De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

16 minuten leestijd

Dr. ir. S. Strijbos, Het technisch wereldbeeld. Een wijsgerig onderzoek van het systeemdenken. Buyten en Schipperheijn, Amsterdam; 1988; 281 blz.; ƒ 44,50.
De schrijver van dit boek, dat als dissertatie diende ter verkrijging van de doctorstitel aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, is in Delft opgeleid, heeft daar de liefde voor de wijsbegeerte opgelopen (prof. dr. ir. H. van Riessen is zijn hooggewaardeerde leermeester), heeft daarna bij Philips gewerkt, en vervolgens aan de V.U., eerst aan de faculteit der tandheelkunde, en daarna in de sectie Sociaal-Culturele Wijsbegeerte. Inhoudelijk staan de namen van Van Riessen en van de (nu overleden) prof. dr. G. A. Lindeboom in hoge mate voor de inhoud van dit boek model, samen met die van b.v. prof. dr. J. H. van Bemmel, prof. dr. E. Schuurman en prof. dr. S. Griffioen. Zo weten we dan een beetje uit welke hoek de wind waait: uit die van de Wijsbegeerte der Wetsidee, die ons zovele goede analyses heeft geschonken van het denken van anderen.
De schrijver gaat na in hoeverre pogingen die ondernomen zijn om het technisch wereldbeeld, met name in de medische wetenschap, te doorbreken, geslaagd zijn. Met het technisch wereldbeeld wordt dan het gesloten wereldbeeld van onze tijd aangeduid, waarin de zichtbare werkelijkheid op zichzelf en los van God als de Schepper ervan wordt beschouwd, zonder enig besef van de eenheid en samenhang van de bestaande dingen. De wereld is gefragmentariseerd, een gevangenis geworden. Binnen die cirkel heeft dan de rede, en daarmee het eigenmachtig ingrijpen van de mens, vrij spel: men reconstrueert de mens als het ware naar zijn eigen gedachten.
Het in de titel genoemde systeemdenken is een verwoording van de pogingen die vanuit wetenschappelijk onderzoek en filosofie beide gedaan zijn om het gesloten systeemdenken te boven te komen. N. Wiener heeft dit eerst geprobeerd, vanuit de techniek, en na hem L. von Bertalanffy, vanuit de biologie. Vooral met de laatste houdt de auteur zich bezig, en de schrijver gaat diens ontwikkeling na, en diens invloed op anderen.
De conclusie van de schrijver is, dat het systeemdenken er niet in geslaagd is het technische wereldbeeld sedert de jaren zestig te doorbreken en te vernieuwen. Twee namen komen naar voren bij dit oordeel. Allereerst die van J. Habermas, die eveneens het technisch wereldbeeld heeft willen doorbreken, maar daarbij het systeemdenken onder scherpe kritiek stelde. Ook hij komt echter het technisch, humanistisch en gesloten wereldbeeld niet te boven. De andere is die van Lindeboom, die aanvankelijk hoop koesterde voor een psychosomatische totaalbenadering van de mens in de geneeskunde, maar daarin uiteindelijk toch teleurgesteld is geworden. De schrijver valt Lindeboom bij, via de kritiek van Habermas, en tracht dan een eigen weg te vinden die voor moderne geneeskunde begaanbaar is.
De grondoorzaak van de onmacht van de mens om het technische wereldbeeld te boven te komen ligt dan ook, naar het oordeel van de schrijver, niet in de grote krachten die de technische ontwikkeling heeft losgemaakt, hoe belemmerend deze ook zijn mogen, maar in de mens zelf. Een oplossing geeft hij zelf niet. Wél maakt zijn studie de weg vrij voor de noodzaak te erkennen, dat de geestelijk-religieuze uitgangspunten van het humanisme ook door dit humanisme zélf ter discussie gesteld moeten worden, wil er iets veranderen, opdat er een radicale ommekeer kome, op zijn minst een erkenning van de noodzaak daartoe, waarbij de christen-wetenschapper de niet-christen meetrekt, een ommekeer die uitmondt in een nieuwe cultuur voor de westerse mens.
Dit betekent dan ook dat men een vraagteken zal moeten zetten bij de voor velen zo vanzelfsprekende stelling dat geneeskunde een wetenschap is. De schrijver pleit ervoor om ernst te maken met de gedachte dat op de bodem van de geneeskunde de vraag ligt naar hoe men het contact tussen medicus en patiënt ziet. Voor deze relatie wordt dan verwezen naar de éne normativiteit die niet alleen de verhouding tussen arts en patiënt bepaalt, maar ook de hele geneeskunde. Dat bij het pleidooi voor dit contact-model als grondslagleggend voor medisch handelen ook de wetskringen – van de Wijsbegeerte der Wetsidee – en hun onderscheiden normativiteiten een rol spelen, is dan voor de schrijver de manier van zeggen dat de wet van God complex is, in een complexe situatie tot gelding wil worden gebracht, en niet op één noemer te brengen is.
Niet alles uit dit boek kon ik uit eigen kennis natrekken. Wél echter de hoofdlijnen, en ik denk dat deze dissertatie een schoolvoorbeeld is van het scherp-analyserend en daarom ook ontdekkend vermogen dat wetenschappers uit de kring van de Wijsbegeerte der Wetsidee ontplooien en waardoor ze de weg vrijmaken voor het blootleggen van de echte kwaal, die altijd dieper zit dan men geneigd is te denken zolang men God als Wetgever buiten de cirkel van zijn eigen gedachten houdt.
S. Meijers, Leiden

Dr. Henry Vander Goot, Onbevangen verstaan. Buyten en Schipperheijn, Amsterdam 1987; 102 blz.; ƒ 18,90.
Dit boek is het tweede deeltje uit de serie Verantwoording, een serie die vooral gedragen wordt door vertegenwoordigers uit de Wijsbegeerte der Wetsidee, en zich daarom vooral bezighoudt met de vooronderstellingen die een mens, ook een christenmens, altijd hanteert wanneer hij zich op de wereld richt. In dit geval op de wereld van de bijbel.
Het is een heel waardevol boekje. Enerzijds geeft de schrijver alle ruimte aan de menselijke subjectiviteit waarmee de mens de bijbel leest. Anderzijds schetst hij deze subjectiviteit op zulk een wijze dat wij er greep op krijgen, en dat deze zich niet bedreigend gaat opstellen tegenover het (objectief) getuigenis van de Schriften zelf, maar dit juist dient.
Voor de onontwijkbare betekenis van het subjectieve element maakt de schrijver gebruik van filosofische theologen als Gadamar en Ricoeur. Hij gaat echter andere wegen. De mens die de bijbel leest begint niet met over de bijbel of over de concrete bijbeltekst te reflecteren – dit doet hij pas in een later stadium –, maar benadert de bijbel voor-reflectief. Traditie en cultuur spelen daar een belangrijke rol in, maar vormen in deze 'subtekst' niet het laatste woord. Er is zoiets als een 'doorleefde ervaring' die aan alle theologische reflexie voorafgaat, en zich daar kwalitatief van onderscheidt.
Deze ervaring is echter nooit een bron van Godskennis náást de Schrift. Het getuigenis van de Schrift staat bóven de ervaring en wijst ons de weg in het veld van onze ervaringen. Nooit bron van Godskennis: immers, ook onze eigen ervaring wordt altijd gedragen door verband en zin die God aan de schepping heeft meegegeven en waar de Schriftopenbaring op inspeelt.
Het voor-reflexieve verstaansverband zoekt de schrijver vooral in het gemeenschappelijk gelovig lezen van de bijbel, en in de geloofsgemeenschap die de bijbel al vóór ons gelezen heeft, zodat wij ons vanuit dit kader de bijbel gelovig en inhoudelijk leren toeëigenen. Wie dit overslaat, begint met de bijbel te benaderen als voorwerp van onderzoek, en haar daarmee te onderwerpen aan analytisch denken. Men krijgt er dan niets uit, althans niets van de overmacht van de bijbel. Wanneer wij zo lezen, in het besef van onze bepaaldheid vanwege onze leefwereld, grijpen de beide aspecten van de ene openbaring, namelijk het algemene krachtens de schepping en het bijzondere krachtens de heilsopenbaring, in elkaar, om met elkaar het voor het verstaan van de bijbel noodzakelijke kader te vormen. Door het lezen van en het zich voegen naar de Schrift wordt dit tweevoudige al meer het een-voudige waardoor de eenvoud en eenheid der Schrift zich voor ons opent.
De fout van veel eigentijdse theologie is niet, dat dit voor-reflexieve ontkend wordt, maar dat het in het duister blijft. Het gevaar is dan dat men dan inzet bij de (bijbel)kritische methode van verheldering en daaraan conclusies gaat verbinden. Vandaaruit doet men dan uitspraken over God, mens en wereld, die doen blijken hoezeer men een bron heeft gemaakt van datgene wat eigenlijk later pas aan de orde hoort te komen. Het leidt tot een herinterpretatie van de bijbel aan de hand van categorieën die uit de Verlichting stammen en niet uit de bijbelse werkelijkheid zelf.
Zuiverder is het dan ook om de bijbelse werkelijkheid de gelegenheid te geven onze werkelijkheid te doordringen, om vandaaruit recht te doen aan datgene wat men via historisch onderzoek ter verheldering kan aandragen. Dan blijft de bijbel in haar eenheid gerespecteerd, en blijft ook het eerste kader waarin de bijbel staat het primaire kader: dat van de gemeenschap der gelovigen rondom de oud-christelijke symbolen.
Ik gaf op vrije wijze de inhoud weer van een zeer compact geschreven boekje. In de hoofdlijn ben ik het met dit betoog eens, hoewel ik ook wel zie dat het zich terugtrekken op de 'naïeve ervaring' voor degene die met het schriftgetuigenis overhoop ligt of wil spreken voor diegenen die dit doen iets heeft van een onbevredigende cirkelredenering. De stelling dan óók onze 'naïeve ervaring' van Godswege wordt gedragen en door Hem omringd wordt is op zichzelf al een aan openbaring ontleend gegeven.
Mijn moeite met dit boekje zit echter niet zozeer in deze cirkel: deze kan ik meemaken. Eerder heb ik de neiging mijn vinger op te steken wanneer ik hermeneutische vragen, met name de hermeneutische voor-vragen, uitsluitend benaderd zie vanuit een filosofisch kader, en niet ook vanuit de hermeneutische structuur van de bijbel zelf, ook als boek voor de prediking. De geloofsgemeenschap waarover de schrijver het bij herhaling heeft, is óók de gemeenschap die in het leven is geroepen door de prediking van de Schriften en die via deze in stand is gebleven, en deze prediking is het die mede de structuur van het schriftgetuigenis bepaalt. De weg waarlangs de bijbel, als boek dat uit het verleden tot ons komt, zich actualiseert wordt niet alleen gewaarborgd doordat er altijd een gemeenschap geweest is die, ook vóór ons, de bijbel heeft gelezen en verstaan, maar ook doordat het voor het heden relevante zich altijd weer via de prediking en de confrontatie van die prediking met de eigen leefwereld en het eigentijdse levensbesef, gemeld heeft, en vaak stond het daar haaks op. Ik geef dan ook ter overweging om ook dit te honoreren, uit bezorgdheid dat de theologie een onderdeel gaat worden van een allesomvattende doordenking die aan de bijbel ontleend wordt, en de Schrift een fase in de openbaringsgeschiedenis die door een gemeenschap van gelovigen onderkend wordt, maar waar de kerk als kerk toch buiten staat.
Hetgeen niet wegneemt dat het goed is te blijven bedenken dat het werken van de Geest breder is dan alleen Zijn werk in de toeëigening van het heil, en dat dit 'brede' ervoor instaat dat er altijd een klankbodem zal zijn en blijven voor het gepredikte woord.
S. Meijers, Leiden

Wegen en kruispunten in de dogmatiek, deel 4, dr. E. J. Beker en dr. J. M. Hasselaar. Uitgeversmaatschappij J. H. Kok, Kampen 1987; 243 blz.; ƒ 47,50.
Dit vierde deel van de dogmatiek van Beker en Hasselaar betekent de afronding van hetgeen de schrijvers voor ogen heeft gestaan, namelijk het bieden van een op de eigen tijd afgestemde dogmatiek, waarin zowel de aansluiting bij de traditie gezocht wordt als de openheid naar andere tradities toe, vooral binnen de oecumene.
Deze, nu afgeronde, dogmatiek is hoogst origineel. Enerzijds in alle delen georiënteerd op Karl Barth zonder welke hij niet denkbaar is. Anderzijds geschreven in diep respect voor datgene wat de traditie ons heeft aangereikt, ook wanneer de schrijvers zichzelf niet in het verlengde daarvan opstellen, en daarom een verademing temidden van het vele fragmentarische theologische werk dat zonder enige gêne op de theologische markt verschijnt en zich aandient als een nieuw en laatste woord, en dit alleen maar kan doen omdat men de traditie niet kent en niet ontdekt heeft dat de dingen die men zegt al eerder anders gezegd zijn, en dat de traditie daar ook al wel van wist.
Origineel is deze dogmatiek ook, omdat de schrijvers Barth op zo zelfstandige wijze verwerken. Anders gezegd, omdat de schrijvers zonder enige pretentie proberen te voldoen aan wat één van de laatste wensen van Barth was: dat er na hem mensen zouden komen die datgene wat hij in zijn tijd heeft menen te moeten zeggen, nog eens nieuw zouden zeggen, maar dan daarbij meer in rekening zouden brengen wat bij Barth aan het einde van al zijn overleggingen staat: dat alles wat wij uit de Schrift theologisch voortbrengen ook onder het aspect gesteld moet worden van het werken van de Heilige Geest. (Men zie zijn Schleiermacher-Auswahl.).
Wanneer er één deel van deze vierdelige dogmatiek is dat met deze wens van Barth rekening houdt, is het wel dit deel. Misschien is dit deel dan ook wel dat, wat het meest de betrokkenheid van de schrijvers bij hun onderwerp aan het daglicht brengt. Je proeft het haast op iedere bladzijde. Hoewel de pneumatologie al eerder ter sprake kwam – zij het niet als apart onderdeel maar door de regels heen lichtend – en het de bedoeling van dit deel is heen te leiden naar het rechte verstaan van de sacramenten, is het van a tot z een pneumatologie, een leer van en vanuit het werken van de Heilige Geest.
ledere bespreking van deze dogmatiek in het kader van ons blad zou onrecht doen aan de inhoud, omdat heel de theologie meetrilt in wat in dit deel aan de orde wordt gesteld. Daarom betrachten we grote ingetogenheid. We kunnen niet meer doen dan aangeven waar wij de distantie ervaren tussen de schrijvers en ons. Zo op het punt van het verbond als de inwendige grond van de schepping op dat van de Calvijn-interpretatie die in de richting van Gunnings persoonlijkheidsgedachte wordt getrokken; op dat van de volslagen onscheidbaarheid van rechtvaardiging en heiliging op dat van de identificatie van het menselijk handelen in het sacrament met het Goddelijk handelen. Vooral ter zake van dit laatste gaat deze dogmatiek geheel eigen wegen.
Deze distantie sluit echter niet uit dat heel vaak bij het lezen van deze dogmatiek bij ons zaken zich roeren die wij ook uit de exegese hebben geleerd en bij lezing wakker worden, of lijnen worden getrokken waardoor allerlei vormen van mistekening worden ingedamd. Voor het eerste wijs ik dan op het tdkens terugkerende thema van de liefde, zowel de liefdesgemeenschap met Christus als de liefde onderling. Voor het tweede op het lange exposé over de bevrijdingstheologie, dat afrekent met de voor velen vaak zo vanzelfsprekende overtuiging dat deze in het verlengde zou liggen van wat Barth bedoeld heeft. Zo vind ik ook excursen in deze dogmatiek, georiënteerd op het denken in de oecumene als hij is, die wat diepgang betreft hun vergelijking niet hebben, zo bijvoorbeeld over het Limarapport. Het slotstuk over de hymnen die de Geest aanbidden is ontroerend.
Mijn liefde voor deze dogmatiek moet niet verstaan worden als een aansporing er nu blind op te varen. Daarvoor is deze dogmatiek, en inzonderheid dit deel, toch al te zeer doortrokken van een eigen spiritualiteit die op spanning staat met die in de gereformeerde traditie. Maar de combinatie van respect voor de traditie met de begeerte om wat in de oude ethische theologie leefde nu, na én via Karl Barth, weer relevant te maken, spreekt iemand die dit stuk geschiedenis in zijn bagage heeft, sterk aan. Ook iemand die niet kan meekomen.
S. Meijers, Leiden

Dr. Eta Linnemann, Wetenschap of vooroordeel, het fiasco van de historisch-kritische bijbelwetenschap, Ned. vertaling van Wissnschaft oder Meinung?; Anfragen und Alternativen. Kampen, 1987.
Eta Linnemann, sinds enkele jaren ook in Nederland bekend (o.a. door haar lezingen voor het forum van door de moderne bijbelwetenschap gevormde theologen) legde in 1978 haar hoogleraarsambt neer, omdat zij meende niet langer te kunnen deelnemen aan een wetenschapsbeoefening in het kader van de naar haar inzicht volstrekt atheïstisch geworden universiteit. Zij kwam tot dit besluit, doordat naar haar overtuiging de theologische wetenschap sinds de historisch-kritische theologie een en al verleugening was geworden van het woord van God. Zelf lange tijd in de ban van deze Bijbelkritische theologie, heeft zij daarmee resoluut gebroken. Het theologisch bedrijf op basis van dit alles is haar schade en drek geworden. De historisch-kritische theologie stikt in haar eigen vooronderstellingen, die op gezag van 'geleerden' worden geloofd, maar darom niet minder vooroordelen zijn.
Aldus de korte inhoud van wat Eta Linnemann in haar boek naar voren brengt.
Het dr. M. J. Paul die de Nederlandse vertaling van het genoemde boek van een 'Woord vooraf' voorzag, hoop ik graag, dat het getuigenis van mevrouw Linnemann in ons land tot nadenken en inkeer mag leiden. Ik raad elke theologisch geïnteresseerde daarom van harte de lezing van haar boek aan.
ER is echter een dubbele vrees die me bekruipt, als ik de radikaal kritische stellingname van mevrouw Linnemann tegenover de Bijbelkritische theologie-beoefening van de laatste eeuwen op mij laat inwerken.
Mevr. Linnemann loopt m.i. voortdurend het gevaar om het historisch onderzoek van de Bijbel als irrelevant te beschouwen. Dat is begrijpelijk, omdat dat historisch onderzoek in de praktijk bijna steeds leidde tot een zgn. theologische wetenschap, waarin vooronderstellingen en vooroordelen de dienst uitmaakten en de waarheid van de Bijbel het haast altijd moest ontgelden. Niettemin zou het erg te betreuren zijn, als wij van de weeromstuit het historisch onderzoek in de Bijbelwetenschap meewarig zouden negeren als van nul en generlei waarde. De Gereformeerde theologie gaat heel sterk uit van het historische van Gods openbaring en van het historisch van het Woord van God, de Heilige Schrift. En dat houdt in, dat zij het historisch onderzoek zelfs al zou er nooit een historisch kritische Bijbelwetenschap zijn gekomen en temeer nu ze er wel is gekomen, van groot gewicht moet achten.
Met deze zaak staat immers niets minder dan de 'Vleeswording des Woords' op het spel. Met andere woorden: laat de Gereformeerde theologie, ook in Nederland, in heilige verontwaardiging over de bevooroordeelde 'Bijbelkritische' theologie beoefening, maar vooral gegrepen door de waarheid van Gods onfeilbaar Woord en vanuit een daarop geënt wetenschapsbegrip een alternatief aandragen voor wat werkelijk en wetenschappelijk verantwoord historisch Bijbelonderzoek inhoudt.
Mijn tweede vrees is, dat we – te vroeg – de bestaande opleidingsinstituten vaarwel zeggen en ons terugtrekken in het bastion van alternatieve instellingen voor hoger en wetenschappelijk onderwijs. Het lijkt me vooreerst nog het meest aanbevelingswaardig om binnen bestaande structuren, hoezeer deze ook gesaeculariseerd zijn, de strijd met reus Goliath (c.q. de Bijbelkritische theologie) aan te binden, zij het dan als een David met een simpele slinger en steen. Wat we daarnaast vermogen te doen aan bewaring van een Bijbelgetrouwe en belij denisgetrouwe theologie-beoefening behoeft daarop niet in mindering te worden gebracht.
C. den Boer, (B)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1988

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1988

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's