Belijden met de kerk der eeuwen
Na de begrafenis van ds. W. L. Tukker
Het was een ontroerend moment toen de dragers de kist met het lichaam van ds. W. L. Tukker hoog op de schouders namen en enkele minuten stil voor de kansel bleven staan. Het was in de kerk van de hervormde gemeente te Hoek van Holland waar Wouter Leendert Tukker negen en zeventig jaar geleden was gedoopt. Een kerk overigens, die niet direct een oude historische kerk is. Ds. Tukker, die bepaald een grote en centrale plaats heeft ingenomen in het kerkelijke leven, werd niet vanuit een grootse kerk ten grave gedragen. Hoezeer hij zelf ook een man van stijl was en iets deftigs over zich had, verwoordde hij toch menigmaal, dat hij zich het best thuis voelde bij de eenvoudigen. Het was een sober gebouw in een uithoek des lands, vanwaar hij werd uitgedragen. Maar velen waren gekomen om hem te begraven, in het familiegraf dicht bij de zee.In dit nummer van ons blad staat een in memoriam van ds. C. van de Bergh, voorzitter van de Gereformeerde Bond, terwijl ook de preek in de rouwdienst van dr. C. A. Tukker en het gedachteniswoord van ir. L. van der Waal, vanwege het hoofdebestuur van de Gereformeerde Bond gesproken in de dienst, zijn opgenomen.
In de advertentie van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond hebben we tot uitdrukking gebracht zijn liefde voor de kerk des Heeren en zijn gemeenschap met het klassieke belijden van de kerk der eeuwen. Aan dit geestelijk testament van ds. Tukker besteed ik in het hiervolgende nader aandacht. Want daarin heeft hij ons onnoemelijk veel nagelaten. Ik schrijf deze bijdrage in diepe waardering voor de wijze, waarop ds. Tukker voorzitter was van de Gereformeerde Bond, waarbinnen ik onder zijn leiding mocht functioneren.
Ruimte
Dominee Tukker had een nauwgezette levensstijl en dienovereenkomstig een nauwgezette ambtsopvating. Ir. L. van der Waal heeft dat, behalve in zijn gedachteniswoord in de kerk ook op treffende wijze verwoord voor de EO microfoon. Ds. Tukker was dominee van binnenuit, vanwege een 'hemelse roeping'. Het ambt had hij bovendien ontvangen in en van de kerk. Dat schatte hij hoog in. Dat verhinderde hem overal maar voor te gaan waar hij gevraagd werd. Hij preekte daarom nooit in evangelisaties, terwijl hij zich bepaald wel verbonden wist met diegenen, die in moeilijke situaties in hun gemeente de gereformeerde prediking zochten onder een afdak; als ze dan het zicht maar hielden op de kerk. Het mag opmerkelijk heten dat hij dominee in Zwolle mocht worden toen de evangelisatie Elim aldaar kerkelijk werd geïntegreerd en dat hij in Wassenaar bijstand verrichtte toen ook daar een kerkelijke oplossing gevonden was voor de evangelisatie. Maar hij kon hevig toornen als hij zag dat collegae, die soms maar net kwamen kijken (ik citeer wat hij vele malen zei) ambt en orde met voeten traden. Hij verkoos dan de Afgescheidenen, die weliswaar gebroken hadden met de kerk, die hem lief was, maar wel een ordelijk kerkelijk en ambtelijk leven leidden, boven diegenen, die de kerk, waarvan ze het ambt ontvingen, verachtten en eigen groepjes vormden in allerlei gemeenten. Met de Afgescheidenen had hij vooral gemeenschap vanwege het geestelijke leven, wat ook tot uitdrukking kwam in hun hoge opvatting van het ambt. De ambtsdrager is er in ere.
Maar het wordt tijd dat ik ook de ruimte verwoord, waarin ds. Tukker ademde en van waaruit hij sprak. Altijd, als hij in lezingen sprak over het belijden der kerk, haalde hij het diep op. Hij sprak over Abraham, de aartsvader die hem lief was, en over Lucas, de dokter in het Nieuwe Testament, met evenveel liefde als over Augustinus en Ambrosius, alsook over de vaderen van Dordt en van Genève of over de vaderen van de Nadere Reformatie.
Door de vaderen van de kerk der eeuwen naar voren te halen liet hij altijd merken dat de kerk veel breder is dan onze groep, dan onze kerk, dan ons land. De kerk is wereldwijd en wij zijn er maar een klein stukje van, gesplinterd als de kerk der eeuwen werd.
Vanuit dit besef heeft hij ook leiding gegeven aan de Gereformeerde Bond, waarvan hij tien jaar voorzitter was. Altijd maar weer hamerend op de kerk als geheel. 'Er zijn nog zo veel goede dingen in Juda' placht hij vanuit de Schrift te zeggen. En zo waardeerde hij het goede in de breedte van de kerk. Zo had hij ook hoop vanwege de Verbondstrouw des Heeren voor die delen van de kerk, die ver waren afgeweken van de gereformeerde religie. Ds. Tukker had de kerk lief ook in haar zonden en gebreken. Maar hij wist ook wat genade voor de kerk was. Vandaaruit had hij hoop voor de kerk. Zo was er ook een omwenteling gekomen in 'de Waard', waar zijn voorgeslacht vandaan kwam. Wel had hij er zorg om hoe delen van de kerk, die voor de gereformeerde religie weer open vielen, bearbeid werden. Zelf komend uit een confessioneel milieu was hij er niet gelukkig mee als de gezangen werden geaccepteerd. De psalmen waren de liederen van de kerk van het Oude Verbond en van het Nieuwe Verbond. Die behoorden zo tot de schat van de kerk der eeuwen. Daarin klopte het hart van de kerk. Hij had Christus ontdekt in Psalmen en de Heilige Geest in het Oude Testament.
Diepe krenking
Ds. Tukker is wat zijn liefde voor de kerk, de váderlandse kerk met name betreft, door diepe aanvechtingen heengegaan toen de vrouw tot de ambten werd toegelaten. Hij was tot in het diepst van zijn ziel gekrenkt. Het gerucht ging toen zelfs dat hij voor de Hervormde Kerk ging bedanken. Dat het niet gebeurd is typeert ds. Tukker. Hij had de kerk lief ondanks haar zonden, ondanks haar afwijkingen, ondanks beslissingen, die naar zijn diepste overtuiging de toets van Schrift en belijdenis niet konden doorstaan. Als hij met een delegatie van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond een bezoek bracht aan het moderamen van de synode dan ging hij op bezoek bij de 'kerkeraad van de kerk'; ook na de toelating van de vrouw in het ambt, hoewel hij de classicale vergaderingen niet meer bezocht. Zijn houding ten opzichte van de kerk bleef positief.
In De Waarheidsvriend van 26 juni 1958 staat een artikel van hem over 'De vrouw en de ambten'. Kennelijk was er na de besluitvorming om de vrouw tot het ambt toe te laten (met 27 tegen 24 stemmen) een bezoek gebracht aan het moderamen van de synode. Ik citeer:
'In het moderamen van de synode werd door ons ongeveer het volgende gezegd: "u had dit niet mogen voorstellen, op grond van Gods Woord. Wij willen de kerk niet verlaten. Wij willen geen modus vivendi. Als u dit echter door laat gaan zult u genoodzaakt zijn een modus vivendi te maken … Niet dan met pijn zouden wij een geïsoleerde plaats aanvaarden, als de synode al besluiten zou tot het vervaardigen van een modus vivendi, zoals zij al wel gedaan heeft voor middenorthodoxe minderheidsgroepen in Gereformeerde Bondsgemeenten. Maar hoe groot zou de pijn zijn als één en ander zou leiden tot uitdrijving uit de kerk. Het is toch niet dan uit liefde tot deze kerk, dat wij haar gemeenten hebben gediend naar ons beste weten, dat wij de kerk als geheel hebben gesteund vaak boven onze krachten, dat wij kerkgebouwen hebben gebouwd en dat wij met mild gegeven geld een schare van predikanten voor de kerk hebben opgeleid? En het is toch niet dan uit liefde tot deze kerk dat wij haar belijdenis zijn trouw gebleven?'
Volgorde
Het viel me intussen opnieuw op dat ds. Tukker hier en in andere bijdragen van zijn hand spreekt over kerk en belijdenis (in die volgorde) en niet over belijdenis en kerk. Een belijdenis kan er alleen zijn omdat er een kerk is, die belijdend spreekt, de eeuwen door. Wie de belijdenis voorop stelt moet zich bovendien telkens afscheiden wanneer de kerk eraan ontzinkt. Wie de kerk als 'kerk des Heeren' voorop stelt wordt bewaard voor sectarisme, weet zich geroepen de kerk ook telkens terug te roepen tot haar eigen oorsprong. In woord en geschrift bleek, dat de liefde van ds. Tukker voor de kerk der eeuwen de basis is geweest voor zijn liefde tot de vaderlandse kerk en haar belijdenis. Hij besefte dat de kerk van God was en dat de kerk der eeuwen elke keer gepoogd heeft belijdend te spreken in concrete situaties vanuit het Woord, dat haar was toevertrouwd. Daarom sprak hij gaarne over de belijdenis van Athanasius en die van Nicea, over de Heidelbergse Catechismus en die van Genève, over de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Westminster Confessie. Hij liet het breed hangen als hij over de belijdenis van de kerk der eeuwen kwam te spreken. Hij beleefde ook persoonlijk dat welk belijden dan ook nooit de volheid van de Schriften vertolkte. Als hij het over zijn eigen prediking had zei hij, dat er zoveel delen van de Schrift waren, waar hij 'nog nooit geweest was', waar anderen meer licht in hadden gekregen dan hij. Toen ooit een collega hem vlak voor diens sterven vertelde dat hij nooit zó de heerlijkheid van Christus had kunnen verkondigen als ds. Tukker had gedaan zei Tukker, dat hij nooit het stuk der ellende zo had kunnen uitdiepen als zijn ambtsbroeder. Hij zocht het goede bij de ander.
Moeder
Voor ds. Tukker was de kerk moeder, voluit moeder. Binnen haar was hij geboren. Binnen haar was hij wederomgeboren. Binnen haar had hij de ambten ontvangen. Daar had hij het water genomen om over de hoofden van kinderen te sprenkelen, zoals dr. C. A. Tukker ontroerend in de rouwdienst zei. Daar had hij de beker der dankzegging opgenomen en gezegd: 'drinktallen daaruit'. Vanwege het bloed der verzoening! Daar had hij het Woord mogen verkondigen, omdat hij door de kerk daartoe verwaardigd was. Als hij het over roeping van dienaren des Woords had zei hij altijd dat de bevestiging van die roeping gelegen was in het 'door de gemeente en mitsdien van God geroepen'.
Begenadigde
Ik sluit af met een persoonlijk woord. Ds. Tukker heeft op waardige wijze leiding gegeven aan de Gereformeerde Bond, ten dienste van de hele Hervormde Kerk. Menigeen heeft dezer dagen gezegd dat, na de profetische stem van ds. G. Boer, de priesterlijke en ook koninklijke stem van ds. W. L. Tukker klonk. Al deze bewoordingen blijven maar gebrekkig om iemands 'verdiensten' te schetsen. Want ook ds. Tukker leefde en preekte vanuit het drievoudig ambt van Christus. Maar feit is dat ds. Tukker ons diep besef van liefde voor de kerk naliet. Hij leerde ons de kerk der vaderen, in de bedding van de kerk der eeuwen, lief te hebben, zonder dat dat in mindering kwam op liefde voor hen, die heengingen in de Afscheiding. Hij wist zich in godsvrucht verbonden met allen, die leefden uit de religie van onze belijdenis. Kenmerkend daarvoor was het feit dat tijdens de rouwdienst ds. Sinclair van de Free Presbyterian Church in Schotland sprak, waarmee hij zich innig verbonden wist en die in de rouwdienst dan ook telkens sprak van zijn 'dear friend in Christ', en van een 'upright christian'.
Ik staar dominee Tukker na zoals ik hem ontmoette enkele dagen voor zijn heengaan. Toen de herkenning doorbrak waren er twee vingers. Eén vinger naar boven, die telkens geheven werd als het om het geestelijke en om zijn 'bediening' ging: genade. Eén vinger naar zijn borst: begenadigde.
Ds. Tukker ging heen als dienaar van de kerk, die wist van zonde en genade. In deze twee woorden trekt zich de hele verkondiging van de kerk samen, hoeveel boeken er ook over geschreven mogen zijn. Zo bewaren we hem ook in de herinnering vanuit al die jaren, dat hij aan de Gereformeerde Bond leiding gaf, niet als organisator maar als dominee.
v. d. G.
V. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1988
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1988
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's