De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

C. H. Spurgeon tussen uitersten (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

C. H. Spurgeon tussen uitersten (3)

5 minuten leestijd

Modernisme
Spurgeon's vertolking en toepassing van het 'sola Scriptura'-principe (alleen door de Schrift) deden hem, tijdens zijn laatste levensjaren, ook in het geweer komen tegen de modernistische theologie en de Schriftkritiek. Voor hem was het Schriftgezag opnieuw in het geding.
Nergens heeft Spurgeon een poging gewaagd om de resultaten van dat moderne Bijbelonderzoek eventueel op een directe wijze te weerleggen; gezien zijn gebrek aan een theologisch-wetenschappelijke opleiding, zou hij dit ook niet hebben gekund. Hij zou dit echter ook niet hebben gewild. En het valt te betwijfelen of hij van de 'nood' een deugd maakte, toen hij de destijds in zwang rakende Schriftkritiek op een indirecte wijze aanviel door te stellen dat alle wetenschappelijke 'resultaten' ten diepste berusten op hypothesen (veronderstellingen).
Het Woord Gods is onfeilbaar en niet de wetenschap omtrent dit Woord: 'Is dit ding, genaamd wetenschap, onfeilbaar?' De geschiedenis van de onwetenheid, die zichzelf filosofie noemt, is absoluut te vereenzelvigen met de geschiedenis van dwazen, behalve waar het overgaat in krankzinnigheid. Er is weinig theorie in de wetenschap van vandaag die twintig jaren overleeft, en slechts een beetje meer, dat de eerste dag van de twintigste eeuw zal zien. We reizen zo snel, dat we net zo gauw aan een stel wetenschappelijke veronderstellingen voorbij vliegen, als we telegraafpalen passeren wanneer we in expressetreinen rijden.'
Spurgeon's verstaan van de Heilige Schrift was gebaseerd – ten aanzien van de inspiratie van het Woord van God – op de overtuiging, dat in de Heilige Schrift alles geïnspireerd is of niets. Dus als het ene in de Bijbel door de Heilige Geest is ingegeven, dan ook al het andere, zonder enige uitzondering. En vanzelf gold dan ook voor Spurgeon het omgekeerde.
Het gezag van de Schrift was voor hem doorslaggevend, ook ten aanzien van haar heilshistorische betekenis: 'Als het boek Genesis een allegorie is (dus niet echt gebeurd), dan is de Bijbel helemaal een allegorie.' Het feit dat de zondeval van de eerste Adam echt gebeurd is, is immers bepalend voor de heilsfeiten van de vleeswording, de dood en de opstanding van de tweede Adam, die dan ook echt gebeurd zijn.
Het gezag van het Woord van God betreft de gehele Heilige Schrift en is bepalend voor haar betrouwbaarheid: 'We zullen nooit proberen de helft van de waarheid te redden door enig deel van haar weg te werpen. Wij zullen bij alles daarvan blijven staan of bij niets daarvan. We zullen een gehele Bijbel hebben of geen Bijbel.'
Spurgeon meende bij het modernistisch verstaan van de Heilige Schrift een ongebreideld subjectivisme te onderkennen: 'Mensen ondervragen de Schriften zelf… Dit is iets nieuws onder ons Israël. Voor sommigen heeft de leer van de Schrift geen doorslaggevend gezag; hun innerlijk bewustzijn, hun culturele vorming, of enige andere onbekende grootheid, is hun vaste punt, als ze ergens een vast punt hebben.'
Bij de bestrijding van onderliggende Darwinistische theoriën (evolutieleer) nam hij doorgaans zijn toevlucht tot het belachelijk maken van deze leer: 'De ergste soort knappe mensen zijn diegenen, die het beter weten dan de Bijbel en zó geleerd zijn, dat ze geloven dat de wereld geen maker had, en dat mensen alleen maar apen zijn met afgesleten staarten… Als het op deze manier doorgaat, is een arme boer niet meer in staat om te zeggen wie de gek is en wie de filosoof.'
Spurgeon was ervan overtuigd, dat de modernistische theologie moest leiden tot een ongodsdienstig moralisme met alle gevolgen van dien: 'De ethische kant van de verzoening wordt herhaaldelijk aangehouden en schoon en treffend de mensen voorgesteld; maar wij zijn niet tevreden met deze eenzijdige kijk op deze grote zaak. Wat ook de schaduw van de verzoening moge zijn – waarmee we zijn ethische invloed bedoelen – we geloven dat er een wezenlijke zelfstandigheid in de verzoening is; en als die zelfstandigheid verwijderd wordt, dan is de schaduw ook weg.'
Het ging bij Spurgeon met betrekking tot het bepalen van zijn standpunt tegenover het Modernisme allerminst om randkwesties, maar om de wezenlijke zaken van leven en dood. Eigenlijk vond hij, dat in zijn tijd precies dezelfde geloofsartikelen in het geding waren als in de tijd van de Reformatie! Immers, als de verzoening door voldoening geloochend wordt, dan haalt men de leer van de rechtvaardiging door het geloof weg. En daarom vond hij, dat het Modernisme in wezen iets anders was dan een poging om het wettisch systeem terug te brengen van het verdienen van de zaligheid door de werken der wet; niets minder dan de genade zelfwas in het geding: 'Onze strijd is dezelfde als die, welke Luther streed in de Reformatie. Als u doorgaat tot de wortel daarvan (het Modernisme), dan blijkt genade weggenomen te zijn en de menselijke verdienste daarvoor in de plaats gesteld… Ieder mens is nu zijn eigen zaligmaker geworden… Ik ben verloren als Jezus mijn plaatsvervanger niet is…'
En als de Modernisten van mening waren, dat hun wijze van theologiseren 'bevrijdend' werkte, dan maakten ze toch een enorme vergissing: 'Sommigen denken, dat wij arme zielen zijn, die van de Puriteinse School zijn en gekooid, ingesloten en geboeid worden door strenge dogma's, waaruit we graag zouden ontsnappen… Calvijn wordt verondersteld ons te berijden als een nachtmerrie en wij zouden een hondeleven leiden onder zijn zweep. Broeders, het is precies andersom. Weinig weten deze lasteraars van ons geluk en van onze vrede'.
Weliswaar stond Spurgeon al te onkritisch tegenover de oude vertrouwde Puriteinse Schriftuitleg en verwierp hij al te naïef de resultaten van het wetenschappelijkexegetisch onderzoek, waardoor zijn positie tegenover het Modernisme wat minder onderbouwd en onderlegd was.
Toch moet zijn uitgangspunt in het Schriftgezag als zodanig van zeer wezenlijk belang worden genoemd.

C. A. van der Sluijs, Veenendaal

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1988

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

C. H. Spurgeon tussen uitersten (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1988

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's