De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

11 minuten leestijd

Een synodale schuldbelijdenis
Op vrijdag 25 november nam de synode van de Gereformeerde Kerken een verklaring aan, waarin schuld beleden werd over het aandeel van deze kerken in het conflict dat leidde tot de tuchtmaatregelen jegens Schilder c.s. en de vrijmaking. De verklaring luidt als volgt (volgens de tekst in het Centraal Weekblad van 2 december:

Allereerst willen wij, terugkijkend naar de gebeurtenissen van 1944 en volgende jaren, onze droefheid uitspreken over het aandeel van onze kerken in de scheur die toen in onze kerken is gekomen.
Wij erkennen dat onze kerken in die tijd in haar zorg voor de zuiverheid van de leer, te zeer een struikelblok hebben gelegd voor broeders en zusters. Onze kerken kunnen zonder de leerbeslissingen over verbond en doop, zoals blijkt uit de terzijdestelling in 1959; en daarom hadden de leeruitspraken, toen bleek dat zij niet de gewenste rust brachten maar integendeel tegenspraak opriepen, niet als bindend moeten worden gehandhaafd.
Onze kerken hebben te weinig oog gehad voor de gewetensnood van broeders en zusters, en zijn zo zelf mee aanleiding geworden voor de door haar gewraakte scheurmaking. Daarom hadden onze kerken van tuchtoefening moeten afzien. En ook al is wat is gebeurd niet meer te veranderen, wij betreuren ten zeerste dat onze kerken zelf de aanleiding zijn dat broeders en zusters de last van de veroordeling wegens scheurmakerij hebben moeten dragen en nog steeds dragen.
Wij vragen de kerken met ons te bidden om de Geest die heel maakt.'

De verklaring heeft heel wat pennen losgemaakt. Tot in de dagbladen toe is er over geschreven. Naast dankbaarheid over de uitspraak is er ook bij velen aarzeling, ja afwijzing te bespeuren. Van vrijgemaakte zijde lazen we een reaktie van ds. J. M. Goedhart in de Kerkbode voor het Noorden (overgenomen in de Reformatie van 17 december in de persschouw. Goedhart schrijft onder meer:

Wij begrijpen best hoe de synode van Almere tot haar verklaring kwam. Haar kerken kunnen het niet meer maken achter alles wat van haar kant gezegd en gedaan is rondom 1944 te blijven staan. Dat kunnen ze niet meer maken omdat in haar midden de leervrijheid heerst. Theologen als prof. dr. H. M. Kuitert, die wat de opstanding van de Heiland betreft wel van veertig interpretaties spreekt, en als dr. H. Wiersinga, die het verzoeningswerk van de Heiland zoals we dat uit de Bijbel kennen ronduit loochent, en als al diegenen, die Genesis 11-11 sage, mythe, legende, wat ook maar achten, en ook als diegenen, die homosexuele verhoudingen tot in de pastorie goedkeuren en die van abortus provocatus niet afkerig zijn, enzovoorts, enzovoorts, wordt 'vrij spel' gegeven. Hun wordt geen strobreed in de weg gelegd.
Maar dan is het toch niet meer mógelijk een binding aan een theorie als die van de veronderstelde wedergeboorte te verdedigen en het met tuchtmaatregelen treffen van hen die zo'n binding aan zo'n theorie verwierpen en verwerpen?

Geen waarde
En daarom heeft die verklaring van de synode van Almere ook geen waarde. Die heeft geen waarde, omdat haar kerken niet meer voor wat zij tóén deden kunnen blijven staan in het licht van wat ze nú toelaten. En ook omdat ze de schuld van de breuk van 1944 toch nog weer naar 'onze' Kerken toeschuift. Háár kerken zijn alleen maar méé-schuldig, zegt zij immers.

We kunnen niet dankbaar zijn voor de verklaring van de synode van Almere. Omdat er geen radicale terugkeer is naar het Woord van de Here. Omdat men op de weg van afwijking van dat Woord blijft. Daarom moeten we zeggen dat die verklaring ons geen stap verder brengt. En geen stap dichter tot elkaar. Helaas.
Was het maar waar dat daar in de synodale kerken radicale bekering kwam. Een wègdoen van alles wat tegen het Woord en de belijdenis ingaat. Wat zouden we ons dàn verheugen. Nú hebben we de pijn van 1944 slechts opnieuw gevoeld.
Vanwege de scheur die toen door de kerken van de synode van Almere werd getrokken en die dwars door families en gezinnen is heengegaan. Die dwars door de Kèrken is heengegaan.

Ik laat de argumenten die deze scribent aanvoert, hier rusten. Ik kan ze, zeker wanneer ik me probeer in te leven in de vrijgemaakte kerkvisie begrijpen, en ik onderken ook het probleem dat Goedhart signaleert: wel schuldbelijdenis, maar geen terugkeer tot de belijdenis der vaderen. En toch zit me de toon van dit artikel dwars. Had op zijn minst niet dankbaarheid uitgesproken kunnen worden over het feit dat dan toch, om met Van 't Spijker te spreken, gepoogd is recht te doen aan hen die onrecht geleden hebben, voorzover dat mogelijk is. Het is toch niet niets, wanneer een ambtelijke vergadering van de kerk officieel droefheid uitspreekt over wat er gebeurd is. Pijnlijk mis ik in het stuk van Goedhart ook elke notie van eigen kerkelijk tekort. In een kerkelijk conflict is toch nooit één partij de schuldige. Dat er aan weerszijden in de felheid van de polemiek en de maatregelen gefaald is, zal toch niemand kunnen betwisten.

Overigens roept de verklaring wel vragen op. Van vrijgemaakte en chr. geref. zijde wordt terecht gewezen op het pijnlijke punt van de pluraliteit binnen de Gereformeerde kerken. Wat is de waarde van een schuldbelijdenis, als de vraag naar het rechte belijden in verbondenheid met de vaderen nauwelijks meer naar voren komt?

De historie vergeten
Van Gereformeerde zijde wordt de kritische vraag gesteld of het juist is, dat men afgezien heeft van historisch onderzoek.
Prof. dr. J. T. Bakker stelt in Evangelisch commentaar van 9 december de vraag, of de geschiedenis zich zo makkelijk laat verwijderen. Hoe zit het met degenen die destijds de maatregelen moesten nemen? Zijn die schuldig verklaard door deze schuldbelijdenis? Of moeten we spreken van tragiek? Je krijgt de indruk dat men die vragen in het midden gelaten heeft. Maar kan dat? In Trouw heeft Prof. H. Ridderbos nogal bezwaren geuit tegen de synodale verklaring. Ook zijn Kamper collega Runia stelt vragen bij deze verklaring (CW 16 december):

Maar er is nog een andere reden waarom die vierenveertig jaar een belangrijke rol spelen. Ze betekenen ook dat we al zover van het gebeuren afstaan dat het voor ons vandaag heel moeilijk is om onszelf een verantwoord oordeel te vormen over wat er toen werkelijk gebeurd is. De commissie die de synode moest adviseren, zegt zelf dat een beoordeling van de Vrijmaking en haar voorgeschiedenis een 'historisch onderzoek' vergt. Ze geeft ook toe dat een dergelijk onderzoek 'heel waardevol' zou kunnen zijn. Maar ze ziet er vanaf, omdat de tijd dringt: er zijn nog steeds mensen die zich gestempeld voelen met 'toen schuldig' en die mensen moeten zo snel mogelijk iets horen. Er kan dan ook niet langer gewacht worden.
Tegelijk is de commissie van oordeel dat 'onze kerken er verkeerd aan hebben gedaan vast te houden en te binden aan de leerbeslissing (van 1943-1944)'. Wat dat betekent voor een schuldbelijdenis vindt u in de tekst van de schuldbelijdenis zelf.

Verstandig?
Maar kan het zo wel? Gaat dit niet allemaal veel te snel en veel te gemakkelijk? Het kan niet ontkend worden dat hier inmiddels wèl een 'historisch oordeel' wordt uitgesproken, zònder enig 'historisch onderzoek'. Onze kerken zijn toen gewoon fout geweest. Maar betekent dit niet een simplificering van de ingewikkelde situatie waarin onze kerken zich toen bevonden?

'Onze kerken hadden een te grote zorg voor de zuiverheid van de leer'. Ja, dat zeggen we nu, op een afstand van vierenveertig jaar. Maar op dat moment deelden allen deze visie, ook zij die het toen niet met de leeruitspraken eens waren en die daardoor met tucht in aanraking kwamen.

'Onze synode had toen al die maatregelen niet moeten nemen.' Dat is vandaag gemakkelijk te zeggen. Maar hoe was de situatie tóen? Kon de synode in die situatie eigenlijk wel anders handelen dan ze deed? Ik herinner me heel goed dat ik na de oorlog, toen ik theologie studeerde en eigenlijk voor het eerst met de hele zaak in aanraking kwam (het speelde in onze eigen familie helemaal niet), er ook niets van begreep en belet vroeg bij prof. dr. C. van der Woude, toen nog predikant in Leeuwarden. Ik legde hem mijn vraag voor: hadden jullie dit niet kunnen voorkomen? Zijn antwoord was: we hebben letterlijk alles geprobeerd om een conflict te voorkomen. We hebben als moderamen Schilder aangeboden om hem op zijn onderduikadres op te zoeken en de zaken door te praten, maar we kregen telkens weer nul op het rekest. Ook dàt is een kant van de zaak!
Juist omdat deze zaak historisch zo gecompliceerd is, ben ik van mening dat een dergelijke schuldbelijdenis zonder enig historisch onderzoek niet reëel en verstandig is. De geschiedenis wordt gemakkelijk scheefgetrokken en zij die op dat moment bepaalde beslissingen móesten nemen worden impliciet veroodeeld. Uiteraard spreek ik hiermee geen enkel oordeel uit over de 'schuldgevoelens' van prof. Berkouwer. Wat hij er vandaag, óók na vierenveertig jaar, aan gevoelens heeft overgehouden, respecteer ik. Maar het is iets heel anders dat nu een synode deze gevoelens gaat overnemen en vanuit een totaal verschillende historische situatie een schuldbelijdenis uitspreekt namens de hele kerk, ook namens hen die toen naar beste eer en geweten gehandeld hebben.

Runia zelf is van oordeel dat de schuldbelijdenis naar de kant van de vrijgemaakten weinig effectief blijkt te zijn, gelet op de eerste reakties. Zijns inziens is de enige weg die van een gemeenschappelijke schuldbelijdenis. Ook Bakker pleit in EC voor een anders opgezette schuldbelijdenis. We hebben er, zegt hij, samen een kluwen van gemaakt die ons in de ellende gedreven heeft.
Men komt, denk ik, toch weer bij de kluwen terecht, die wij samen ervan gemaakt hebben en die ons in de ellende dreef. Dan hebben we het over de kerk en het kerkrecht en de manier van denken over de leer, die wij samen, veertig jaar geleden, er op na hielden: te weinig aandacht voor wat er buiten onze kring gebeurde; een onkritisch gevoel van superioriteit en kerkelijke welgedaanheid; theologen die elkaar het licht in de ogen vaak nauwelijks gunden; en een veel te nauwe verwevenheid van kerk en theologie, tot op 3 cijfers achter de komma.
Als het over verklaringen gaat: daarover zouden we – met elkaar – schuld kunnen belijden. Want we hebben er ook nog nauwelijks iets van geleerd. Van de weeromstuit heeft de ene partij een dure eed gezworen nooit weer te proberen een bindend woord – waarover dan ook – te formuleren. En de andere heeft de band nog wat strakker aangehaald dan ze in 1944 was. Alsof dat oplossingen zijn voor het probleem van 'de rechte leer'! Schuld zou ik kunnen belijden over dat, wat we zo elkaar hebben aangedaan en de impasse, waarin we elkaar hebben vastgedreven. En daarmee beiden terecht gekomen in een onmacht om, bij alle dankbaarheid voor hetzij ruimte (ter enerzijde) of belijndheid (ter anderer zijde) werkelijk een woord te spreken en een kerkgestalte te zijn, die spiegel van Christus is.

Een gemeenschappelijke schuldbelijdenis… Het valt te vestaan dat Runia dit als (enige) weg aanwijst. Maar tegelijk komt daarmee de problematiek van de gereformeerde gezindte, ja van de kerken der Reformatie in het vizier. Want bij een gezamenlijke schuldbelijdenis – en ik ben het met Runia eens: het gaat niet om een persoonlijke zaak, of zaak van één kerk – komt ook de vraag naar de waarheid en het funktioneren van de belijdenis ter sprake. Dan zal er over en weer een kerkelijk gespek moeten zijn rondom de geopende Bijbel en zullen we ons allen hebben te bekeren tot een waarachtig willen luisteren naar wat de Geest in het Woord tot de gemeente zegt. Dan hebben we het niet alleen over het verleden, maar ook over de situatie nu en de weg van de kerk naar de toekomst.
Een gezamenlijke schuldbelijdenis als weg tot een nieuwe ontmoeting. Het lijkt, gelet op de kerkelijke verwarring (enerzijds een zich neerleggen bij de pluraliteit, anderzijds een steeds strakker isolement) een wensdroom. Maar het zou wel zeer ongeestelijk zijn als we zouden berusten in de onbekeerlijkheid van het mensenhart. Wij hebben het immers over de kerk, de plek waar Jezus met zondaren wil samenwonen (Koopmans). Ik schrijf deze regels kort voor het Kerstfeest. De boodschap van Kerst spreekt ons van Hem Die, zoals Mattheus 1 zegt, gekomen is om zijn volk te redden van hun zonden. De naam Jezus betekent ook Heelmaker. Het wonder van de Kerstnacht getuigt van Gods heilswerk, dat onze onmogelijkheden te boven gaat en doorbreekt. Zouden we daar ook voor de weg van de kerken geen grote dingen van mogen verwachten?

A. N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's