Dankwoord vanuit het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond
Hoek van Holland, 10 december 1988.
Namens het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond wil ik u onze hartelijke gevoelens van deelneming betuigen bij het heengaan van uw broer, zwager en oom, dominee Wouter Leendert Tukker.
Ik mag dat doen als lid van het hoofdbestuur waarin ik dominee Tukker vele jaren mocht meemaken, maar ook vanwege de persoonlijke verbondenheid en hartelijke vriendschap die ik met hem mocht hebben. Een vriendschap die dateert uit de tijd dat ds. Tukker voor studenten in Delft catechisaties gaf over de Nederlandse Geloofsbelijdenis en die in de jaren daarna is verdiept en bestendigd bleef.
Als hoofdbestuur zien wij met grote dankbaarheid terug op de vele jaren dat ds. Tukker in dit bestuur zitting had, waarvan bijna 10 jaar als voorzitter. Maar wanneer wij aan zijn nagedachtenis eer willen bewijzen dan denken we toch niet in de eerste plaats aan hem als bestuurder van een vereniging. Maar eerst en vooral zien we ds. Tukker als predikant. Zo zag hij zichzelf. Zo zagen anderen Hem. Het predikantschap heeft zijn leven gekenmerkt. Dat is zijn leven geweest. In de wetenschap in zijn ambtelijke bediening gesteld te zijn met een hemelse roeping heeft hij de kerk met al de liefde van zijn hart gediend. Daarvan droegen zijn preken de sporen. Vervuld met diep ontzag en eerbied voor God en Zijn Woord zette hij zich wekelijks door nauwgezet Schriftonderzoek tot het maken van steeds nieuwe preken en verraste daarbij vaak door zijn exegese. In nauwe en hartelijke verbondenheid met de kerk van alle tijden wist hij zich te staan in de lijn van de apostelen en profeten, de kerkvaders, de Reformatie en de Nadere Reformatie. In zijn preken hoorde men alle klanken van de belijdenissen van de kerk doorklinken. Op het dogma van de kerk, in de zin van het levende geloof van de kerk, lagen zijn preken als het ware verankerd.
Wanneer we dominee Tukker zo gekend hebben, dan herkennen we hem ook in zijn verbondenheid, niet alleen met de kerk der eeuwen maar ook met de kerk van alle plaatsen. Hij was voluit gereformeerd om voluit hervormd te zijn.
Zijn brede gang door de kerk kenmerkt zijn werk in de Generale Visitatie en zijn arbeid voor het Nederlands Bijbelgenootschap bij de bewerking van de Statenvertaling die hem zo lief was. Daarin lag ook zijn kracht als voorzitter van de Gereformeerde Bond. Hij zocht die niet in de organisatie, maar begeerde niet anders dan met de Gereformeerde Bond als instrument de kerk in gereformeerde zin te dienen. In een preek over Jesaja 55 zegt dominee Tukker dat rechte christenen gekend worden aan hun persoon. 'Zij krijgen iets koninklijks, iets priesterlijks, iets profetisch, iets van de barmhartigheid van Christus.' Daarin ging dominee Tukker ons voor. En met het daaraan verbonden gezag gesteund door zijn grote Schriftkennis gaf hij leiding aan de Gereformeerde Bond. Waarbij zijn mening zwaar woog maar zelden als eerste werd gegeven. Zijn liefde voor de hervormde kerk heeft hij aan velen weten over te dragen. Maar over het goede bij andere kerken kon hij zich niet minder hartelijk verblijden. Bekend is zijn sterke affiniteit tot de kerken van de afscheiding.
Wij gedenken dominee Tukker met vele anderen als een man die ons door zijn geestelijke leiding, ootmoed, gastvrijheid en hoffelijkheid tot een onvergetelijke vriend is geworden. Toen zijn huisgenote hem in de loop van dit jaar ontviel werd duidelijk dat dominee Tukker niet meer in staat was zelfstandig te wonen, maar op voortdurende zorg was aangewezen. Hij mocht die zorg in ruime mate ontvangen binnen de pastorie van Epe. En later niet minder vanuit deze pastorie toen de behoefte aan zorg van dominee Tukker geleidelijk overging in de noodzaak van voortdurende verzorging in de Boscamp. Daarvan, mevrouw en doctor Tukker, waren wij als vrienden van dominee Tukker zeer onder de indruk.
God heeft de kerk en anderen door dominee Tukker rijk gezegend. Maar God heeft hem ook zelf gezegend. Gezegend met Zijn genade. Want dominee Tukker was een mens als alle mensen. Iemand die alleen van de genade van de Heere Jezus Christus leven kon. Daarvan was hij zelf diep doordrongen. Zijn prediking was dan ook één heenwijzing naar Christus, de Hoop der zaligheid. Van die Hoop heeft hij op ontroerende wijze gesproken in zijn afscheidswoord op de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond in 1978. Hij sprak toen over de Hoop van de Kerk, en besloot zijn afscheidswoord met de volgende woorden:
'… Maar de plaats van het eeuwige leven zal de plaats zijn waar men eeuwig hopen mag. Eeuwig nieuwe verwachting. Eeuwig nieuwe blijken van Gods en Christus' liefde en trouw voor Zijn gemeente, voor Zijn volk. Door de kracht van de Heilige Geest zal men eeuwig zingen, zal men eeuwig danken, zal men ook eeuwig hopen. En die hoop wordt hier in de kerk op aarde reeds geschonken, overvloedig geschonken en beoefend, naar de mate des geloofs. En dat door de God der hope; door Christus, die onze hope is en dat door de kracht des Heiligen Geestes.'
Als hoofdbestuur van de Geref. Bond willen we de nagedachtenis van dominee Tukker eren met de woorden van Hebr. 13 : 7 'Gedenkt uw voorgangers die u het Woord Gods gesproken hebben en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst hunner wandeling'.
L. v. d. Waal, Ridderkerk
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1988
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1988
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's