De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Breken met Israël? (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Breken met Israël? (2)

10 minuten leestijd

door drs. ing. P. C. Kardol

Gesprek met Israël
Zo is er na de Tweede Wereldoorlog een veelzijdig gesprek met Israël op gang gekomen. Dit gesprek is mede sterk bevorderd door de stichting van de staat Israël in 1948. Deze staat, gevestigd in het door God beloofde bijbelse land, is een openbaar teken van Israël's georganiseerd volksbestaan. Dit in tegenstelling tot de rechteloosheid en de onzekerheid waarin het bondsvolk bijna 2000 jaar heeft geleefd.

Joods bijbelonderzoek
De nieuwe belangstelling voor Israël dankt haar ontstaan mede aan het werk van de in Oostenrijk geboren joodse wijsgeer en bijbelkenner Martin Buber (1878-1965). In 1925 begint hij in Duitsland, samen met Franz Rosenzweig, met de vertaling van de Hebreeuwse bijbel in het Duits. In 1938 wordt Buber hoogleraar aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem, die daar in 1925 is gesticht. Later zijn daar ook de joodse bijbelgeleerden David Plusser en S. Safrai werkzaam. Zij bestuderen in het bijzonder de joodse oorsprong van het christendom. Deze zien zij vooral beschreven in de eerste drie evangeliën van het Nieuwe Testament, de zgn. synoptici. Zowel uit het taalgebruik als uit de inhoud aan joodse geestelijke waarden zou dit blijken. Ook de joodse bijbelkenner Pinchas Lapide heeft over dit onderwerp geschreven.
Voor Buber zijn jodendom en christendom twee wijzen van geloven. Ondanks de nautve betrekking waarin zij tot elkaar staan, zijn zij elkaar in diepste wezen vreemd. Dit zal zo blijven tot de komst van het Koninkrijk Gods. Wèl noemt Buber Jezus zijn grote Broeder. Met Hem èn met wie Hem volgen wil hij in gesprek blijven. Waar het geloof hun harten vernieuwt hebben joden en christenen elkaar veel te bieden.

De Zending onder Israël niet hervat
In de nieuwe situatie waarin de kerken zich na 'Auschwitz' gesteld weten is door kerkelijke organen aansluiting gezocht bij Buber's gedachte van twee wijzen van geloven. Zo is er in de kerken ten opzichte van Israël een twee-sporen-beleid ontwikkeld. In overeenstemming hiermee kan er, zowel wat de Nederlandse Hervormde Kerk als de Gereformeerde Kerken betreft, niet meer worden gesproken van zending onder de joden. Na 1945 wordt, in het kader van het getuigen van christenen in de wereld, het gesprek met Israël gezocht en onderhouden. Deze gesprekken voltrekken zich o.a. in een overlegorgaan voor joden en christenen (OJEC).
In samenhang met deze christelijk-joodse dialoog is er thans ook in het kerkelijk theologisch hoger en wetenschappelijk onderwijs meer joodse inbreng. Deze beperkt zich niet, zoals voorheen aan de openbare universiteiten wel voorkwam, tot Hebreeuwse Taal- en Letterkunde en Israëlitische Oudheden. Nu wordt ook onderwijs gegeven in de Theologie van het Oude en Nieuwe Testament, vanuit joods gezichtsveld door joodse geleerden.

Jezus Israël's grote profeet
Bij dit onderzoek wordt, op grond van het werk van de hier genoemde joodse publicisten, de gedachte naar voren gebracht, dat Jezus niet als de Messias is gekomen. Immers hij kwam op een bepaald ogenblik binnen de geschiedenis. De Messias wordt door Israël echter verwacht aan het einde van de geschiedenis. Dan komt hij om Israël èn de wereld te verlossen. Wel mag Jezus genoemd worden de grootste onder Israël's profeten. Daaronder waren er, die als Knechten van God Messiaans lijden op zich namen. Volgens Buber was ook Jezus zulk een Knecht Gods. Hij is één der knechtsfiguren waarvan het profetenboek Jesaja spreekt. In nederigheid en verachting, dragen zij de lasten van de wereld. De Knecht des Heeren wordt in Jesaja getekend als een puntige pijl, verborgen in de pijlkoker van God (Jes. 49 : 2). Zijn zending treft doel op Gods tijd. Maar Jezus, die ook in Knechtsgestalte over de aarde gaat, doorbreekt, volgens Buber, die verborgenheid. En op het ogenblik, dat hij tegenover Petrus toestemt, dat hij de Christus is, doet hij daarmee zijn Messianiteit te niet. Dit noemte Buber een ontsporing.
Echter de werkelijke breuk met de joodse geloofswereld, ligt volgens hem bij Paulus. Diens theologie maakt van de lijdende Godsknecht Jezus de voor de mensen lijdende God. Vanaf die tijd gaan joden en christenen uit elkaar. Israël kan Jezus niet aanvaarden als de 'Christus, de Zoon van de levende God' (Matth. 16 : 16).
In deze gedachtengang wordt Jezus geheel bij Israël ingelijfd. Daarmee wordt de Christus van de Nieuw Testamentische verkondiging terzijde gesteld. Die staat buiten de joodse geloofswereld.

De Heere Jezus te aanvaarden als jood
Deze conclusie behoeft echter voor de christelijke gemeente niets af te doen van haar geloof en belijden aangaande Christus Jezus de Zoon van God, Die van de Vader is gezonden tot heil van de wereld.
Het is het Nieuwe Testament zelf dat, met gegevens ontleend aan het Oude Testament, de Heere Jezus tekent als Jood in universeel perpectief. Het noemt Hem, Die bij Zijn geboorte wordt aangekondigd als Zoon des Allerhoogsten, (Luc. 1 : 32), in de lijn van Zijn voorvader Abraham: 'de zoon van Adam, de zoon van God' (Luc. 3 : 32-38). Dit Lucas-evangelie zegt ons tevens, dat Jezus, die als wetsgetrouwe jood heeft geleefd, voor allen is gekomen: als 'een licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van uw volk Israël' (Luc. 2 : 34).
De evangeliën laten zien, dat de Heere Jezus, in overeenstemming met de aangaande Hem gedane beloften, juist in Israël tot Zijn bestemming komt: Daar leeft Hij, Die Zelf het Woord is, als jood in getrouwheid aan de geboden waarin het Woord Gods is vervat.

Evengelieverkondiging aan Israël
Als echter in de overlegorganen van joden en christenen dit heilswerk van Christus niet ter sprake kan komen en Hij daar niet kan worden gezien als Degene Wiens bloed ons reinigt van alle zonde, dan komt de evangelieverkondiging aan Israël in het gedrang. Maar als wij ons in Christus Jezus deelgenoten weten van het Nieuwe Verbond, waarnaar Hebreën verwijst, dan zullen wij daarbij acht geven op elkaar (Hebr. 10 : 24). Wij geven dan ook acht op Israël. Het blijft het volk van de verbonden Gods, waarvan de Heere zegt: 'Ik zal genadig zijn over hun ongerechtigheid en hun zonden zal Ik niet meer gedenken' (Hebr. 8 : 12 – zie Jer. 31 : 34).
Het is daarom nodig, dat onze aandacht thans is gericht op het welzijn van Israël. Zowel de staat als het volk kunnen wij in moeilijke tijden steunen. Ook de kerkelijke organen in ons land, kunnen hun invloed daarvoor aanwenden. Zij kunnen bevorderen, dat grote mogendheden en internationale organisaties voor het bestaan van de staat Israël gunstige voorwaarden scheppen. Eerst recht echter geven wij acht op Israël wanneer wij tot dit Godsvolk getuigen aangaande Jezus Christus en Die gekruisigd (I Kor. 2 : 2). Dit houdt in, dat overleg en samenspreken met Israël eerst zinvol kan zijn als daarbij ook voor dit getuigenis ruimte is.
Zo valt thans opnieuw de vraag naar een christelijke verkondiging, gericht op de bekering van Israël. De wijze waarop dit kan gebeuren zal worden bepaald door de positie, die het jodendom thans in de wereld en in ons land inneemt. De joden, die de Europese massamoord hebben overleefd, beschouwen zich veelal als een voorhoede van het synagogale Israël, of zij zijn – als velen in de kerken – geseculariseerd. Slechts dan zal de christelijke gemeente tot deze verkondiging in staat zijn, wanneer zij zelf – in handel en waar – kenbaar is als leesbare brief van Christus.
Daarbij valt te bedenken: Israël is de weg, die de Heere God is gegaan voor de zending van Zijn Zoon. Ook daarom blijft Hij getrouw aan het volk van Zijn Verbond. Zo is ook aan de apostel Paulus geopenbaard, dat het bondsvolk van zijn gedeeltelijke verharding zal worden bevrijd, als de volkeren der wereld de evangelieoproep van hun behoud in volheid hebben ontvangen (Rom. 11 : 25-27).
Als wij in gehoorzaamheid aan het Woord Gods mogen getuigen van het heil, dat ons in Jezus Christus is bereid, zal dit Woord doen hetgeen God behaagt en volbrengen, waartoe Hij het zendt (Jes. 55 : 11).

De heilsvoorzeggingen van het Oude Testament in het Nieuwe Testament vervuld
De schrijver van de Hebreënbrief sterkt, zo wij zagen, de gemeente met het voorbeeld van de grote gelovigen uit het Oude Testament. Zij vertrouwden op God en wezen heidense verzoeking af. Daarbij vergelijkt hij Israël's offercultus met het volmaakte offer van Christus Jezus. Dat is, éénmaal gebracht, voldoende voor onze heiliging tot in eeuwigheid.
Zo leert Hebreën zijn lezers, van toen en van nu, het Nieuw Testamentisch gebeuren met Jezus Christus te zien in het licht van de voorzeggingen in het Oude Testament.

Gods komen tot de wereld
Zo spreekt dit Oude Testament tot Israël èn tot ons van de messiaanse verwachting aangaande het komen van Heere God tot de wereld op het einde der tijden, in heerlijkheid en in oordeel. Messiaanse figuren worden in de Schrift onder verschillende namen ter sprake gebracht en op verschillende plaatsen genoemd, zoals: De komende Davidszoon (Ez. 34 : 2 l.v.), de Knecht des Heeren (Jes. 52 : 13) en de Zoon des Mensen (Dan. 7 : 13). Zij allen zijn bekleed met oordelende en reddende macht. Bij dit komen Gods worden werkelijkheid: doel en inhoud van het Verbond met Israël, 'Ik zal u tot een God zijn en gij zult Mij tot een volk zijn (Lev. 26 : 12).

De Parousie
Naar dit komen van God tot de wereld ziet niet alleen Israël, maar zien ook de christenen uit. Het Nieuwe Testament spreekt hier van Parousie, en denkt hierbij aan Jezus' terugkomst op aarde: De gemeente verwacht de komst van Christus Jezus, de Opgestane Heer, die bij Zijn hemelvaart is opgenomen tot de rechterhand van God. Daar pleit Hij, als Gods Zoon, voor ons bij de Vader (Rom. 8 : 34). En toen Jezus van hen werd opgenomen, is aan de leerlingen geopenbaard, dat Hij, Die van hen heenging, evenzo – op de wolken – zou wederkomen (Hand. 1 : 10-11). Een heenwijzing naar wat Jezus zelf heeft voorzegd, toen Zijn discipelen Hem vroegen naar Zijn toekomst en naar de voleinding der wereld (Matth. 24 : 3).
In tegenstelling tot Zijn eerste komst in de verborgenheid van de lijdende Knecht des Heeren, zal Hij dan komen, 'gelijk de bliksem uitgaat van het oosten en schijnt tot het westen' (Matth. 24 : 27). Hij zal dan van allen worden gezien wanneer Hij komt als de Mensenzoon, in hemelse onbeperkte macht: als Rechter der wereld, èn om Zijn uitverkorenen bijeen te vergaderen (Matth. 24 : 31).
Israël kan nog niet aanvaarden, dat zijn verwachting van de eindtijdelijke komst des Heeren, werkelijkheid zal worden bij de wederkomst van Jezus Christus. Het leeft bij het herdenken van het verzoenend offerhandelen in het verleden. Toen is bij de eerste vestiging in het land van de belofte, de tempel-offerdienst ingesteld. Bij de tweede inkomst, na de ballingschap is deze offercultus weer hersteld. En na de kruisdood en de opstanding van de Heere Jezus is de tempel verwoest en komt de offercultus tot een einde. En nu, bij Israël's derde vestiging in het land, in 1948, wordt een herstellen van deze offerdienst afhankelijk geacht van het handelen van de Messias, wanneer Hij komt.
Is hier de ruimte voor wat aan de apostel Paulus is geopenbaard over de toebrenging van Israël tot Christus aan het einde der tijden? Zullen er dan in de wereld ontwikkelingen zijn onder invloed waarvan de Heere Jezus door Israël zal worden herkend als de ware hogepriester, èn als de beloofde Messias?
Terwijl de Gemeente de komst des Heeren verwacht, mag – en moet – zij, in de genadetijd die God Israël èn de wereld nog geeft, spreken van de dingen die zij, aangaande Christus, heeft gehoord en gezien. Daartoe zal zij met Israël het Oude Testament lezen in het licht van de heilsvervulling in het Nieuwe Testament. Zij zal zoeken dit te doen in persoonlijke ontmoetingen en in gerichte publicaties.
Dit opdat mag gebeuren, waarvan de apostel Paulus spreekt, wanneer hij zegt dat de ontferming Gods die vanuit Israël in Christus Jezus ons deel werd, dan ook door het bondsvolk gevonden zal worden (Rom. 11 : 31).
Wij mogen dan de uitslag van zulk een gelovig getuigen vol vertrouwen uit Gods hand verwachten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Breken met Israël? (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's