De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ik geloof de gemeenschap der heiligen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ik geloof de gemeenschap der heiligen

7 minuten leestijd

Al enige jaren behoort ds. H. J. Hegger, bekend van zijn werk voor de stichting 'In de Rechte Straat' te Velp, tot de Nederlandse Hervormde Kerk. Na rooms-katholiek priester te zijn geweest trad hij toe tot de Gereformeerde Kerken in Nederland, nadat hij voor de beginselen van de Reformatie was ingewonnen.We hebben als redactie van ons blad ds. Hegger gevraagd enkele artikelen te schrijven over een door hemzelf gekozen thema. Het resultaat was een viertal artikelen, waarin hij zijn visie op Kerk en Gemeente, ook in haar concrete gestalte vandaag, verwoordt. Bijgaand het tweede van de vier artikelen. Red.

In de voorafgaande artikelen heb ik de stelling verdedigd dat men zich niet van een kerk moet afscheiden tenzij men eruit 'gevloekt' wordt zoals gebeurd is door de Joodse synagoge in het jaar '85 en door het concilie van Trente tijdens de zesde zitting over de rechtvaardiging op 13 januari 1547.

Bezwaar
Het ligt voor de hand dat zij die het principe van de kerkelijke afscheiding verdedigen, zullen antwoorden:
'Maar moeten wij met onze kinderen dan maar elke zondag ons begeven onder een puur vrijzinnige prediking? Wij mogen zelf geen geestelijk vergif innemen en we mogen in geen geval toelaten dat aan onze kinderen dat vergif telkens wordt voortgezet en dat zij worden aangespoord om het te drinken'.

Dit bezwaar is volstrekt legitiem en, als aan dat bezwaar niet echt tegemoet wordt gekomen, zal men niemand mogen verwijten dat hij zich met zijn gezin afscheidt en met anderen een afgescheiden kerk opricht, indien er geen andere oplossing mogelijk is.

Noodoplossing
Maar die oplossing is er wèl. Zulke gelovigen kunnen eigen samenkomsten beleggen, zonder zich van het kerkverband af te scheiden.
Wanneer een vrijzinnige kerkeraad hen dat verbieden zou, geldt voor hen hetzelfde als wat Petrus en Johannes antwoordden aan hun kerkelijke overheid, toen die hen een spreekverbod over de Naam Jezus wilden opleggen:
'Oordeelt gij of het recht is voor God u meer te gehoorzamen dan God' (Hand. 4 : 19).
Ik meen ook dat zij zonder meer het recht hebben om met elkaar het Avondmaal te vieren. Immers, hoe zou het Sanhedrin destijds, en een vrijzinnige kerkeraad van nu, aan gelovigen kunnen verbieden om met elkaar in brood en wijn de heilige en genadige aanwezigheid van Christus te vieren, daar deze tekenen immers door Hemzelf als een blijvende opdracht zijn ingesteld? Zulk een verbod van een vrijzinnige kerkeraad zou nooit in Naam van Christus kunnen worden uitgevaardigd en zou dus ook nooit de gewetens van gelovigen kunnen binden.

De liefde boven het recht
Maar moet dit onderlinge samenkomen van gelovigen alleen maar beschouwd worden als een noodoplossing, die slechts geoorloofd is, wanneer er sprake is van een puur vrijzinnige kerkeraad?
Ik meen dat zulk een samenkomen te allen tijde een bijbels recht van de gelovigen is, al zal het wellicht verstandig zijn dat men niet onder elkaar, zonder toestemming van een rechtzinnige kerkeraad, het Avondmaal viert. Immers in dat geval ontstaat gemakkelijk een kerkje binnen de kerk en dat brengt vroeg of laat toch weer kerkscheuring teweeg.
Te allen tijde geldt de oproep van Paulus tot de onderlinge verdraagzaamheid. 'Laat ons dan elkander niet meer oordelen, maar oordeelt dit liever, namelijk dat gij de broeder geen aanstoot geeft'.
'Maar indien uw broeder om de spijs bedroefd wordt, zo wandelt gij niet meer naar de liefde' (Rom. 14 : 13, 15). Dat gaat dus heel zeker op, wanneer het de heilige Spijze van het Avondmaalsbrood betreft.

De eenheid onder elkaar in Hem
Waarom ik meen dat gelovigen te allen tijde het recht op zulk een onderling samenkomen hebben? Vanwege het bijbelse gegeven van de gemeenschap der heiligen zoals we dat ook belijden in het Apostolicum.
Deze gemeenschap (koinoonia) van de gelovigen is de eenheid in Jezus Christus en vanwege die eenheid in Hem, het Hoofd, ook de eenheid onder elkaar.
Voor deze levende eenheid onder de Zijnen heeft Jezus gebeden: opdat zij allen één zijn gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn' (Joh. 17 : 21).

De nieuwe liefde in Hem
Over de eenheid van de waarachtige gelovigen onder elkaar in Christus worden in de Bijbel sublieme dingen gezegd.
De Heere Jezus neemt als voorbeeld de levende eenheid van de ranken onder elkaar in de Hemzelf, de Wijnstok.
Daaruit volgt het nieuwe gebod van de liefde. Het gebod van de liefde is op zichzelf al in het Oude Testament te vinden. Maar nieuw is het gebod om elkaar lief te hebben in en door Hem. 'Een nieuw gebod geef Ik u dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat gij ook elkander liefhebt' (Joh. 13 : 34).

Eén in Hem met de voorganger
Die levende en liefhebbende eenheid in Christus komt niet voldoende tot uitdrukking en wordt niet voldoende beleefd door de zondagse kerkdiensten.
Zeker, wanneer de voorganger uit het Woord Christus als de Gekruisigde en Opgewekte ons voor de ogen schildert (Gal. 3 : 1), ervaren wij een stuk levende gemeenschap met deze voorganger in Christus en ook wel, zij het indirekt in het samen luisteren en samen zingen, een eenheid met elkaar.
Maar ik meen niet dat deze eenheid volledig beantwoordt aan wat de Bijbel daarover zegt. Er is méér.

Geen fysiekeversmelting
Petrus schrijft dat wij als levende stenen gevoegd moeten worden bij de levende Steen, Jezus Christus, om zo samen een geestelijk huis te vormen (1 Petr. 2 : 4, 5). Maar een geestelijke, levende eenheid met Christus voltrekt zich langs de weg van het in liefde kennen van Christus: 'En dit is het eeuwige leven dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus Die Gij gezonden hebt' (Joh. 17 : 3).
De eenheid met Christus is niet een eenheid door fysieke versmelting, maar een eenheid die ontstaat doordat wij in geloof en liefde onze blik altijd richten op Hem. Zo is ook de eenheid onder elkaar niet een eenheid door een geheimzinnige fysieke versmelting, maar doordat wij elkaar bewust kennen en herkennen in de levende Christus.
En dat kan alleen gebeuren door onderlinge, geestelijke gedachtenwisseling. Dan spreken we het tegenover elkaar uit dat wij al onze verwachting alleen stellen in Christus en dat alle liefde van ons hart allereerst uitgaat naar Hem, maar vervolgens ook, als een levende noodzaak, naar elkaar.

Praktische gevolgen
Als dat waar is, moet dat ook praktische konsekwenties hebben. Dan moet er naast de zondagse kerkdiensten ook de mogelijkheid zijn van een eenvoudig samenkomen als gelovigen om ook op deze manier de levende eenheid in Christus te beleven. Wanneer de kerk die ruimte niet (voldoende) biedt, moet men er zich niet over verbazen dat sommigen de kerk als een kil instituut zien. Ze missen er de warmte van het onderling samenzijn in liefde en verlaten daarom dan de kerk.
Dat er zovelen overgaan naar een of andere pinkstergemeente, komt naar ik meen niet daaruit voort dat zij het niet meer eens zijn met onze belijdenis, maar omdat ze elders veel meer warmte vinden. Ze nemen sommige uitwassen dan maar voor lief.
En de reden waarom onze kerken afbrokkelen en in eljk geval weinig aantrekkingskracht uitoefenen naar buiten, is dat wij misschien wel veel praten over het geloof, maar te weinig onderling spreken vanuit ons levend geloof in Christus.
Ik weet dat velen bang zijn voor zulke onderlinge samenkomsten van gelovigen. Ze kunnen bijv. wijzen op de ontaardingen van vroegere gezelschappen, maar waarom niet wijzen op de zegeningen daarvan, die er ook duidelijk waren?
Bovendien: zouden die ontaardingen ook niet voortgekomen zijn uit een wantrouwen van kerkeraden tegenover die gezelschappen? Wanneer kerkeraden zulk een onderling samenkomen van gelovigen positief zouden begroeten, zouden ze waarschijnlijk ook veel eerder de wijze leiding van de kerkeraad aanvaarden.
Ook wij, ambtsdragers, moeten voortdurend onze diepste drijfveren voor de Heere blootleggen.
Ds. G. Tourn schrijft in 'De Waldezen': 'Als dan ook de kerkelijke overheid – altijd argwanend tegenover elke soort van lekenaktiviteit die zou kunnen ontsnappen aan kerkelijke controle – hem het preken verbiedt, weigeren Waldes en zijn Amen te gehoorzamen' (p. 15).
Vanuit het monolitische machtssysteem van de R.K.-kerk is zulk een argwaan te begrijpen, maar de Reformatie heeft tegenover Rom juist de mondigheid van de 'leek', het deelhebben van elke gelovige aan het koninklijke, priesterlijke en profetische ambt van Christus, verdedigd.

Zo had ik het niet bedoeld
Tot slot: het bovenstaande heb ik verdedigd in 'Zij is Mijn bruid'. Ik heb in dat boek over dat onderlinge samenkomen van de gelovigen de term 'huisgemeente' gebruikt. Dat zal ik nooit meer doen, want uit de kritiek is gebleken dat men de bijbelse term 'gemeente ten huize van…' meteen verstaat als een kerkinstituut met eigen ouderlingen. En dat kàn natuurlijk niet, want dan heb je een kerkje binnen de kerk. Maar zo had ik het ook beslist niet bedoeld.

H. J. Hegger

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Ik geloof de gemeenschap der heiligen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's