De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Zelfs de paardestal heilig

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zelfs de paardestal heilig

10 minuten leestijd

We zijn rijk bedeeld, vórstelijk bedeeld zelfs. De Vorst des Levens kwam laag neer op deze aarde en schonk Zichzelf weg aan een wereld verloren in schuld. Als het erop aan komt zijn we allemaal mensen van de be-déling, rechteloos, geen recht op enige gunst van Boven. Desalniettemin gaf God de grootste gave, die Hij had, opdat armen rijk, nederigen verhoogd zouden worden. Blinden mochten zien en doven horen. Kreupelen mochten wandelen en – toppunt van genade! –aan armen werd het Evangelie verkondigd.
Intussen gaat het in het Koninkrijk Gods toch ook geheel anders toe dan in de wereld, waar ook wel sprake was en is van be-déling. Be-deling is dan negatief geladen, geschiedde menigmaal uit de hoogte. Ergens hoog troonde de gever. In de laagte zat de ontvanger. Die werd niet ge-diend door de gever maar be-diend, be-dééld.
Alzo niet bij Christus. Hij moet ons mensen diep ophalen, uit verre gewesten terecht brengen. Nochtans zegt Hij, dat Hij niet gekomen is om gediend te worden maar om te dienen en Zijn leven te geven tot een rantsoen voor velen. Hij kwam niet om te be-délen maar om te dienen.
De Schrift is veelzijdig. Enerzijds is er sprake van, dat we als vijanden met God worden verzoend. Maar Christus maakt vijanden tot vrienden. Zo zegt Hij het in Johannes 15 tot de zijnen: 'Ik noem u niet meer dienstknechten; want de dienstknecht weet niet wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd; want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb ik u bekend gemaakt.' En dan zegt Jezus hen, dat ze heen zullen gaan en vrucht dragen, nadat Hij óók gezegd heeft: 'Gij zijt Mijn vrienden, zo gij doet wat Ik u gebied'. Voor die vrienden gaf Hij Zijn leven.
Het gaat in het Koninkrijk Gods royaler toe dan in de aardse bedeling, waarin de barmhartigheden van de goddelozen wreed zijn. De geschiedenis is daar toch vol van?

Dienen
In de twintiger jaren noemde dr. J. G. Woelderink de kerk een be-délingsinstituut, dit vanwege de wijze waarop zij in grote trekken diakonaal oefende. En prof. dr. H. Visscher schreef een vlammende brochure onder de titel 'Gij diakenenen'. Het was in vroeger tijd niet altijd een pretje om bij de diakenen, bij de Hoge Heren te komen. Gelukkig is er veel veranderd. En toch hebben we onszelf, diakenen en gemeenteleden, in kerk en gemeente steeds de vraag te stellen of inderdaad onze instelling in deze wel recht is voor God en de mensen. Is dat gevoelen in ons, dat ook in Christus Jezus was? Voor Hem was het geen roof aan God gelijk te zijn. Toch vernietigde Hij Zich, nam de gestalte van een dienstknecht aan en is de mensen in alles gelijk geworden. Hij werd onzer Één. Kwam op gelijke hoogte met ons. Hij noemde vrienden wie ooit Zijn vijanden waren.

Dat gevoelen zal ook in ons zijn, zegt Paulus. In de navolging zullen we het beeld van Jezus dragen, zullen we uitleven wat Hij voorleefde. We zullen als kerk dus geen be-délingsinstituut zijn. In Israël mochten geen bedelaars zijn. In de kerk derhalve geen be-déling met in stand houden van de bedelstand. De christen zal op de hoogte staan van hen, die van alles berooid zijn, van verschoppelingen en paria's in deze wereld.
Hoe gemakkelijk echter sluipt immer weer de Farizeeër binnen bij alles wat we als kerk en gemeente en als afzonderlijke christenen doen: wij doen zo veel vóór noodlijdenden her en der. In plaats dat we beseffen dat we allen schepselen Gods zijn, maar als gévallen schepselen alle rechten op Gods gaven missen en dus allen op genade aangewezen zijn en genadebrood eten mogen! Wij – de gevers – noemen hen – de ontvangers – in Christus' Naam óók vrienden en ontvangen hun gaven op andere wijze. Wij treden op hun hoogte en delen wat God óns aan gaven gegeven heeft. Alle hovaardij krijgt een bijbelse nekslag.

Niet bij machte
In de lofzang van Maria lezen we dat God machtigen van de troon heeft gestoten en dat Hij de geringen verhoogt. Dat hongerigen met goederen worden vervuld en rijken leeg worden heen gezonden. Als machtigen op hun tronen blijven en weigeren er voor het welzijn van hun volk te zijn, dan keert God soms de rollen om. 'Wij hebben dus ijverig op onze hoede te zijn tegen de zelfverheffing, waartoe de voorspoed ons zou kunnen brengen', zegt Calvijn bij deze teksten. Hij spreekt over lotswisseling om reden dat diegenen! die hoger dan anderen geplaatst zijn, niet alleen smadelijk op hun naasten neerzien maar zo ook opstaan tegen Hem, Die hen in hoogheid stelde.


Het is echter nog maar de vraag of we in onze verzadigde samenleving nog wel in staat zijn om inderdaad dát gevoelen te hebben, dat ook in Christus Jezus was: arm geworden daar Hij rijk was; gekomen niet om gediend te worden maar om te dienen; in de navolging zeggen: 'Gij zijt mijn vrienden'.
Wie van genade weet, wie ervan weet diep opgehaald te zijn uit de modder van het eigen natuurlijke bestaan, weet ook van mededeelzaamheid in het geestelijke. Maar als het goed is toch ook in het sociale? Sociale bewogenheid is iets anders dan be-déling. We weten echter niet meer te delen zoals het behoort. We zijn er niet meer toe bij machte, omdat de tegenstellingen te groot zijn in de wereld en we persoonlijk niet meer weten, waar we moeten beginnen als het om de wereldnood gaat. En ook niet omdat we dichtbij de verantwoordelijkheden van en binnen de christelijke gemeente al lang uit handen hebben gegeven, in handen van de verregaande verzorgingsstaat, die we ook niet meer terug kunnen schroeven.

Alibi
Daar komt nog iets bij. Altijd weer stellen we bij het lenigen van noden in de wereld de vraag of één en ander wel langs rechte principes verloopt. Onze rechtzinnigheid snijdt vaak zoveel wegen af, waarlangs Koning Jezus op een ezel voorbijtrekt. Dat was al zo in de gelijkenis, die Jezus vertelde van de man, die neerlag langs de weg, door rovers overvallen. De priester en de leviet gingen hem haastig voorbij om in de tempel hun rechtzinnigheid te bewijzen. Totdat een man zich over hem boog: 'en deze was een Samaritaan', zegt Jezus.
Hoevelen hebben in de loop der eeuwen niet, in een diepe passie om wat ze bij en in Jezus zagen, hun leven gedeeld met dat van de armsten der armen. Voor zover zij dit aan één van de minsten deden deden ze het aan Hem.
Nee, niet ieder is daartoe op dezelfde wijze geroepen of in de gelegenheid.
Niet ieder kan als moeder Teresa in de straten van het verpauperde Calcutta werken; of als ooit Kagawa, de tot Christus bekeerde Japanse boeddhist, die al op 19-jarige leeftijd onder de melaatsen in Kobe leefde en werkte.
Ook ik schrijf deze regels vanuit een gemakkelijke stoel met alles om me heen wat ik nodig heb en meer dan dat. Maar de vraag mogen we elkaar stellen, juist in deze kersttijd, nu de verkoop dit jaar tot recordhoogte is gestegen, of we nog in staat zijn tot zulk dienstbetoon, in die zin dat we alle ja-maars achter ons laten om te géven niet alleen maar zonder aanzien des persoons te geven.


Een christelijke gemeente, die niet lijdt aan het lijden in deze wereld en overal rechtzinnige alibi's zoekt, mist belangrijke vruchten van de Geest.
De geest van de be-déling is nog niet weg. Praktijken uit het verleden, toen diakonale gelden in een zweetdoek werden bewaard, terwijl de nood vlakbij hoog was, zijn er nog. Goed geld wordt soms naar kwaad geld gebracht. Mensen voelen zich gedrongen iets te geven, iets te doen. Omdat echter zo weinig de toets van de kritiek, van wat in hun ogen nog pricipieel is kan doorstaan wordt geld dáár gebracht, waar het niet nodig is en waar het niet besteed kan worden. Er zijn wat dit betreft ook vandaag schrijnende toestanden.
Gij diakenen, schreef Visscher. Zijn uitroep valt te verbreden, naar links en naar rechts.

Heilig
Met de komst van Christus op deze aarde is het mogelijk geworden dat vijanden Gods weer vrienden worden, dat goddelozen gerechtvaardigd worden, maar ook dat barmhartigheid en gerechtigheid geoefend worden. Er is intussen in principe ook een nieuwe glans gekomen over de aarde en de verhoudingen op aarde, hoe weinig we er soms ook van mogen zien.
Er staat in de Schrift een merkwaardig en tegelijk hoopgevend woord, messiaans van aard en dus te lezen met het oog op Messias Jezus, die gekomen is. Ik bedoel het woord uit Zacharia 14 : 20: 'Te dien dage zal op de bellen der paarden staan: DE HEILIGHEID DES HEEREN'. Dat zal gebeuren als het grote loofhuttenfeest wordt gevierd. Het zal dan de zonde van de Egyptenaars en van de heidenen zijn als ze niet optrekken naar dat feest.

Wat is dat voor feest? Calvijn zegt, dat God dan zó de Koning van de wereld zal zijn, dat alles gewijd zal zijn aan Zijn dienst en dat er niets zó goddeloos zal zijn in de wereld, dat niet van aard zal veranderen, 'zodat het wordt geheiligd aan de dienst van God'.
Op de stallen van de paarden (in plaats van bellen kan ook stallen vertaald worden, v.d.G.) zal staan heilig, 'de heiligheid des Heeren'. Dat stond ook op de hoofdbedekking van de Hogepriester. Hier wordt dus – zo zegt Calvijn – een verband gelegd tussen de gewijde en de ongewijde dingen. 'Zelfs de paardestal, die altijd stinkt, zal heilig zijn voor God'. Maar ook als men toch met bellen of hoofdstellen of halsbeugels vertalen wil en men op oorlogspaarden ziet dan is dat ook van grote betekenis. Want ieder, die in een oorlog terecht komt, bezoedelt zijn handen. De heiligheid op de bellen van de paarden roept op niets onheiligs te doen, zelfs niet in de oorlog, en profeteert zelfs van betere dingen dan oorlog.


Alles geheiligd in deze wereld! Dat is onvoorstelbaar.

Hongerigen met goederen vervuld.
Nederigen verhoogd.
Geen onrecht meer.
Geen leed of verderf meer.
Alles onder de noemer van de heiligheid des Heeren. En dat vanwege het Heilig Kind Jezus, dat mens werd, terwijl Hij Zone Gods was.
Kerst heeft perspectief. Er kan nog wel heel wat water door de rivieren van deze aarde stromen, vóór het zover is, dat er geen leed of verderf meer is op de ganse berg van Gods Heiligheid. Het gaat er wél naar toe.
In de tijd, die rest, zal de kerk geen be-délingsinstituut zijn maar uitdeler zijn van de menigvuldige genade. Daarbij en daarin hebben ook de ongewijde dingen, op een voor ons (nog) verborgen wijze, een plaats. Kerst gaat een keer over in het grote loofhuttenfeest. Heiligheid in alles.
Omdat het Heilig Kind Jezus een beestenstal tot woning kreeg zal zelfs op de paardestal een keer heilig staan. Tot die tijd mag de kerk hoedster, verkondigster zijn van het heil, dat nooit vergaan zal.

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1988

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Zelfs de paardestal heilig

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1988

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's