martha even kwaad voor de vrucht uit het Woord als de wellust van een Herodes. Geoorloofde dingen kunnen evenzeer schade doen als de verboden zaken, waarmee de begeerte er naar gaat heersen over onze wil. Wij zullen de Heere alleen vinden, als wij Hem zoeken gaan met ons ganse hart!
A. v. Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's