De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbesprekingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbesprekingen

14 minuten leestijd

Dr. W. J. Ouweneel, Het domein van de slang. Buyten en Schipperheijn, Amsterdam; 1988; 4e uitgebreide druk; 428 blz.; ƒ 44,50.
De schrijver mag de vreugde beleven dat zijn boek, dat een christelijk handboek wil zijn over occultisme en mysticicisme, een vierde druk beleeft. Deze vreugde is hem gegund. Hij geeft een schat aan informatie over zaken die een sterk beslag leggen op de geesten in Europa en meestal óf verzwegen worden of verregaand onderschat. Wij zijn afgestompt voor datgene wat de bijbel de onzienbare wereld noemt, en daarom er vaak een gemakkelijke prooi van. Bovendien wreekt zich dat velen niet alleen een gebrek aan kennis hebben, maar deze kennis ook niet noodzakelijk achten. Men neemt vaak de toevlucht tot allerlei occulte praktijken – of tot als medisch heilzaam aangeprezen praktijken – waarvan men de achtergronden niet kent en waarnaar men als redmiddel grijpt.
Een vierde druk hoeft niet meer besproken te worden, maar ik wil het ook niet bij een simpele aankondiging laten. Vooral ook omdat het boek een uitbreiding heeft ontvangen waarin gesproken wordt over de achtergronden van de New-Age-beweging, over homeopathie en acupunctuur. Bij alle drie deze bewegingen – want het gaat om heel wat meer dan om een bepaalde helende praxis – belicht de schrijver de ontstaansgeschiedenis en de, altijd religieus gemotiveerde, grondgedachten die erachter schuilgaan. Ik ken geen boek dat op deze wijze een totaaloverzicht geeft van hetgeen er aan alternatieve geneeswijzen op de markt is, en ook aan alternatieve, vaak satanisch geladen, pseudo-religieuze bewegingen.
Mijn waardering heeft ook een keerzijde. Mèt de schrijver ben ik van mening dat de wereld van de onzienlijke dingen voor de naïeve westerse mens die op het terrein van het intuïtieve en bovenzintuiglijke afgestompt is, een permanent gevaar inhoudt dat allerwege onderschat wordt. Temeer omdat de machine-mens die wij voor een groot deel geworden zijn juist in contacten met het niet-zichtbare en daarom ook niet-controleerbare compensatie zoekt voor de verzakelijking temidden waarvan hij leeft, en dit zeker wanneer de gegeven technisch-medische wegen blijken te falen. Mèt de schrijver denk ik dat het goed is de achtergronden te weten van veel dat ons als religieuze of medische compensatie wordt aangediend, opdat wij ons niet op terreinen begeven die de band met Christus en Zijn heerschappij over ons leven schade doen. Nochtans is er bij mij niet alleen een intuïtieve maar ook een theologische weerstand het werk van satan al te sterk te lokaliseren. En dit is het dat de schrijver voortdurend doet. Maar wanneer wij dit al te sterk doen, komt hij dan juist niet door een andere deur binnen?
Niet dat deze lokalisering verboden is. Zaken als occultisme, satanskerk en spiritualisme vragen erom. Men kan niet voldoende, mede via het bijbrengen van kennis, waarschuwen in dezen. Alleen, de zaken liggen niet altijd duidelijk. De boom wordt niet alleen gekend aan zijn wortels – en in het tekenen daarvan is de schrijver een meester – maar ook aan zijn vruchten. Het domein van de slang wordt toch altijd óók weer omringd door het werken van de Geest, Die uit het kwade het goede kan voortbrengen of het ten goede leiden kan. Niet alles wat uit occult of mystiek denken is voortgekomen is per definitie verwerpelijk, en natuurgeneeswijzen kunnen ook een signaalfunctie hebben die onze westerse, technische maatschappij iets te zeggen hebben. Het criterium is dan vaak niet dat van goed en kwaad, maar van deugdelijk of ondeugdelijk. Bij het bepalen van dit criterium moet dan wetenschappelijk onderzoek een duchtig woordje meespreken. Dan hebben we aan een bijbelse toetsing van de achtergronden niet voldoende. Vooral op het punt van het holisme en de New-Age-beweging is de informatie van de schrijver waardevol, tekenend als ze is voor het verborgen evolutionisme dat weer bezig is de kop op te steken.
Ik hoop dat de lezers uit dit boek veel informatie putten. Dat mensen die op dwaalwegen zijn erdoor worden teruggebracht. Maar ook dat zij die zich geholpen achten door alternatieve methoden van genezing zich niet al te belast zullen voelen in geweten. Belangrijker dan het uitputten van de bijbel als normatief wetboek achten wij de vorming van het geweten. De vrede Gods heeft ook de belofte in zich ons te zullen bewaren, en grenzen melden zich niet altijd bij voorbaat.
S. Meijers, Leiden

H. Jagersma, Numeri, dl. II. Uitgever G. F. Callenbach, Nijkerk, 1988; 198 blz.; geb. ƒ 69,50.
Dit deel van de serie 'Prediking van het Oude Testament' geeft verklaring van Num. 16-21. In het eerste deel (1983) schreef de auteur dat de eindredactie van de Tetrateuch – waarvan Numeri het vierde deel is – op zijn vroegst in de tijd van de ballingschap (Nehemia) heeft plaatsgevonden. Hij spreekt van onoverkomelijke problemen ten aanzien van de tijdsbepaling van de tekst. Deze visie heeft voor de uitleg consequenties, die wij niet aanvaarden. Om één voorbeeld te noemen: bij h. 22 : 21 zou over Bileam zeer negatief geschreven worden in tegenstelling met h. 22-24. De opzet van de verklaring is gelijk aan die van het eerste deel: elke onderafdeling wordt afgesloten met een (meestal) paginagrote te waarderen toepassing en verduidelijking van de tekst: de prediking van…'.
Het werk vangt aan met de rebellie van Korach, Datan en Abiram, h. 16 : 1vv. Meer dan eens wordt van een opstand tegen Mozes en Aäron gesproken. Men verwierp de bevrijding door Gods hand (Ex. 20 : 2), zij zagen om naar 'de vleespotten van Egypte'. Men verachtte het manna, als waardeloos, h. 11 : 6, 21 : 5. En toch achtte men zich heilig, het gehele volk, h. 16 : 3. Ontkenning van Mozes' roeping betekende verwerping van Gods leiding. Maar 'heilig zijn betekent blijven bij de Bevrijder' – 1 Kron. 16 : 22. Een verschrikkelijk oordeel brak over het volk los, h. 16 : 49.
H. 21 : 4v vermeldt de laatste rebellie van het volk in de woestijn. De klachten van het volk worden opgesomd: geen brood, geen water en alleen maar manna. Het volk murmureerde, twistte, kwam met veel verwijten, bittere en grievende en onredelijke. Men vertaalt de gebruikte Hebreeuwse woorden dikwijls te zwak, te vergoelijkend. Het volk heeft de Heere niet geheiligd. Heel scherp wordt de minachting van Gods gaven gehekeld. En toch achtte men zich heilig! De prediking hier heeft iets van de moeder die zegt: Heb ik dit aan je verdiend? God heeft men niet geheiligd (Ps. 106 : 32, 81 : 8 e.a.). En toch is de trouw des Heeren groter dan de ontrouw van het volk. Een zware plaag moet het volk eerst teisteren, voordat het tot schuldbelijdenis komt.
De Heere geeft uitkomst door de opdracht tot de oprichting van een koperen slang. Deze standaard was een teken van heil in de woestijn. De schrijver wijst op Joh. 3 : 14.
Indrukwekkend is de geschiedenis van Bileam, h. 21-24. De hoofdmoot van het verhaal en de aangrijpende spreuken is gevormd door de zeven keer voorkomende confrontatie tussen God en Balak, de koning der Moabieten, die bevreesd was voor het machtige volk der Israëlieten, dat sterk oprukte. Gewapenderhand kon hij tegen Israël niets beginnen. Met magische bezwering meent hij de loop der gebeurtenissen te kunnen veranderen. Balak wordt getekend als een man, die meent dat met geld alles te koop is (h. 23 : 10, 22 : 36).
En Bileam wordt getekend als een ziener, wiens ogen geopend zijn. Hij weet, dat de zegen Gods niet in een vloek kan veranderd worden. Balak bracht Bileam naar de bergtoppen van de Nebo, h. 23 : 14 om Israël te vervloeken, h. 23 : 27. Bileam zal het woord brengen, zoals JHVH de Heere tot Bileam spreken zal. Hij zal zich door het Woord des Heeren laten leiden. Als een echt profeet zal hij zich alleen door het Woord laten leiden, h. 22 : 38. Een heidense waarzegger die zich door God laat leiden!
De schrijver meent dat in latere tijden een negatiever beeld van Bileam ontstond. Dit is echter in strijd met de Schrift. De schrijver (Jagersma) beschrijft Bileam als een echte profeet. Hij zal immers het Woord Gods spreken. Zijn hart had geen deel aan hetgeen hij zeide, h. 24 : 1. Bileam was een profeet tegen wil en dank, hij wil van twee walletjes eten. Als Bileam drie keer steeds op verzoek van Balak Israël gezegend heeft in plaats van gevloekt, is het voor Balak genoeg, hij jaagt Bileam weg, zonder eer en zonder loon, h. 24 : 10v. Bileam neemt wraak als hij een ongoddelijke raad aan Balak geeft, h. 24 : 14. H. 31 : 8 vermeldt zijn dood door de hand van de Midianieten.
Ook in andere plaatsen van de Schrift wordt over Bileam niet getuigd als een profeet des Heeren, o.a. Joz. 13 : 22, Deut. 23 : 5, 2 Petr. 2 : 15, Jud. vs 11, Openb. v. Joh. 2 : 14: Hij heeft niet willen horen. Ik ga hier wel verder dan de inhoud van het boek, maar ik wil de geschiedenis van Bileam enigszins afronden.
Er zijn in deze tijd meer dan één verklaring van het boek Numeri verschenen, maar dat betekent nog niet, dat het overbodig is. Integendeel, het geeft veel toelichting en toepassing. Als geheel is het een goed verzorgd studiewerk.
Bt., H.

Dr. J. Hoek, Leven en dood in Hoger hand. Uitgeverij De Groot, Goudriaan; 152 blz.; ƒ 22,50.
Dr. Hoek heeft ons een praktisch en toch allesbehalve oppervlakkig boekje geschonken dat ik graag wil beginnen om aan te bevelen aan allen die op welke wijze dan ook met de dood, met rouwverwerking, met de stylering van het rouwdragen en begraven, met vragen rondom abortus en euthanasie, in aanraking komen.
Het waardevolle van dit boekje is niet dat het nieuwe perspectieven opent, maar dat het allerlei bundelt dat op andere plaatsen, ook van de hand van de schrijver, te vinden is. En dat het dit uitwerkt en concreet maakt, waardoor een bijdrage ontstaat aan de christelijke levensstijl die ook voor onze tijd opgaat. Misschien wel juist voor onze tijd, omdat wij geconfronteerd worden met zaken die enkele tientallen jaren geleden niet denkbaar waren.
De concreetheid die de schrijver duidelijk nastreeft wordt bevorderd doordat dit boekje ons telkens van gespreksvragen voorziet waardoor het voor kringwerk uiterst geschikt is.
Met de schrijver ben ik van oordeel dat ethiek een ethiek van de gehoorzaamheid heeft te zijn. Sterker dan de schrijver laat blijken valt er echter bij mij accent op het werkelijkheidskarakter van de ethiek. De gehoorzaamheid die de bijbel vraagt geschiedt temidden van de ongehoorzaamheid die de wereld, en ook de wereld in de kerk, kenmerkt. En in het leven temidden daarvan liggen nu juist de moeilijkste ethische vragen. De vraag naar het zó te leven dat wij enerzijds de gehoorzaamheid niet verspelen, anderzijds richtingwijzend bezig zijn in een klimaat waar waarden en vormen zijn uitgesleten en tot hun eigen karikatuur geworden. Wanneer men dit tweede niet in rekening brengt bestaat het gevaar dat men als het ware 'over de situatie heen ethiseert'. Op sommige punten doet de schrijver dit dan ook. Zo bij de hoofdstukjes over de zelfdoding bij jongeren, over de stylering van de begrafenis en over orgaantransplantatie. Meer dan Hoek heb ik de neiging de nadruk te leggen op de vorming van het christelijk geweten als vrucht van de omgang met de Schrift, en op de leiding van de Geest Die ons niet altijd bij standpunten maar wel degelijk bij beslisingen doet uitkomen. Dit beroep op zoiets als een 'wedergeboren geweten' kan erg riskant zijn, maar vinden we het in onze eigen gereformeerde traditie niet terug, en is het niet voor onze tijd operabel te maken?
Hoek geeft veel goede en noodzakelijke informatie. Ik wilde wel dat daar in onze kring veel gebruik van gemaakt werd. Wij gaan, ook wat de stijl van leven betreft, onder aan onze eigen onkunde. Wij schaffen mee af zonder er iets voor in de plaats te stellen, of klampen ons vast aan vormen waar we de inhoud niet van kennen, zodat het resultaat een zichtbaar gemaakte leegte oplevert. Het is ook goed te weten wat men, vooral ook emotioneel, te wachten heeft wanneer men met de dood, in welke vorm ook, geconfronteerd wordt.
Sommige dingen had ik graag kernachtiger of wat minder bloemrijk uitgedrukt gezien: uiteraard denk ik dan aan degenen die het betoog tot zich moeten nemen om er op een gesprekskring de kern uit gehaald te hebben. Een iets meer persoonlijke stijl schaadt evenmin altijd. Zo stoort mij de lengte van het betoog over mystieke doodservaringen en over Moody. Zoiets lees ik liever samengevat, en gezet in het brede verband van mystieke doodservaringen, waar immers stapels literatuur over bestaan.
Soms ook neemt Hoek beslissingen inzake dingen die 'natuurlijk' niet aanvaardbaar zijn, terwijl andere dingen hem dan opeens, ondanks hun heidense komaf, niet zo zwaar wegen. Ik denk dan: beperk je maar tot wat informatie, tot het bijbrengen van hoe een traditie geworteld is, en dan zal de Geest Zelf deze wel schiften. En laat wat openheid. Mocht Emma niet in het wit begraven worden? Mag iemand zijn rouwkaart niet een paars of grijs randje meegeven? Je zou het wel denken wanneer je de schrijver op zijn voet wil volgen.
Fijn vind ik het dat de schrijver de oude Ziekentroost weer eens naar voren heeft gehaald. Bij dr. C. A. Tukker, door de schrijver bij herhaling aangehaald, vond ik toch, bij diens behandeling van de Ziekentroost, iets meer besef dat de Ziekentroost appelleert op het werken van de Geest, en dus meer trinitarische ruimte. Deze hangt dan samen met het objectieve predikkarakter ervan, waarop ook Hoek wijst. De Ziekentroost is geen meditatief stuk, maar een preek, en het pastoraat in die tijd nam de predikvorm altijd weer aan. Maar wat is er dan tegen om toe te geven dat wij die de gespreksvorm onmisbaar achten in het pastoraat, zó niet meer uit de voeten kunnen? De schrijver zegt dit wel, maar zo omzichtig en na omwegen dat je wel erg lang lezen moet.
Op alle onderdelen kan ik niet ingaan. Ik hoop hartelijk dat dit op vele gesprekskringen gebeurt, want de schrijver heeft daar bijzonder waardevol materiaal voor op tafel gelegd. Laat men er in de gemeente zijn nut mee doen.
S. Meijers, Leiden

Prof. dr. K. Deddens, Dient Hem met vreugde! (deel I), uitgeverij Oosterbaan & Ie Cointre, Goes, 1988, prijs ƒ 25,90.
In dit keurig uitgevoerde boek van 240 bladzijden, waarin ook verschillende illustraties zijn opgenomen, behandelt de auteur, hoogleraar te Hamilton, de dienst van de ambtsdrager. Dit boek is deel I. D.w.z. er komt t.z.t. nog een deel, namelijk over de dienst van gemeenteleden.
Het boek bevat tien hoofdstukken, en een literatuurlijst (erg goed!). De hoofdstukken handelen achtereenvolgens over: De kerk, het ambt, de handoplegging, ambtelijke geheimhouding, Calvijn en de ambtelijke dienst, de catechese als onderwijzing in de verbondsdienst, huisbezoek, evangelisatie, diakenambt en zending.
Zoals de titel laat zien is het boek bedoeld als een oproep tot het dienen van de God van het verbond op blijmoedige wijze (10). Het boek is helder geschreven en biedt heel wat bijbels en historisch materiaal over de diverse facetten van de kerkelijke arbeid. Het principiële geluid normeert de praktijk. Dat is positief. Het hoofdstuk over Calvijn en de ambtelijke dienst heeft me erg aangesproken. Vooral de pastorale invulling van zijn ambt als dienaar van het Woord. Ook is het een goede zaak om onderwerpen als de ambtelijke geheimhouding aan de orde te stellen. De diakonale opdracht van de gemeente krijgt eveneens goede aandacht.
Vragen heb ik overigens wel aan de auteur. Spreekt hij niet te ongenuanceerd over de Herv. Kerk als hotelkerk (21)? Het is toch niet waar, dat buiten de kerk van de auteur de catechismuspreek allang verdwenen is (150). In de uiteenzetting over Calvijns ambtsbeschouwing mis ik diens visie op het doctorenambt. Verdere doordenking vraagt de verhouding ambt en charisma (43) en de theologische betekenis van de handoplegging (52v). Wijst de driedeling van de Heidelberger ook niet op Lutherse invloed (137). Verg. De Regensburger Catechismus, die de driedeling ook al kende. Ook vraag ik me af of de auteur de taak van de ouderling en de evangelisatorische taak niet geforceerd uit elkaar houdt. Deze taken lopen in de praktijk toch door elkaar, tot in één of het zelfde gezin. Vandaar D.K.O. 23. Ook lijkt het me beter om zending (hoofdstuk 8) en evangelisatie (hoofdstuk 10) meer als een eenheid op elkaar te betrekken.
Deze opmerkingen mijnerzijds zijn niet bedoeld als een terzijdestelling van het boek. Integendeel, ze zijn een teken dat het onderwerp dat wordt aangereikt en de wijze waarop dat gebeurt, boeiend, aktueel en van groot belang zijn.
W. V., Hierden

[Tekst foto: Het door Herodes aangelegde aquaduct om water van de berg Karmel naar Caesarea te vervoeren.

Uit: Edwin Yamauchi, 'De wereld van de eerste christenen', uitgave J. N. Voorhoeve, Den Haag.]

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1988

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Boekbesprekingen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1988

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's