Betlehem
De avond valt, mijn voeten gaan steeds trager.
Daar in de verte… zou de stad daar zijn?
Ach Jozef, leg je arm nog even lager
want in mijn lenden brandt zo'n vreemde pijn…
O lange weg, door voeten uitgesleten.
Nooit was een pad mij zo'n oneindigheid!
Zou Jozef hier ook ergens slaapplaats weten?
O rust, heb ik je eerder zo verbeid?
De poort is gepasseerd, nu gaat het einde komen.
We zijn er, zelfs op deze dag volgt weer een nacht.
Kijk, Jozef neemt het geld wat hij heeft meegenomen.
Hij klopt al op een deur en wacht…
Maar tevergeefs, geen slaapplaats voor ons beiden
'er is geen bed meer leeg binnen de poort'.
Ik durf niet aan te nemen wat hij zeide
en zoekend naar de herberg gaan wij voort.
De waard staat ons wel vriendelijk te woord
en in zijn ogen zie ik medelijden.
Hij zegt; 'Hebt gij het dan nog niet gehoord
de stad stroomt vol van alle vier de zijden!'
'Wat kan ik nog bedenken', zegt hij zacht
en op mij wijzend, 'gij zult nog bezwijken.
Ga rusten in mijn lege stal vannacht,
dan kunt ge morgen naar wat anders kijken'.
Hij geeft ons nog een lamp en zegt: 'Het is niet ver'
Maar zonder Jozefs steun was ik er nooit gekomen.
De nacht is om ons heen er fonkelt reeds een ster
de wind komt plotseling en schudt de bomen.
Uit: Joke Verweerd, 'Immanuël: God onder ons', uitgave Boekencentrum, 's-Gravenhage.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1988
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1988
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's