De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Hij trok van dorp tot dorp steeds voort (10)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Hij trok van dorp tot dorp steeds voort (10)

Ds. IJ. Doornveld 1864-1925

12 minuten leestijd

Hoevelaken

Bij het sterfbed van zijn vader
Zondag 20 november 1921 preekt ds. Doornveld intrede bij de Hervormde Gemeente te Hoevelaken. De prediking is n.a.v. Johannes 1 vers 36: 'En ziende op Jezus, daar wandelende, zeide hij: Ziet, het Lam Gods!' De nieuwe leraar wordt toegesproken door de consulent, ds. I. Kievit van Lunteren.
In de morgendienst werd de predikant bevestigd door zijn hoogbejaarde vader (82), die dan emeritus-predikant in Nunspeet is. Naar men vertelt schijnt ds. Doornveld sr. tijdens deze dienst gezegd te hebben dat dit waarschijnlijk de laatste keer zou zijn dat hij zijn zoon als predikant in een gemeente bevestigde. En inderdaad bleek dit waar te zijn. Anderhalf jaar later wordt de dubbele band tussen vader en zoon verbroken door het overlijden van eerstgenoemde. Ds. IJ. Doornveld heeft nauwkeurig aantekening gehouden van het sterfbed van zijn vader en deze aantekeningen later in een 'In Memoriam' uitgewerkt. Dit 'In Memoriam' verscheen in 1923 eerst als artikel in het 'Gereformeerd Weekblad'. Later werd het als brochure uitgegeven. In de door ds. H. Doornveld bediende gemeenten komt dit boekje nog in menige boekenkast van oudere gemeenteleden voor. Vanwege de rijkdom van dit sterven laat ik een groot deel van dit 'In Memoriam' hieronder volgen.
Ds. IJ. Doornveld schrijft daar: '…Tachtig jaren oud, gevoelde hij den herderstaf te moeten neerleggen, doch als emerituspredikant te Nunspeet wonend, was hij niet een uitgediende krijgsknecht. Neen 't was daar, zoals door een der leeraars bij zijn groeve werd gezegd, een "otium cum dignitate", een eervolle rusttijd, dien hij ten nutte mocht maken door meermalen het Woord Gods op den kansel en in het sterfhuis te verkondigen, zoowel daar als in omliggende gemeenten. Welk een liefelijk avondrood vertoonde zich aan het einde van zijn levensdag op aarde, waar hij zich in de goedertierenheid zijns Gods gedurig mocht verlustigen en door de liefde van Christus zich bij ogenblikken als overstelpt gevoelde, het avondrood, dat wees naar de eeuwige morgen in het verschiet. Dat verschiet daagde spoediger dan men verwachtte. In 't laatst van Mei kreeg hij een lichte aanval van beroerte, waardoor zijn spraak een weinig belemmerd werd, dat was hem als een liefelijke wenk van zijn God en Vader: "De tijd uwer ontbinding is aanstaande!", zodat hij terstond met alle kalmte schikkingen begon te maken voor zijne aanstaande begrafenis. Langzamerhand werden zijn krachten minder, doch het geloofsoog mocht door 's Heeren onwankelbare trouw helder zijn als ooit. In 't laatst van Juli nam de slooping zijns lichaams haastig toe, zoodat de weleer zoo krachtige grijsaard tot de kleinste lichamelijke inspanning niet meer in staat was. Doch slechts een viertal dagen, de laatste zijns levens, moest hij, door benauwdheden en zwakte genoodzaakt, het bed houden. Hoe mocht hij echter op zijn legerstede de genade en trouw zijns Gods ondervinden, zoodat hij door 's Heeren Geest bezield, onder afwisselende benauwdheden, gedurig moest en mocht spreken van de goedertierenheden des Heeren.
Toen wij vrijdagavond tegen middernacht aan zijn bed stonden en vroegen: "Vader, hoe gaat het met u?" antwoordde hij: "Benauwd, maar de Heere is goed." Hij liet een weinig later daarop het psalmvers volgen:
'k Zal dan gedurig bij U zijn,
In al mijn nooden, angst en pijn;
U al mijn liefde waardig schatten,
Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.
Gij zult mij leiden door Uw raad,
O God, mijn Heil, mijn Toeverlaat,
En mij, hiertoe door U bereid,
Opnemen in Uw heerlijkheid!
Den volgenden morgen zeide hij tot mij: "Ik heb deze woorden van den Heere ontvangen: Mijnen vrede geef Ik u! Mijnen vrede laat Ik u!" Toen een weinig later de benauwdheden zich begonnen te verheffen, hoorden wij deze woorden: "Door den dood tot het leven!" Vóór het venster, waar hij lag, had men een schoon uitzicht. Doch zijn uitzicht was naar boven! Het zonlicht was hem zelfs niet tot genoegen. Op de vraag van moeder: "Hebt gij geen hinder van de zon?" zeide hij: "Ik heb er geen genot van, en ik heb er geen last van!"
Eensklaps sprak hij met heldere stem:
'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên!
Uw waarheid 't allen tijd vermelden door mijn reên!
Ik weet, hoe 't vast gebouw van Uwe gunstbewijzen
Naar Uw gemaakt bestek in eeuwigheid zal rijzen!
En toen, opziende naar den hemel en turend in de lucht, ging hij voort:
Zoo min de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken,
Zoo min zal Uwe trouw ooit wank'len of bezwijken!

Des Zondagsmorgens 5 Augustus, nadat hij overluid God den Heere om een Sabbatszegen had gesmeekt, bleef hij een uur stil en begon daarna te spreken. Toen zeide hij onder meer: "De Drieënige Verbonds God wil in Zijne groote werken verheerlijkt worden. Daartoe heeft God Zijnen Zoon gegeven, opdat Christus verheerlijkt worde. 't Ligt alles buiten den mensch. In mij is de dood, in Hem het Leven. Buiten Christus is eeuwig zielsverderf. Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon reinigt ons van alle zonden. En dat ook alleen. Het heeft den Vader behaagd, dat in Hem al de volheid wonen zou. En uit Zijne volheid hebben wij ontvangen genade voor ganade, genade betaald met genade."
Enkele ogenblikken later vernamen wij de woorden:
"Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed"
En vervolgens:
"O! dat God zulk een barmhartigheid aan mij heeft bewezen, en Zijnen Zoon heeft gegeven, die overgeleverd is om onze zonden. Wat zal ik den Heere vergelden voor al Zijne goedertierenheid en trouw, aan zulk een zondaar bewezen". Daarop liet hij volgen:
In God is al mijn heil en eer,
Mijn sterke rots en tegenweer!
God is mijn toevlucht in het lijden.
Vertrouw op Hem, o volk in smart;
Stort voor Hem uit uw gansche hart!
God is een toevlucht t' allen tijden.
Dan weder zeide hij: "De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood". En nadat hij had liggen roemen in zijn God, die hem in Christus Jezus alles had geschonken door de genadewerking des Heiligen Geestes, zei hij: "Daar ligt nu een zondig, goddeloos, verdoemelijk zondaar. In Christus is alles. In Hem zijn al de schatten des rijkdoms der kennis en der genade." Na een vernieuwden aanval van benauwdheid klonk het van zijne lippen:
Zoo ik niet had geloofd, dat in dit leven
Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou.
Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven?
Ik was vergaan in al mijn smart en rouw!
Wacht op den Heer', godvruchte schaar, houd moed;
Hij is getrouw, de bron van alle goed;
Zoo daal' Zijn kracht op u in zwakheid neêr.
Wacht dan, ja wacht, verlaat u op den Heer!
'Wat is het wonder,' zeide hij, 'vroeger kwamen mij zoovele kwade zaken voor de aandacht, en nu maar steeds goede zaken, o zoovele goede zaken'. En als hij gebeden had: 'O God, wees mij zondaar genadig', zeide hij: 'Dat is een kort en gewichtvol woord'. Wat verlustigde hij zich in den Heere God en Zijne eeuwige eigenschappen: 'Zijne wijsheid is eeuwig! Zijne rechtvaardigheid is eeuwig! Zijne goedertierenheid is eeuwig! Zijne trouw is eeuwig!' zoo sprak hij. O die getrouwheid zijns Gods, wat was hem die een sterkte! Daarvan sprak hij gedurig, als hij maar even daartoe in staat werd gesteld. 'Ik de Heere word niet veranderd', zoo klonk het uit mond en hart, 'daarom zijt gij kinderen Gods niet verteerd. Zij zouden allen verteerd worden, indien de Heere veranderde, maar nu ook niet één van hen'. Met welk een vastheid sprak hij de versregelen:
't Is trouw, al wat Hij ooit beval;
Het staat op recht en waarheid pal,
Als op opwrikb 're steunpilaren.
Hij is het, die verlossing zond
Aan al Zijn volk. Hij zal 't Verbond
Met hen in eeuwigheid bewaren.
Ouderling Bredeweg kwam hem nog even de hand drukken. Bij die gelegenheid zeide hij: 'De Heere zal 't voor mij voleinden! De Heere is mij tot hulp en sterkte!'
En als onze schoonzuster hem nog even kwam zien, drukte hij haar hartelijk de hand en sprak: 'Bij den Heere zijn vele goedertierenheden en barmhartigheden, en bij Hem is veel verlossing'.
Als wij bij hem kwamen en zeiden: 'Vader, wat zijt gij benauwd!' zeide hij: 'De Heere is, goed, o zoo goed'. In de laatste nacht zijns levens zeide hij: 'Het einde is nabij'.
Des morgens van zijn sterfdag 6 augustus vroegen wij, hoe het met hem was, en hij zeide: 'Ik ben benauwd. Ja dit is weer een dag en ik denk dat ik den doodstrijd inga.' En daarop, waar hij de benauwdheid voelde aankomen, greep hij het beddekoord en sprak nog met krachtige stem: 'Ik steun op God mijn Toeverlaat', waarop hij liet volgen: 'En mij hiertoe door U bereid, opnemen in Uw heerlijkheid!' Hoe liefelijk klonk het een wijle later, als hij iets verademing kreeg: 'Loof den Heere mijne ziel en vergeet geene van Zijne weldaden! Die al uwe ongerechtigheid vergeeft! Die al uwe krankheden geneest! Die uw leven verlost van het verderf! Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden!' Eens dat hij na een benauwdheid een kort slaapje had gedaan, zeide hij: 'Wonder boven wonder, dat de Heere mij nog dien slaap gaf'.
En toen nicht zeide, dat de Heere ook die kleinigheden beschikte, gaf hij ten antwoord: 'Er zijn geen kleinigheden bij God'. Wat mocht hij, zoolang hij nog maar even lucht kon krijgen, roemen op dat leger der krankheid in de goedertierenheid des Heeren. Eens toen de geneesheer hem wat verlegd had, waardoor hij verlichting kreeg, zeide moeder: 'Dat is toch wel eene verlichting!' Op dat woord richtte hij zich tot den geneesheer en zeide: 'O dokter, de Heere is zoo duizendwerf goed!'
In de tusschenpoozen der laatste benauwdheid zeide moeder: 'De strijd zal spoedig gestreden zijn', waarop hij na een oogenblik antwoordde: 'De Apostel zegt er nog een woord bij: 'Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden. Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke de Heere, de rechtvaardige Rechter mij in dien dag geven zal, en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijne verschijning hebben liefgehad'.
'Daarover,' zoo liet hij na een poosje volgen, 'heb ik nog in Kerkwijk gepreekt'. 't Was ruim 20 jaar geleden! Toen de benauwdheden weer begonnen op te komen, zeide hij: 'Bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, zoo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid'. En in de tusschenpoozen der benauwdheid sprak hij:
'Ik werd benauwd van alle zijden,
En riep den Heer' ootmoedig aan,
De Heer' verhoorde mij in 't lijden,
En deed rriij in de ruimte gaan.
De Heer' is bij mij, 'k zal niet vreezen,
De Heer' zal mij getrouw behoên.,
Daar God mijn schild en hulp wil wezen,
Wat zal een nietig mensch mij doen!'
'Wat was dat toch een wonder,' zeide hij na een hevige benauwdheid: 'soms was het of de Heere ver weg was, o zoo ver, en dan weer was de Heere zoo nabij, o zoo dichtbij'.
Wat verlangde hij naar de ure der ontbinding! Met een glimlach op het gelaat mij aanstarend, zeide hij: 'IJme, in zulke omstandigheden heb je me nog nooit ontmoet'. Ik antwoordde: 'Neen, vader, ik zie hier wat de mensch is, en wat Gods genade vermag'. 'Ja,' vernam hij: 't Is Christus alleen'.
'Verlangt gij naar het einde, vader?' vroeg ik. 'O ja', zeide hij oogenblikkelijk, met oogen die van blijdschap schitteren! En dat verlangen drukt hij uit in het spreken van de versregelen: "t Hijgend hert, der jacht ontkomen,
Schreeuwt niet sterker naar 't genot
Van de frissche waterstromen
Dan mijn ziel verlangt naar God.
Ja, mijn ziel dorst naar den Heer'!
God des levens, ach, wanneer
Zal ik naad'ren voor Uw oogen?
In Uw huis Uw Naam verhoogen?'
Als de benauwdheden weder kwamen, zeide hij: 'Ik werd benauwd van alle zijden. Ja Heere! Ik ben nog niet in de ruimte. Het zal op Uw tijd zijn. Mijn tijd is niet de rechte tijd, maar Uw tijd dat is de goede tijd'. Hoe mocht hij den zegen van de breking zijns lichaams gedenken, waar hij sprak: 'Wij weten, dat zoo ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen'. En. ook dit: 'Daar rusten de vermoeiden van kracht. Zij hooren de stem des drijvers niet'. De benauwdheden werden tegen 12 uur in den middag zeer hevig, zoodat hij in tusschenpoos zeide: 'Ik heb zulk eene benauwdheid nog niet ondervonden, ik denk dat het de doodstrijd is'. 'Ga nu daar maar zitten', zeide hij, wijzende op de canapé, die op eenigen afstand stond; 'gij hebt mij wel wat water kunnen geven voor mijn lichaam, maar dit is de doodsstrijd'. Toen het etenstijd was, kwam er weder even verademing, en hij wilde, dat wij gingen eten, 'want,' zeide hij, 'de tijdelijke dingen moeten doorgaan!'. Hoe rustig sprak hij de versregelen:
'Maar blij vooruitzicht, dat mij streelt;
Ik zal ontwaakt Uw lof ontvouwen,
U in gerechtigheid aanschouwen,
Verzadigd met Uw Goddelijk beeld!'
Onder het eten, toen nicht bij vader was, zeide hij:
'Weg, wereldsche schatten!
Gij kunt niet bevatten,
Hoe rijk ik wel ben.
'k Heb alles verloren
En Jezus verkoren.
Wiens eigen ik ben.'
Des middags kwamen de zware doodsbenauwdheden, waarin hij den adem schier niet halen kon, en voor zich uitstaarde, en naar boven tuurde, totdat na enkele uren de rust intrad. Zittende tegen de kussens, sliep hij in, om niet meer te ontwaken. Zachtkens, o zoo liefelijk zacht haalde de Heere Zijn kind thuis. Geloofd zij Zijn nooit genoeg geprezen Naam!

A. J. Nelis, Ouddorp

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 november 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Hij trok van dorp tot dorp steeds voort (10)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 november 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's