De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

7 minuten leestijd

N.a.v. 'Reformatie en Zending', drs. L. J. Joosse, 160 pag., uitgave Oosterbaan & Le Cointre B.V. ƒ 24,90.

De vraag
Van de hand van drs. L. J. Joosse, predikant van de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) te Groningen, verscheen dit najaar een interessante studie over de vraag of er in de tijd van de Reformatie al aandacht bestond voor het zendingswerk. Zo geformuleerd is deze vraagstelling al opmerkelijk. Ze suggereert immers dat er toen nog wel niet zoveel belangstelling voor zendingswerk geweest zal zijn. Oorlogen en vervolgingen verschrikten de kerk in Europa. Het kostte toch al moeite genoeg om het eigen hoofd boven water te houden, laat staan dat men zich dan nog om het heil van een ander die ver weg woont zou kunnen bekommeren. Joosse komt nu tot de opmerkelijke conclusie dat de kerk in de begintijd van de reformatie, temidden van allerlei turbulente ontwikkelingen, wel degelijk oog heeft gehad voor haar zendingsroeping. En daar ook concreet gestalte aan heeft gegeven.

Bucer (1491-1551)
In een uitvoerige historische verhandeling over de Reformator Martin Bucer, toont Joosse aan dat er in Bucers ambtsopvatting duidelijk elementen van een sterk zendingsbesef aanwezig zijn. Bekend is de uitspraak van Bucer dat men 'ook hen moet zoeken en tot Christus brengen die vervreemd zijn van Christus als Heere, zoals de Joden, Turken en andere heidenen. Ja, wanneer ze (de overheden) het rijk van Christus zo beminnen zouden en zouden begeren te verbreiden, als ze hun eigen heerschappij beminden en deze zochten te vergroten, dan zullen ze ook Christus' rijk begeren te verbreiden. Nu echter zien we helaas, dat men wel der Joden, Turken en andere heidenen land en goed wil winnen, maar hun zielen ook voor Christus winnen blijft vrijwel achterwege; niet alleen de vorsten maken daar te weinig ernst mee, maar ook degenen die men geestelijke overheden noemt.'
Onder wiens verantwoordelijkheid valt het zendingswerk dan? Overheid of Kerk? Bucer ziet beide staan in de dienst van Gods Koninkrijk. Maar de opdracht tot het zendingswerk is gegeven aan de dienaren van de kerk en in hen aan de gehele gemeente. Het herders-ambt is aan de gemeente gegeven om alle uitverkorenen te roepen tot het rijk van Christus. Bucers verkiezingsleer zet geen rem op de zendingsroeping van de kerk, maar bepaalt juist de oorsprong en het doel ervan.
Zo wordt zijns inziens het volk dat zich het Woord van Christus heeft toegeëigend een voortdurend zaad en zo bewijst de Kerk haar eigen voortplanting in heel de wereld. Ook de overheid ziet Bucer aan deze opdracht dienstbaar, omdat hij een gelijke gezindheid veronderstelt bij de dienaren van kerk en overheid. Al in zijn dagen wordt gewerkt aan de uitgave van een Koran-vertaling. Bucers belangstelling daarvoor hangt samen met het zoeken naar de juiste methode voor de arbeid tot verbreiding van het christelijke geloof, nl. door kracht van overtuiging en niet door de macht van het geweld.
Bucer, die Straatsburg moest veriaten en zich vestigde in Engeland, heeft ongetwijfeld invloed gehad op de in Londen verblijvende Nederlandse vluchtelingengemeente.

Walaeus (1573-1639)
In zijn geschriften geeft de Walcherse predikant Walaeus er blijk van vertrouwd te zijn geraakt met het denken van Bucer. Ook Walaeus ziet de overheid als instrument om de kerk als 'voedsterheer' te dienen en te helpen bij de verbreiding van het Evangelie. Dienaren zullen moeten worden aangesteld voor deze opdracht. Daar kunnen 'personen worden ghevonden/die Godt met groote kennisse in gheestelicke saken begaeft/die oock door het neerstich leesen der Schrifture den geest der Prophetic in goeder mate hebben ontfanghen …/ende Godts waerheydt te beter voortgheplant door gheheele Steden ende Landen.'
De blikrichting gaat kennelijk uit van de eigen omgeving en strekt zich wijder en verder uit, getuige de volgorde: steden en landen. Bij zijn ambtsaanvaarding als hoogleraar te Leiden in 1619, plaatst Walaeus het ambt van de herders in de brede benaming van 'zout der aarde en licht der wereld'. In een brief uit 1632 wordt hij met grote hoogachting door Heurnius aangesproken als 'Voetsterheer der Dienaren des Goddelicken Woorts die den Wijnbergh des Heeren in India bearbeyden…'.

17e eeuw
Al in de 16e eeuw werden van gereformeerde zijde pogingen tot overzeese zendingsarbeid ondernomen. Een Franse onderneming naar Brazilië mislukte door politieke verdragen tussen Spanje en Portugal. Ook de moord op Gaspard de Coligny veroorzaakte grote verwarring. De motieven die in de 17e eeuw in Holland en Zeeland geleid hebben tot het ontplooien van overzeese zendingsaktiviteiten, moeten volgens Joosse op hun eigen waarde beoordeeld worden en niet vanuit een 20e eeuwse afkeer van wat kolonialisme genoemd wordt. Politieke, economische en religieuze motieven lagen in elkaar verstrengeld. Men streefde ernaar om aan de Spaanse en Portugese overheersing een halt toe te roepen en daarmee tegelijk de roomse macht in te perken en vrijheid van religie te verkrijgen.
Naarmate de handelsbetrekkingen van de V.O.C. zich uitbreidden, volgde met name vanuit de classis Walcheren een scherpe controle op de uitvoering van de zendingstaak. Al in 1609 werden de eerste predikanten uitgezonden, Matthias van de Broecke en Zacharius Heynsius, bevestigd door de Middelbrugse predikant Herman Faukelius. Tevoren hadden ze op kosten van de V.O.C. een jaar gestudeerd, vermoedelijk onder leiding van Walaeus.
In hun instructie staat vermeld: 'Also bij gelegenheid van de Oost-Indische scheepvaert door bijsondere schickinge ende genade Gods in verscheyde plaetsen van Oost-Indië een groote deure geopend is, om het Evangelium onses Heeren Jesu Christie te predicken met merckelijcke hope, dat daerdoor vele der inwoonders tot de kennisse der enigen waren Gods ende sijns Soons Jesu Christi, ende als tot eeuwige salicheyt sullen werden gebracht.'
Overigens was vertaalarbeid van reformatorische geschriften in het Maleis reeds op gang gekomen en in 1600 waren er al geschriften in het Maleis beschikbaar. Op de tweede kerstdag van 1621 was te Batavia voor het eerst in het Maleis gepreekt en sindsdien deed men veel moeite om het evangelie in het Chinees, Javaans en Portugees te vertolken.

De les der historie
Uit het bovenstaande mag blijken hoe de jonge kerk van de Reformatie er oog voor gehad heeft gestalte te geven aan haar zendingsroeping.
We zijn drs. Joosse dankbaar voor de studie die hij ons heeft aangereikt over een periode uit de kerkgeschiedenis, waar (ook naar zijn mening) nog veel meer onderzoek naar verricht moet worden.
Tot slot geven we ter informatie en ter bezinning een drietal conclusies aan u door.
1. In tegenstelling tot de roomse zending, werd aan Aziaten geleerd de Bijbel te lezen. Daarom vertaalde men direct gedeelten uit het evangelie in de inheemse taal.
2. Men riep de overheid niet op om andersdenkenden te vuur en te zwaard tot Gods koninkrijk te brengen, maar men riep wel de bescherming van de overheid in om met haar schild veiligheid te verzekeren. Ontdekking van wat de Reformatoren dachten over de uitbreiding van Gods koninkrijk kan zicht geven op de eigen aard van reformatorische zending, tegenover de roomse zucht tot uitbreiding van haar invloedssfeer.
3. Een principiële onderscheiding tussen zending en evangelisatie valt vanuit het erfgoed van de reformatie niet te rechtvaardigen. De geschriften van Bucer leren ons dat hij zich niet alleen op de verre volken heeft gericht, maar ook dat hij de taak van de kerk dichtbij nog lang niet als voltooid beschouwde. Bucer laat de roeping tot evangelisatie en zending niet over aan een subjectieve innerlijke drang tot het vervullen van een zendingsroeping. In gemeenschap met het lichaam van Christus/de gemeente, zal de belofte van Christus aan de wereld gerealiseerd worden. Dat laatste onderstreept nog eens het belang en het goed recht van het kerkelijke geordend zendingswerk.
ds. D. Ph. C. Looijen, Woudenberg

N.a.v. Schipper Sjarnov – J. F. van der Poel, uitg. Kool, Veenendaal, 49 blz. ƒ 9,90. Bij aantallen korting.
Een ongelovige Russische staatsschipper en zijn gelovige vrouw verlaten elkaar. Na veel omzwervingen vindt de inmiddels tot inkeer gekomen schipper zijn stervende vrouw in een ziekenbarak van een strafgevangenkamp in Siberië.
Dit spannende verhaal zal door de kinderen van ± 8-12 jaar graag gelezen worden. Helaas gaat de taal voortdurend mank aan stijlfouten en nogal wat onlogische voorstellingen.
De strekking van het verhaal geeft te denken als de bekering niet meer is dan 'mijn ziel is gebroken en loopt over van schuld'. Als dan in het hele boekje de naam van de Zaligmaker niet wordt genoemd, bestaat het gevaar dat in de voorstelling van het lezende kind de verbroken ziel de plaats inneemt van het 'in Christus zijn'.
J. G., Pt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's