De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wie was de dichter van 'Rechtvaardigmaking'? (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wie was de dichter van 'Rechtvaardigmaking'? (1)

6 minuten leestijd

(Notities rondom een misverstand)

In 'De Waarheidsvriend', 76e jaargang nummer 50 (het Kerstnummer van 22 december 1988) was op pagina 792 een gedicht aan te treffen onder de titel 'Rechtvaardigmaking'.
Als dichter stond onder dit gedicht vermeld de naam van B. Pictet. Het gedicht was overgenomen uit het deeltje 'Bekeer ons' uit de 'Lichtdragersserie', een uitgave van Den Hertog b.v. te Houten.
Deze uitgave is door Den Hertog met toestemming van de Stichting Reformatorische Publikatie samengesteld uit de korte dagmeditaties die men dagelijks vinden kan op pagina 2 van het Reformatorische Dagblad.
De genoemde Benedictus Pictet (1655-1724) was een theoloog, geboortig uit Genève, die nauwe kontakten had met tal van reformatorische geleerden in verschillende landen, waaronder ook in Nederland. De Universiteit van Leiden heeft ooit tevergeefs gepoogd Pictet als hoogleraar in de godgeleerdheid in haar gelederen op te nemen (1702).
Pictet heeft o.a. na de intrekking van het Edict van Nantes gearbeid onder de Franse réfugié's.
Hij overleed in 1724 en liet vele orthodox-gereformeerde geschriften na, waarvan in Nederland o.a. zijn 'Christelijke Zedeleer' bekend is geworden.
Pictet was ook dichter en leverde bij de Psalmen de eerste koralen die zijn opgenomen in het gezangboek van de kerk te Genève.

Probleem
Terstond na de eerste publikatie van bovengenoemd gedicht 'Rechtvaardigmaking' in het Reformatorisch Dagblad, trok dit gedicht allerwegen in reformatorische kring grote aandacht.
In allerlei bladen werd het overgenomen; het werd zelfs op wandtegeltjes uitgegeven, op linnen geborduurd, in preken en boeken aangehaald enz.
Ook waren er liefhebbers van reformatorische lektuur, die terstond een duik namen in de werken van Pictet en… vervolgens nergens het gedicht 'Rechtvaardigmaking' konden vinden.
Tal van keren werd ondergetekende, die lanes tijd de dagmeditaties op pagina 2 van het Reformatorisch Dagblad verzorgde, dan ook benaderd met de vraag waar toch wel precies dit gedicht van Pictet in zijn werken te vinden was.
Dit geschiedde vanuit zeer gevarieerde kerkelijke kring.
Blijkbaar sloeg het gedicht aan in kringen van de Ned. Herv. Kerk, Geref. Gemeenten, Oud-Geref. Gemeenten in Nederland enz.
Op zichzelf is dat een verheugende zaak. En het allergrootste zou wel zijn wanneer de inhoud van dit gedicht weerklank zou mogen vinden in menig door Gods genade levendgemaakt zondaarshart.

Oplossing
Ik heb steeds tot op zekere hoogte degenen die belang stelden in bijzonderheden aangaande de auteur van het gedicht 'Rechtvaardigmaking' uit de droom kunnen helpen. Wat wilde namelijk het geval (als ik het zo eens uitdrukken mag)?
Het gedicht is helemaal niet geschreven door Benedictus Pictet.
Daarom is het ook geen wonder dat het nergens in de werken van Pictet te vinden is. Het is zelfs niet uit de tijd van de gereformeerde 'oudvaders', maar een gedicht uit onze eigen tijd.
En nu dit gedicht opnieuw in wijde kring publikatie vindt, is het mijns inziens de tijd om nu openlijk het probleem rondom de dichter ervan de wereld uit te helpen. Aan de redaktie van het Reformatorisch Dagblad zond ik destijds een aantal dagmeditaties in ter publikatie op pagina 2. Daaronder bevond zich ook een kleine serie meditaties die door mij waren geput uit de werken van Benedictus Pictet. Tussen de ingezonden meditaties bevond zich echter ook het gedicht 'Rechtvaardigmaking', maar niet voorzien van de naam van de auteur van dit gedicht.
Dit was geen vergissing. Maar de zetter van het Reformatorisch Dagblad verkeerde in de veronderstelling dat vermelding van de naam per abuis vergeten was.
Gezien het onderschrift van de overige ingezonden meditaties nam hij te goeder trouw aan dat ook dit gedicht was overgenomen van Benedictus Pictet.
Dit was echter niet het geval. Maar zo kwam ten onrechte de naam van Pictet onder dit gedicht.
Telkens en telkens weer heb ik desgevraagd, ook aan het adres van befaamde predikanten, duidelijk gemaakt, dat dit gedicht niet was van Benedictus Pictet, noch van enige oudvader, maar van… een toen nog in leven zijnde persoon, belijdend lidmaat van de Nederlandse Hervormde Kerk, te weten de man die ik door genade mijn geestelijke vader noemen mag (1 Cor. 4 : 15).
Deze man was helemaal geen dichter, maar een eenvoudig teruggetrokken christen, die al mediterende uit de volheid van zijn gemoed en uit de beleving van zijn ziel zich op een gegeven ogenblik gedrongen voelde deze dichtregels neer te schrijven:

'Rechtvaardigmaking'
'Als onder 't heilig recht
de ziele niet meer vecht,
maar billijkt 't zondeloon,
wat haar ook overkoom',
rechtvaardigend haar God,
wat eeuwig zij haar lot;
als in haar laatste vreugde
(het eren van Gods deugden!)
de deugd van 't recht het wint,
al eist zij: Doodt het kind!
O, stonde van 't gericht,
O, dood'lijkst tijdsgewricht…

Toch wordt verloren gaan
door God niet toegestaan.
Hier wordt de Zoon gekust
eer z'op de weg vergaat.
Hier wordt zij welbewust
verzekerd van haar staat.
Hier drinkt zij 't Bloed des Lams,
't welk haar in 't leven laat.
Hier wordt de toorn geblust
en is het: vreë met God
door 't Offer van Zijn Zoon.
O, allerzaligst lot!'

Hij, die in het geheel geen dichter was, zag deze woorden zelf als hem ingegeven door de Heilige Geest.
Als eerste van de weinigen die hij dit gedicht ter hand stelde, gaf hij het mij. En het sloeg terstond bij mij zodanig aan dat ik de waarde van dit gedicht zag. Al spoedig na de oprichting van het Reformatorisch Dagblad zei ik hem: Nu komt dit gedicht in de krant. Hiertegen maakte mijn geestelijke vader geen bezwaar, daar het immer zijn lust was goed te spreken van God en van Christus en Zijn werk. Maar daar hij toch geen eer van mensen wenste te nemen (vergel. Joh. 5 : 41, 44), eiste hij beslist dat publikatie van het gedicht anoniem geschieden zou.
Het gaat toch louter om het werk en de eer des Heeren.
Al te dikwijls wordt er gezien op de mens, ook op de bekeerde en begenadigde mens. Al te dikwijls worden woorden beoordeeld naar de man die ze sprak of schreef. Al te dikwijls wordt eerst gevraagd of de man wel tot die of die kerk behoorde. Zo krijgt de Heere der Kerk niet de eer die Hem toekomt.
Daarom de voorwaarde: geen naam eronder!
Aldus geschiedde. Maar wie had nu gedacht dat een begrijpelijke vergissing van de zetter zoveel en zo'n hardnekkige verwarring oproepen zou?
D.V. een volgende keer meer hierover.

ds. L. H. Oosten, Hedel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Wie was de dichter van 'Rechtvaardigmaking'? (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's